Petrus Jozef Sietse (Piet) de Jong (Apeldoorn, 3 april 1915 – Den Haag, 27 juli 2016) was een Nederlands politicus van de Katholieke Volkspartij (KVP). Van 5 april 1967 tot en met 6 juli 1971 was hij minister-president van Nederland. Eerder was hij staatssecretaris van Defensie (27 juni 1959 – 24 juli 1963) en minister van Defensie (24 juli 1963 – 5 april 1967). Voorafgaand aan zijn politieke carrière vocht hij als onderzeebootcommandant in de Tweede Wereldoorlog.
Levensloop De Jong werd geboren als zoon van de treinmachinist Joännes de Jong (1878–1931)Maas, P.F. (1982) Kabinetsformaties 1959-1973, p. 241. en Gijsberta Adriana Schouten (1877–1957). Hij groeide op in een katholiek gezin. In 1931 behaalde hij het diploma HBS-B aan de Koninklijke Hogere Burgerschool in Apeldoorn. Daarna trad hij in dienst bij de Koninklijke Marine, waar hij als adelborst de officiersopleiding volgde aan het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder.
Militaire carrière miniatuur|links|De Jong als commandant van Hr.Ms. Gelderland (1958/1959). Na het voltooien van de adelborstopleiding werd De Jong in 1934 bevorderd tot luitenant ter zee der derde klasse. Van 1935 tot 1947 was hij werkzaam bij de onderzeedienst van de Koninklijke Marine. Op 13 mei 1940 vertrok hij met duikboot Hr.Ms. O 24 naar Engeland. Gedurende de Tweede Wereldoorlog nam hij als oudste officier en vanaf medio 1944 als commandant van deze onderzeeboot deel aan de gevechten. Met zijn onderzeeboot heeft hij verschillende Japanse en Italiaanse schepen doen zinken. In april 1946 keerde hij met Hr.Ms. O 24 terug in Nederland.
In 1947 werd hij geplaatst bij de marinestaf van het ministerie van Oorlog en Marine om in 1948 adjudant van minister Schokking te worden. Van 1951 tot eind 1952 was De Jong commandant van fregat Hr.Ms. De Zeeuw. Hij werd vervolgens stafofficier bij de Allied Commander-in-Chief Channel in Portsmouth. In 1955 werd hij benoemd tot waarnemend chef-staf van de inspecteur-generaal der marine, prins-gemaal Bernhard van Lippe-Biesterfeld, en van 1955 tot 1958 was hij adjudant van koningin Juliana.
De Jong was vanaf 1958 commandant van de onderzeebootjager Hr.Ms. Gelderland in de rang van kapitein-ter-zee.
De Jong kreeg tweemaal het Bronzen Kruis toegekend. Zijn eerste kreeg hij naar aanleiding van de succesvolle evacuatie van de in aanbouw zijnde onderzeeboot O 24 van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk vooraf aan de capitulatie van Nederland aan Duitsland op 15 mei 1940, het tweede in 1943 voor zijn operationele verdiensten tijdens de oorlog voor de geallieerde zaak aan boord van de O 24. Daarnaast ontving De Jong het Britse Distinguished Service Cross, een met het Bronzen Kruis vergelijkbare dapperheidsonderscheiding.
Militaire rangen 15px Adelborst (1931) 15px Korporaal-adelborst (1932) 15px Sergeant-adelborst (1933) 15px Luitenant ter zee der derde klasse (1934–1936) 15px Luitenant ter zee der tweede klasse (1936–1944) 15px Luitenant ter zee der eerste klasse (1944–1953) 15px Kapitein-luitenant ter zee (1953–1958) 15px Kapitein-ter-zee (1958–1963Vanaf zijn aanstelling tot staatssecretaris op non-actief) 15px Kapitein-ter-zee KMR (1963–1975)
Politieke carrière miniatuur|links|De Jong als minister van Defensie in 1965 De Katholieke Volkspartij (KVP) zocht in 1959 een opvolger voor staatssecretaris Harry Moorman van Marine. De Jong werd gevraagd en op 27 juni 1959 werd hij staatssecretaris in het kabinet-De Quay. Over zijn politieke loopbaan zei hij: "Ik ben daar min of meer toevallig ingerold. Katholieke marineofficieren had je niet veel, en, hoewel ik geen lid was van de KVP, kwam men bij mij terecht door gewoon het lijstje na te gaan." Hij moest met spoed lid worden van de KVP. miniatuur|De Jong in 1968 als minister van Defensie. Op de achtergrond een portret van koningin Juliana. De Jong weigerde een plaats op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1963, maar bleef aan als bewindspersoon. Hij werd minister van Defensie in het kabinet-Marijnen en bleef dat in de navolgende kabinetten Cals en Zijlstra. De Jong reorganiseerde de Nederlandse defensie in verticale richting, gericht op specialisaties van Nederlandse taken bij de NAVO. Dat ging niet zonder slag of stoot. Critici binnen zijn ministerie en in de Tweede Kamer verweten hem dat Nederland daardoor niet meer zelfstandig en onafhankelijk oorlog kon voeren. De oppositie in de Tweede Kamer probeerde als symbolisch protest vergeefs hem één gulden te korten op zijn salaris.Maas. P.F. (1982) Kabinetsformaties 1959-1973, p. 242 Voorts bewerkstelligde De Jong een kortere dienstplicht en bezuinigde hij.
Koningin Juliana noemde De Jong tegenover minister-president Jo Cals in 1965 "een zeldzaam prettig en ongecompliceerd man".Maas, P.F. (1982) Kabinetsformaties 1959-1973, p. 240 Na het mislukken van de formatie Biesheuvel werd De Jong op 21 maart 1967 door koningin Juliana aangesteld als kabinetsformateur. Zijn formatieopdracht was ruim omschreven: "Een kabinet te vormen, dat zal mogen rekenen op een vruchtbare samenwerking met de volksvertegenwoordiging." De Jong had geen behoefte te onderhandelen met de Partij van de Arbeid van Joop den Uyl en beperkte zich tot de partijen KVP, ARP, CHU en VVD. Hij liet duidelijk blijken dat als ze er met zijn vieren niet uitkwamen, hij alsnog genoodzaakt was om met de PvdA te gaan onderhandelen. Om de vaart erin te houden, stelde hij een deadline in. Zijn opzet lukte: tien minuten voor het verstrijken van de deadline had hij zijn kabinet rond. De Jong had elke fractievoorzitter expliciet gevraagd om vrouwelijke kandidaten voor een minister- en staatssecretarisschap. Het bleef echter bij één vrouwelijke minister: Marga Klompé, die al sinds 1957 ministersposten vervulde. Het zou tot 1982 duren (Lubbers I) totdat er twee vrouwelijke ministers waren. Op 4 april beëindigde De Jong zijn formateurschap en de volgende dag werd hij benoemd tot minister-president en minister van Algemene Zaken in zijn eigen kabinet-De Jong. In zijn eerste persconferentie als minister-president deed hij niet moeilijk over zijn vaardigheden op financieel-economisch terrein: "Ik weet niets. Ik ben een volslagen leek".
De Jong werd minister-president op een moment dat de woelige jaren '60 met onder meer de Provo-beweging op een hoogtepunt was. Onder druk hiervan nam de regering een reeks maatregelen. In mei 1967 werd de Amsterdamse burgemeester Van Hall ontslagen. In de rijksbegroting voor 1968 werden extra middelen ter beschikking gesteld voor de herziening van het jeugdbeleid. De demonstratievrijheid werd uitgebreid: voor leuzen en spandoeken was niet meer vooraf vergunning van de burgemeester vereist.Eric Duivenvoorden, Rebelse jeugd, p. 163-164 De Jong introduceerde het gebruik om na afloop van de ministerraad een persconferentie te geven, omdat hij het moe aan het worden was om tijdens een maaltijd gestoord te worden door telefonerende journalisten. Onder De Jong werd ook het wekelijks gesprek tussen staatshoofd en regeringsleider ingesteld. Ook op zedelijkheidsterrein waren er vernieuwingen. Zo verviel in 1971 de strafbaarstelling van het openlijk verkopen van voorbehoedsmiddelen. Het aantonen van overspel verviel als eis bij een verzoek tot echtscheiding. Door het kabinet-De Jong werd op 1 januari 1969 de btw (Belasting Toegevoegde Waarde) ingevoerd.De komst van de BTW, geschiedenis.vpro.nl miniatuur|De Jong in 1969 tijdens de Tweede Kamer-debatten over de zogenaamde politionele acties in 1947-1949 In datzelfde jaar verdedigde De Jong in de Tweede Kamer de misstanden tijdens de zogenaamde politionele acties in de jaren 1947-1949, door deze volgens historicus Remy Limbach bewust met de eufemistische term excessen aan te duiden, terwijl het extreme geweld structureel en op grote schaal plaatsgevonden heeft. Volgens Limbach deed het kabinet-De Jong dit "om te suggereren dat geweld niet op grote schaal voorkwam" en "om gevoelige vergelijkingen met Duitse oorlogsmisdaden te vermijden". Volgens Cees Fasseur, die als rijksambtenaar de Excessennota schreef, was indertijd de term 'structureel geweld' "politiek onhaalbaar". Fasseur pleitte voor vervolgonderzoek, maar het kabinet-De Jong hield dat tegen.Anne-Lot Hoek, Geweld door Nederlandse militairen in Indië was structureel, NRC Handelsblad, 14 augustus 2015
De KVP-fractie weigerde De Jong aan te stellen als lijsttrekker bij de volgende Tweede Kamer-verkiezingen. Hij zou dan namelijk weer kans maken op een vernieuwd premierschap. De PvdA had echter laten weten niet meer met hem te willen regeren. Aangezien de KVP de socialisten niet opnieuw wilde uitsluiten, werd De Jong geofferd. Hij weigerde vervolgens een lagere plaats op de kandidatenlijst en vertrok naar de Eerste Kamer. Vanaf 18 april 1972 was hij er voorzitter van de KVP-fractie en bleef lid tot 17 september 1974. De Jong toonde grote belangstelling om in 1972 Louis Beel op te volgen als vice-president van de Raad van State, maar er werd voor Marinus Ruppert gekozen.Giebels, Lambert J. (1995) Beel. Van Vazal tot Onderkoning. biografie 1902-1977, p. 503
Tijdens zijn premierschap werd De Jong door de media beschuldigd van te weinig daadkracht en werd hij veelvuldig bestempeld als ouderwets. Dat imago werd versterkt door zijn bolhoed, waarmee hij vaak buitenshuis verscheen. Dertig jaar later werd hij echter door velen beschouwd als een politicus die zijn besluiten weloverwogen nam. In een reportage van het EO/KRO/NCRV-televisieprogramma Netwerk, uitgezonden begin 2005, werd hij zelfs bestempeld als misschien wel de beste naoorlogse premier van Nederland.
Na actieve politieke loopbaan miniatuur|Oud-premier De Jong v.l.n.r. omringd door zijn opvolgers Kok, Van Agt, Rutte, Lubbers en Balkenende, 2011 miniatuur|Piet de Jong op bezoek bij minister-president Mark Rutte in het Torentje (2011) De Jong heeft na zijn actieve politieke loopbaan nog vele functies vervuld. Zo was hij vanaf 1974 tot 1981 de eerste voorzitter van het nieuwe Comité Nationale Herdenking '40-'45. Ook was hij commissaris bij de bedrijven SHV Holdings, DAF, CSM, Nationale-Nederlanden, Shell en Het Financieele Dagblad. In 1976 was hij voorzitter van een economische missie naar Australië en tien jaar later van een naar China.
In 1988 behoorde hij tot 'de groep van negentien', die in een brief aan minister Frits Korthals Altes van Justitie pleitte voor de vrijlating van de Twee van Breda, Duitse oorlogsmisdadigers die in Breda een levenslange gevangenisstraf uitzaten.Piersma, Hinke (2005)De drie van Breda, p. 172 Mede op grond van dit schrijven werden ze in januari 1989 vrijgelaten. Eind 1990 was er sprake van dat hij tijdens de Golfoorlog naar Irak zou afreizen als leider van een missie om te pleiten voor de vrijlating van Nederlandse gijzelaars, maar de missie werd afgelast.
In 2010 was hij, 94 jaar oud inmiddels, uitgebreid aan het woord in Nieuwspoort bij de publicatie van een biografie over Joseph Luns. In april 2010 sprak hij het verkiezingscongres toe van het CDA, waarin de KVP inmiddels was opgegaan. Daarbij noemde hij het opstappen van PvdA-leider Wouter Bos uit het kabinet-Balkenende IV "gemeen en achterbaks".Video Oud-CDA-premier Piet de Jong haalt uit naar Wouter Bos, NOS
In augustus 2010 bepleitte hij naar aanleiding van de kabinetsformatie in een interview met weekblad Vrij Nederland eerbied voor elkaars overtuiging: "Als je zegt: jullie deugen niet, zoals Geert Wilders doet, dan escaleert het, en gaat het van kwaad tot erger. Je moet elkaar respecteren. Daarom zeg ik: zolang de punten van de godsdienstvrijheid en de rechtsstaat niet zeker zijn, moet de PVV wat mij betreft maar in zijn eentje doormarcheren. Daar doe ik niet aan mee.""Ook Piet de Jong niet blij met PVV", De Pers, 24 augustus 2010.