thumb|David en Goliat (Caravaggio) thumb David (Hebreeuws: דָּוִד, דָּוִיד, "lieveling", c. 1040 v. Chr. tot 970 v. Chr.) was volgens de Hebreeuwse Bijbel de tweede koning van het Verenigd Koninkrijk Israël en stamvader van het huis van David, dat tot de 6e eeuw v.Chr. in Jeruzalem aan de macht zou blijven over het koninkrijk Juda. Volgens de Bijbelse chronologie regeerde hij veertig jaar van c. 1010 v.Chr. tot c. 970 v.Chr., waarvan zeven over Juda vanuit Hebron en 33 over het Verenigd Koninkrijk Israël vanuit Jeruzalem. Hij wordt beschreven als een rechtvaardige koning, hoewel hij niet foutloos was, een gewaardeerd krijger, muzikant en dichter, aan wie traditioneel vele Psalmen worden toegeschreven.
David is een belangrijk persoon binnen het jodendom en de islam. Daarin N. Scherman (2001): The Stone Edition Tanach, Mesorah Publications, pag. 2038 is David een profeet, volgens het jodendom de koning van Israël en de Joden en een voorvader van de Messias. Volgens de christelijke evangeliën volgens Matteüs en Lucas in het Nieuwe Testament, was hij via Jozef een voorouder van Jezus.
Leven volgens de Bijbel Davids leven wordt beschreven in 1 en 2 Samuel, 1 Kronieken en de eerste twee hoofdstukken van 1 Koningen.
De jonge David David was de jongste van acht zonen van Isaï en was herder. Terwijl Saul nog koning was, zalfde Samuel David tot koning (1 Samuel 16:1-13). Het zou echter nog jaren duren voordat hij de troon besteeg. Kort na zijn zalving kwam hij aan het hof van Saul, waarover de Bijbel twee tegenstrijdige varianten beschrijft. In de eerste hiervan laat de neerslachtige Saul hem halen om voor hem op de lier te spelen en zo zijn "kwade geest" te verdrijven (1 Samuel 16:14-23). Direct na deze versie volgt het beroemde verhaal over het doden van de Filistijnse reus Goliat.Spreekwoordelijk wordt "David tegen Goliat" gebruikt wanneer een zwakkere of kleinere underdog een veel sterkere tegenstander verslaat. David kwam alleen in het legerkamp om zijn broers voedsel te brengen, maar kon de laster van de reus niet verdragen. Hierop werd hij voorgesteld aan Saul, die hem zijn wapenrusting gaf. Deze was te groot en zwaar voor David, dus hij koos voor zijn slinger, een wapen waarmee hij al leeuwen en beren had gedood die zijn schapen wilden opeten. Hiermee doodde hij Goliat (1 Samuel 17).In 2 Samuel 21:19 staat echter dat een zekere Elchanan Goliat heeft geveld. De Targoem oppert dat met Elchanan David zelf wordt bedoeld. Een andere verklaring van deze schijnbare discrepantie is dat er simpelweg twee Goliats zijn geweest. Het door veel Bijbelgeleerden geopperd idee dat Goliat een titel is, ondersteunt dit idee. Zie A. Cohen: Soncino Books of the Bible In deze versie kende Saul David nog niet, liet hij hem roepen en nam hem bij zich aan het hof (1 Samuel 17:55-18:2). Er zijn verschillende pogingen gedaan om deze versies in overeenstemming te brengen, maar tot nu toe is geen bevredigende oplossing gevondenRichard Schultz (2000): Die sogenannten Widersprüche im Alten Testament – deel 2, zie ook interne consistentie van het Oude Testament.
Direct hierna werd Saul jaloers op David, omdat deze als een grotere held dan hijzelf werd gezien. Saul begon te vermoeden dat David hem het koningschap wilde afnemen en hij probeerde David enkele keren te doden. Daarna stelde Saul David als bevelhebber over duizend man aan om hem in ieder geval niet meer in de buurt te hoeven hebben. Als list bood Saul de hand van zijn oudste dochter Merab aan David. De bruidsschat zou bestaan uit 100 voorhuiden van Filistijnen, waarbij Saul aannam dat David zou sneuvelen om deze te bemachtigen. Maar op de dag waarop David met Merab zou trouwen, huwelijkte Saul haar aan een ander uit en bood hij David de hand van zijn andere dochter Michal. In de slag met de Filistijnen doodde David er 200 en bracht hun voorhuiden bij Saul. Deze huwelijkte hierop Michal aan David uit. Saul beschouwde David hierna als zijn aartsvijand (1 Samuel 18:6-30).
Saul kondigde zijn hovelingen aan dat hij David dood wenste. Sauls zoon Jonatan overreedde zijn vader echter hiervan af te zien en David keerde terug aan het hof. Na een tijdje keerden de moordzuchtige gevoelens bij Saul terug en na een waarschuwing van zijn vrouw Michal vluchtte David naar Samuel en ging bij hem wonen (1 Samuel 19:1-18).
Nadat David weer moest vluchten, werd hij aanvoerder van een bende. Hij werd achtervolgd door Saul met 3000 soldaten. In de grotten van Engedi moest Saul zijn behoefte doen en ging bij toeval de grot in waar David en zijn mannen zich schuilhielden. Maar in plaats van hem te doden, zoals gevraagd door zijn bendeleden, sneed David alleen een hoek af van het koninklijk gewaad. Deze liet hij Saul voor de grot zien als een teken van loyaliteit. Diep geroerd profeteerde Saul dat hij op een dag koning zou zijn na hem, liet David zweren dat hij zijn geslacht en naam geen kwaad zou toebrengen en liet hem gaan. David vluchtte hierna naar Gat, waar hij werd herkend als krijgsheld, die juist een grote hoeveelheid Filistijnen had gedood. Daarom deed David alsof hij krankzinnig was, door het speeksel in zijn baard te laten lopen en overal kruisjes te tekenen, waarna koning Achis hem liet gaan (1 Samuël 21:10-16; Psalmen 34 en 56).
David spaarde Saul een tweede keer toen hij het legerkamp van Saul binnensloop en als bewijs de speer en waterkan van Saul meenam (1 Samuel 26). Door de verhalen waarbij David twee keer het leven van Saul spaarde, toonde de anonieme auteur van het verhaal aan dat David respect had voor de monarchie in het noorden van Israël. Dit maakte het de noordelijke stammen van Israël later makkelijker hem als koning te erkennen, zodat zijn rijk uiteindelijk zowel het noordelijke als het zuidelijke deel van Israël omvatte.
Later, toen David nog steeds op de vlucht was voor Saul, kwam hij met 600 soldaten en hun gezinnen voor de tweede keer in het gebied van Gat. Deze keer ontving Achis hem vriendelijk en liet David en zijn groep in Ziklag wonen, waar ze zestien maanden bleven. Achis was in de veronderstelling dat David en zijn leger Judese steden overvielen, maar in plaats daarvan plunderde Davids leger de nomadenstammen in de Negev, die ook de bevolking van Juda bedreigden. Zo bewees David enerzijds zijn stambroeders een grote dienst en liet hij Achis anderzijds in de veronderstelling dat hij in zijn vaderland alle steun had verloren en de Filistijnen daarom loyaal zou dienen (1 Samuël 27:1-12). Uiteindelijk had Achis zo veel vertrouwen in David gekregen dat hij hem aanstelde als zijn persoonlijke lijfwacht (1 Samuël 28:2). Alleen het wantrouwen van de overige vorsten van de vijfstedenbond, maakten dat Achis David dwong zijn leger af te bouwen en terug te gaan naar huis. Maar ook bij deze gelegenheid bevestigde Achis nogmaals zijn vertrouwen in David (1 Samuël 29:1-11).
Koning thumb|270px| Met de dood van Saul eindigt het boek 1 Samuel en begint 2 Samuel. Tijdens een slag met de Filistijnen had Saul zelfmoord gepleegd om niet in hun handen te vallen, kort nadat de Filistijnen drie zonen van Saul hadden gedood (1 Samuel 31:1-4). Een ontsnapte soldaat uit het leger van Saul bracht David de boodschap, waarbij hij zei dat hij de dodelijk gewonde Saul op zijn verzoek de genadestoot had gegeven. David liet hem hierop executeren (2 Samuel 1:1-16). Hierna zong David een klaaglied, het "Lied van de boog", waaruit zijn loyaliteit aan Saul als koning en diepe vriendschap met Jonatan bleek (2 Samuel 1:17-27).
Hierna ging David in Hebron wonen, waar hij koning werd over het koninkrijk Juda (2 Samuel 2:1-4). Sauls zoon Isboset volgde zijn vader op als koning van het koninkrijk Israël. Nadat Isboset werd vermoord door zijn eigen soldaten (2 Samuel 4:2-7), werd David gezalfd tot tweede koning over heel Israël (2 Samuel 5:1-3). Hij regeerde 7,5 jaar vanuit Hebron over Juda en stichtte toen zijn hoofdstad in Jeruzalem, dat hij veroverde op de Jebusieten (2 Samuel 5:5-12).
Aan het einde van deze verhalencyclus staan drie belangrijke hoofdstukken die elk een specifiek aspect van Davids koningschap belichten: 2 Samuel 6 betreft de cultus en bevat het verhaal over de ark van het verbond, die door David naar Jeruzalem werd gehaald. In 2 Samuel 7 wordt David een duurzame dynastie beloofd en 2 Samuel 8 betreft het territorium, waarin Davids overwinningen worden genoemd, waardoor hij zijn grondgebied kan uitbreiden tot een groot rijk.
De hierop volgende hofvertellingen over koning David zijn buitengewoon compact en kunstzinnig, waarin een gedifferentieerd beeld van het karakter van David en degenen die hem omringden wordt geschetst. Onomwonden wordt beschreven hoe David in een draaikolk van gebeurtenissen werd meegezogen die een "rampgeschiedenis" van zijn dynastie kan worden genoemd.E. Blum (1996): Ein Anfang der Geschichtsschreibung? Anmerkungen zur sog. Thronfolgegeschichte und zum Umgang mit Geschichte im Alten Israel, Trumah 5, pag. 9-46 Tot op hoge leeftijd werd David geconfronteerd met geweld, moord, opstand en intriges. Aan het einde ervan lukte het de profeet Natan en de koningin-moeder Batseba om Salomo op de troon te krijgen (1 Koningen 1). Aan het begin staat daar tegenover hoe David overspel pleegde met Batseba en haar echtgenoot vermoordde, een dramatisch verhaal naar het klassieke motief van de dodenbrief.Homerus: Ilias VI, 168f; Herodotus: Historiën III, 44; Sprookje van Grimm: De duivel met de drie gouden haren; zie hierover A.A. Fischer (1989): David und Batseba. Ein literarkritischer und motivgeschichtlicher Beitrag zu II Sam 11, ZAW 101, pag. 56f Uit dit overspel werd duidelijk de troonopvolger geboren, een feit dat niet alleen David maar ook latere redacteuren probeerden te verdoezelen (2 Samuel 11 en 12:24).Zie ook T. Veijola (1979): Salomo – der Erstgeborene Bathsebas, in: J.A. Emerton (Uitg.), Studies in the Historical Books of the Old Testament (VT.S 30), Leiden, pag. 230-250 Tussen deze twee verhalen staan veel andere over het Huis van David: de verkrachting van Tamar door koningszoon Amnon (2 Samuel 13), de moord op Amnon door zijn broer Absalom (2 Samuel 14), de opstand van Absalom tegen zijn vader David, die hierdoor Jeruzalem moest ontvluchten (2 Samuel 15-17), hoe Absalom werd gedood door Davids legeraanvoerder Joab (2 Samuel 18), de afsplitsing van Israël van Juda en de rebellie van Seba, die door de nieuwe legeraanvoerder Amasa heimelijk werd gedood (2 Samuel 20:8-13; vergelijk 2 Samuel 3:22-27).
Psalmist 73 psalmen worden traditioneel aan David toegeschreven, vooral door hun opschrift. In deze psalmen getuigt hij van zijn vertrouwen op God. Bekende psalmen van David zijn Psalm 23 ("De Heer is mijn herder"), Psalm 103 ("Prijs de Heer, mijn ziel") en Psalm 131 ("Heer, niet trots is mijn hart"). De consensus onder Bijbelwetenschappers is dat deze psalmen niet door David zijn geschreven.
Historiciteit Bronnen van de geschiedenis van David