Andreas Antonius Maria (Dries) van Agt (Geldrop, 2 februari 1931 – Nijmegen, 5 februari 2024) was een Nederlandse jurist, hoogleraar, politicus en diplomaat. Hij was van 19 december 1977 tot 4 november 1982 minister-president van Nederland in drie achtereenvolgende kabinetten. Van 1973 tot 1977 was hij minister van Justitie. Hij werd na zijn premierschap onder meer pleitbezorger voor de rechten van de Palestijnen en zijn visies verschoven van conservatief naar veel linkser.
Jeugd en vroege loopbaan Van Agt werd geboren en groeide op in Geldrop. Van Agt was de zoon van textielfabrikant Frans van Agt (1899-1974) en Anna Frencken (1902-1978). Hij was de oudste van vijf kinderen. Hij was een achterkleinzoon van Godefridus Marcelis Frencken, die van 1843 tot 1904 diende als burgemeester van Asten.
Opleiding Hij volgde van 1943 tot 1949 het gymnasium-A aan het Augustinianum in Eindhoven, waar zijn latere collega-minister Hans Gruijters een klasgenoot van hem was. Vervolgens studeerde hij rechten aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij behaalde cum laude zijn doctoraalexamen meester in de rechten in juni 1955, gespecialiseerd in privaatrecht.
De eerste twee jaar van zijn studietijd was Van Agt niet actief binnen het N.S.V. Carolus Magnus (N.S.C.) na een 'verschrikkelijke' ontgroening. In het studiejaar 1951-1952 maakte Van Agt als eerste abactis deel uit van het bestuur van de senaat van het N.S.C. onder leiding van de latere KVP-voorzitter en minister Fons van der Stee als preses. Zijn medestudent Eugenie Krekelberg was tweede abactis, waarmee Van Agt zich al in 1951 verloofde. In het studiejaar 1952-1953 was hij zelf preses van de senaat. Als preses hervormde hij de ontgroeningen en opende een 'trefcentrum' voor jongens en meiden.
Juridische en wetenschappelijke loopbaan (1955-1971) Vanwege spataderen ontliep Van Agt de dienstplicht. Van 1956 tot 1958 werkte hij als advocaat in Eindhoven. Daarna was hij tot 1963 werkzaam bij de directie Juridische en Bedrijfsorganisatorische Zaken van het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en tot 1968 bij de afdeling wetgeving publiekrecht van het ministerie van Justitie. Na een korte periode als wetenschappelijk medewerker was hij van 1968 tot 1971 hoogleraar strafrecht en strafprocesrecht aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Bij zijn afscheid stond hij volgens de Gelderlander bekend als een bekwaam, tolerant en vooruitstrevend jurist.
Actief bij de KVP thumb|Dries van Agt (1971) Van der Stee, oud-studiegenoot en sinds 1968 voorzitter van de Katholieke Volkspartij (KVP), verzocht Van Agt actief te worden binnen de partij. Hij bracht Van Agt in contact met Tweede Kamerlid Cor Kleisterlee. Op zijn verzoek werd Van Agt rapporteur voor een partijcommissie die zich boog over de mensenrechtensituatie in Portugal. Eind 1969 werd Van Agt voorzitter van de denktank van de KVP, het Centrum voor Staatkundige Vorming, en lid van de stuurgroep onder leiding van Piet Steenkamp die het verkiezingsprogramma voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1971 moest opstellen.
Het programma werd over het algemeen gekarakteriseerd als progressief en Van Agt plaatste zichzelf op de linkervleugel van de partij. Hij vond dat het verkiezingsprogramma onmogelijk gerealiseerd kon worden met de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Zijn linkse positie binnen de partij bleek ook toen hij met vijf leden van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en vier KVP'ers in februari 1970 waarschuwde voor het behoudende karakter van de samenwerking van hun partijen met de Christelijk-Historische Unie (CHU). Voor de Eerste Kamerverkiezingen van 1971 stond hij op de kandidatenlijst, maar werd niet gekozen.
Minister van Justitie (1971-1977) Kabinetten-Biesheuvel Aan het begin van de kabinetsformatie van 1971 was Van Agt door de KVP gepolst als minister van Justitie, maar dat departement leek lange tijd naar de ARP te gaan. In plaats daarvan bood KVP-leider Gerard Veringa hem het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk aan wat hij afwees. Toen het ministerie van Justitie toch aan KVP werd toebedeeld, werd Van Agt alsnog minister. Op 6 juli 1971 werd hij beëdigd in het kabinet-Biesheuvel I, naast KVP en ARP bestaande uit CHU, VVD en Democratisch-Socialisten 1970.
Drie van Breda
Een van de onderwerpen waar Van Agt zich over boog, en wat tevens een van zijn grootste nederlagen was, was de Drie van Breda. De drie zaten als laatste tot levenslang veroordeelde Duitse oorlogsmisdadigers in Nederland vast en Van Agts voorgangers hadden onder publieke en politieke druk afgezien van vrijlating. Enkele weken na zijn aantreden sprak Van Agt zich uit voor hun vrijlating, omdat hij vond dat elke gevangene uitzicht moest hebben op terugkeer in de maatschappij. Zijn voornemen kreeg veel publiciteit toen hij bij een informele kennismakingsbijeenkomst met de pers in september 1971 zei het "moeilijker" te krijgen dan zijn Joodse voorganger Carel Polak, omdat hij "ariër" en jonger was, waardoor hij de oorlog weinig bewust had meegemaakt. Voor het gebruik van de term "ariër", dat associaties opwekte met de Ariërverklaring in de Tweede Wereldoorlog,https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010618836:mpeg21:a0122 bood hij later zijn excuus aan.
miniatuur|Demonstranten in aanloop naar het debat over de vrijlating van de Drie van Breda Naar aanleiding van de publiciteit dienden de Drie opnieuw gratieverzoeken in. In een Tweede Kamerdebat zegde Van Agt toe de Kamer te consulteren alvorens over te gaan op gratiëring. Na positieve adviezen van rechtscolleges en discussies in de ministerraad informeerde hij op 16 februari 1972 de Kamer over het voornemen tot vrijlating. Minister-president Barend Biesheuvel en Van Agt hadden vooraf alle fractieleiders gepolst en dachten te kunnen rekenen op een Kamermeerderheid.
Tijdens de lange periode tussen de Kamerbrief en het Kamerdebat ontstond veel publiciteit die leidde tot hevige emoties. De Kamer besloot een op tv uitgezonden hoorzitting te houden, waarbij onder meer slachtoffers aan het woord kwamen. De dag voor de hoorzitting werd ook de documentaire Begrijpt u nu waarom ik huil?, waarin een concentratiekampslachtoffer sprak over zijn ervaringen, vertoond in de Kamer en later op tv uitgezonden. De hoorzitting verliep emotioneel en droeg eraan bij dat Kamerleden tegenstander van vrijlating werden. Voorstanders kregen te maken met bedreigingen, waaronder Van Agt die een lijfwacht kreeg en met zijn gezin moest onderduiken.
miniatuur|links|Premier Barend Biesheuvel en Van Agt tijdens het debat op 29 februari 1972 in de Tweede Kamer over de vrijlating van de Drie van Breda Op 29 februari vond het debat over de vrijlating plaats. Van Agt gaf in zijn eerste termijn opnieuw zijn overwegingen weer, maar zijn betoog werd als kil en afstandelijk ervaren. Zijn formeel-juridische blik jaagde een deel van de Kamer in het harnas. PvdA-Kamerlid Joop Voogd diende een motie in, waarin het de regering ernstige overweging meegaf om het voornemen tot vrijlating niet uit te voeren. De motie werd met 85 tegen 61 stemmen aangenomen. De ministerraad besloot vervolgens om de Drie niet vrij te laten. Een vertrouwenscommissie met onder andere oorlogsslachtoffers en verzetslieden werd aangesteld om de minister te adviseren bij eventuele vrijlating. Toen Van Agt een jaar later geconfronteerd werd met een ernstig zieke Joseph Kotalla, een van de Drie van Breda, zag hij wederom af van gratie omdat hij onvoldoende steun kreeg van de vertrouwenscommissie.
Kabinetsval Binnen de ministerraad beperkte Van Agt zich vrijwel volledig tot zijn beleidsterrein. Hij hield zich daarom afzijdig bij de kabinetscrisis omtrent het financieel-economische beleid, die ertoe leidde dat de DS'70-ministers op 17 juli 1972 aftraden. De resterende bewindspersonen gingen verder als het kabinet-Biesheuvel II.
Kabinet-Den Uyl miniatuur|Informateurs Wil Albeda en Van Agt bij Paleis Huis ten Bosch Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1972 stond Van Agt in veel kieskringen op de tweede plaats en kreeg bijna 13.000 stemmen. Tijdens de moeizame kabinetsformatie van 1972-'73 probeerde formateur Jaap Burger een doorbraak te forceren door ministers te strikken voor een kabinet met de progressieve PvdA, Democraten '66 (D'66) en Politieke Partij Radikalen (PPR). Waar bij de ARP de progressieve Jaap Boersma en Wilhelm Friedrich de Gaay Fortman hapten, wees Van Agt deze stap buiten zijn partijleiding om af. Toen Burgers formatiepoging vastliep, werden Van Agt en ARP-senator Wil Albeda benoemd als informateurs. Zij brachten meer christendemocratische programmapunten in het werkdocument, nadat Burger alleen het progressieve programma Keerpunt '72 als uitgangspunt had genomen. Het duo regelde ook dat alleen de kandidaat-ministers met het document zouden instemmen, waardoor de ARP- en KVP-fracties meer afstand konden bewaren. Op 11 mei 1973 werd het kabinet-Den Uyl beëdigd, waarin Van Agt naast minister van Justitie ook vicepremier was.
Tussen Van Agt en de PvdA-premier Joop den Uyl groeide geen vertrouwde relatie. Van Agt bleef op zijn hoede, ondanks dat hij onder de indruk was van Den Uyls gedrevenheid en werkkracht. Andersom leek Den Uyl Van Agt moeilijk te kunnen doorgronden. Het kabinet werd algauw een 'vechtkabinet', bekend om de lange duur van de ministerraad. De eerste scheurtjes tussen Van Agt en Den Uyl kwamen begin 1973 toen het kabinet gratie wilde verlenen aan zeven bestuursleden van de Vereniging van Dienstplichtige Militairen die dienstplichtigen opgeroepen hadden hun meerderen niet te groeten op 1 augustus 1972. Van Agt had aan het einde van het kabinet-Biesheuvel hun eerste verzoek afgewezen en vond zijn geloofwaardigheid en betrouwbaarheid in gedrang komen als hij het tweede verzoek wel zou inwilligen. Het kwam tot een compromis waarbij ze de helft van hun celstraf moesten uitzitten.
Aanvankelijk droeg D'66 Anneke Goudsmit voor als staatssecretaris op Van Agts departement, maar zij trok zich terug vanwege meningsverschillen over abortus. In haar plaats kwam Jan Glastra van Loon. In 1975 dwong Van Agt Glastra van Loon om af te treden, omdat hij in conflict was geraakt met de secretaris-generaal Albert Mulder en dit uitte in interviews. In Glastra van Loons plaats werd vervolgens Henk Zeevalking benoemd.
Abortus en Bloemenhove Tijdens Van Agts ministerschap was abortus in Nederland verboden, tenzij er een medische indicatie was. In de jaren zeventig gaven artsen deze indicatie in toenemende mate en kwamen meer buitenlandse vrouwen voor abortus naar Nederland. Van Agt vond abortus principeel fout alleen omdat de vrouw het vroeg. Daarnaast vond hij het gedoogbeleid in strijd met zijn juridische overtuiging, omdat de wet niet gehandhaafd werd. Samen met minister Louis Stuyt (KVP) had Van Agt tijdens het kabinet-Biesheuvel gewerkt aan een wet waarin abortus met redelijke grond toegestaan werd, mits de indicatie en de ingreep voldeden aan regels. Deze verdween in de la, omdat Van Agts eigen partij het te ver vond gaan en het een vrije kwestie werd in het kabinet-Den Uyl.
Tweemaal probeerde Van Agt de Bloemenhovekliniek, waar vrouwen geaborteerd werden die achttien tot twintig weken zwanger waren, te sluiten na meldingen. De eerste keer eind 1973 werd hij teruggefloten door het kabinet en gedwongen de beslissing over te laten aan een rechter. De rechter wees de inbeslagname af.
miniatuur|Bezetting van de Bloemenhovekliniek op 25 mei 1976