thumb|Jezus roept Simon (Petrus) en Andreas (Duccio di Buoninsegna). thumb|Jezus laat Petrus over het water lopen (François Boucher). thumb|Jezus geeft de sleutels aan Petrus (fresco van Pietro Perugino in de Sixtijnse Kapel). thumb|Jezus geeft Petrus de sleutels (Rubens). thumb|Malchus wordt door Petrus aangevallen; een anoniem Bourgondisch schilderij uit ca. 1520 thumb|Een engel verlost Petrus van zijn handboeien (Bernardo Strozzi). thumb|“Domine, quo vadis?” (Annibale Carracci) thumb|“Tu es Petrus” in de Sint-Pietersbasiliek te Rome thumb|Het visioen van de heilige Petrus Nolascus met de gekruisigde apostel Petrus (Francisco Zurbarán) thumb|Beeldhouwwerk door Arnolfo di Cambio (13e eeuw) in de Sint-Pietersbasiliek thumb|Altaar van de Troon van Petrus in de Sint-Pietersbasiliek Petrus (Grieks: Πέτρος, Petros, "(grote) steen", "rots") (Galilea - Rome (?), ca. 64) was volgens het Nieuwe Testament een van de twaalf apostelen van Jezus en leiders in het vroege christendom. Oorspronkelijk heette hij Simon (Matteüs 4:18; 10:2) of Simeon (Handelingen 15:14). Jezus noemde hem in het Aramees Kefas, wat "rots" betekent en in het Grieks werd vertaald als Petros (Marcus 3:16). Om die reden wordt hij ook wel als Simon Petrus (Lucas 5:1-10) aangeduid en één keer als Simeon Petrus (2 Petrus 1:1).

Het Nieuwe Testament telt twee brieven die worden toegeschreven aan Petrus, zie Eerste brief van Petrus en Tweede brief van Petrus.

In de Rooms-Katholieke Kerk wordt Petrus als de eerste paus beschouwd en wordt hij ook wel aangeduid als Sint-Pieter. Het ambt van paus wordt daarom ook wel Petrusambt genoemd. In het oosters christendom wordt Petrus als de eerste patriarch beschouwd.

In kunst en iconografie is Petrus vrijwel altijd te herkennen aan de sleutels van de hemel, die het Petrusambt symboliseren (naar Matteüs 16:18-19). Andere attributen zijn een omgekeerd kruis (waaraan hij volgens de traditie ter dood werd gebracht), visnet (vanwege zijn beroep) en een haan (die hem eraan herinnerde dat hij Jezus verloochend had - Johannes 18:27).

Biografie Bronnen Biografische gegevens over Petrus worden hoofdzakelijk gevonden in het Nieuwe Testament, vooral in de evangeliën en Handelingen. De evangeliën zijn echter (vrijwel zeker) geschreven na Petrus' dood en vormen een mengsel van historische herinnering en latere verdichting. Overige biografisch relevante vermeldingen zijn in de brieven van Paulus.

Van de apostolische vaders zijn vooral de vermeldingen door Clemens van Alexandrië (1 Clemens 5:4) en Ignatius' Brief aan de Romeinen 4:3 van belang als het gaat om het einde van Petrus. Ook de verbinding met de evangelietraditie door Papias,Papias: Fragment 2.15 EusebiusEusebius: Kerkgeschiedenis 2,14.15.25; 3,2.3 en HiëronymusHiëronymus: De Viris illustribus 1 is van groot belang. Latere werken worden over het algemeen als historisch minder betrouwbaar beschouwd.

Persoonlijke context Simon (zoals Petrus eigenlijk heette - Matteüs 4:18; 10:2) was de zoon van Johannes (Johannes 1:40-42) of Jona (Matteüs 16:17De hier in de Griekse tekst aanwezige term is het Aramese Barjona, "zoon van Jona".). Hij kwam waarschijnlijk uit Betsaïda (Johannes 1:44), was een visser aan het Meer van Tiberias en "ongeletterd" (Handelingen 4:13). Hij werkte samen met zijn broer Andreas en met Johannes en Jakobus, de zonen van Zebedeüs (Lucas 5:10). Het lijkt erop dat hij oorspronkelijk behoorde tot de kring van leerlingen van Johannes de Doper (Johannes 1:35ff).

Later woonde Petrus in Kafarnaüm, waar Jezus hem bezocht. Hij was getrouwd (Marcus 1:29-31; 1 Korintiërs 9:5). Volgens de traditie heette zijn vrouw Strapola en was ze verwant aan Marcus' vader Aristobulus.Thomas C. Oden (2011): The African Memory of Mark, Reassessing Early Church Tradition, IVP Academic, pag. 80,82 Uit de traditie komen verslagen van haar martelaarschap en verhalen over haar kinderen met Petrus,Clemens van Alexandrië: Stromata 7, geciteerd door Eusebius van Caesarea: Kerkgeschiedenis III.30 zoals dat over hun gehandicapte dochter in een Koptisch fragment van de Handelingen van Petrus.Handelingen van Petrus Petronella van Rome zou, volgens de diverse legendes die zich rond haar hebben gevormd, een dochter van Petrus zijn.

Roeping Volgens de synoptische evangeliën zag Jezus van Nazareth Petrus en Andreas vissen in het Meer van Tiberias en zei hij tegen ze:

Volgens Johannes was Andreas aanwezig toen Johannes de Doper Jezus aankondigde als het Lam van God en volgde hij Jezus vanaf dat moment. Toen Andreas zijn broer tegenkwam, zei hij tegen hem dat hij de Messias had gevonden en nam hij hem mee naar Jezus.

Het is niet onwaarschijnlijk dat Petrus deze bijnaam kreeg om hem te onderscheiden van de andere apostel die ook Simon heette (Marcus 3:18; Matteüs 10:4; Lucas 6:15; Handelingen 1:13).

Leerling van Jezus Petrus was zonder twijfel een belangrijke leerling van Jezus. Hij wordt genoemd als een van de twaalf apostelen en geen andere leerling komt in de evangeliën zo vaak voor. Steeds treedt hij op als woordvoerder namens de groep apostelen (Matteüs 15:15; 16:16-22; 17:4,24-26; 18:21-27; 26:33; Johannes 13:6,36).

Jezus zei tegen Petrus:

Dit wordt ook wel de traditio clavium genoemd, Latijn voor overdracht van de sleutels. De woorden van Matteüs staan in het Latijn in grote letters in de kroon van de koepel van de Sint-Pieterskerk in Rome, boven wat als het graf van Petrus wordt beschouwd.

Petrus liep over het water naar Jezus, maar zonk daarna weg (Matteüs 14:29). Hij was getuige van de Gedaanteverandering van Jezus op de Taborberg (Matteüs 17:1-13).

Volgens Lucas kreeg Petrus de opdracht zijn broeders in het geloof te sterken: "Ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken" (Lucas 22:32).

Toen Jezus de voeten van zijn leerlingen wilde wassen, weigerde Petrus dit, maar toen Jezus zei dat hij anders niet bij hem zou kunnen horen, vroeg Petrus of Jezus niet alleen zijn voeten, maar ook zijn handen en hoofd wilde wassen (Johannes 13:6-10).

Arrestatie en verhoor van Jezus

Petrus was aanwezig bij het laatste avondmaal. Toen Jezus en zijn leerlingen in de hof van Getsemane waren om te bidden, viel Petrus telkens in slaap (Matteüs 26:36-46). Toen een menigte arriveerde om Jezus te arresteren, nam Petrus een zwaard en hakte het oor af van Malchus, een slaaf van de hogepriester. Jezus genas het oor van Malchus (Johannes 18:10) en vermaande Petrus dat hij zijn zwaard moest opbergen.

Na Jezus' arrestatie volgde Petrus op een afstand. Toen men hem herkende als een leerling, beweerde Petrus dat hij Jezus niet kende, een leugen die hij zich pas realiseerde toen hij een haan hoorde kraaien. Eerder die avond had Jezus dit voorspeld nadat Petrus gezworen had dat hij Jezus nooit zou afvallen.

Na Jezus' dood Na de opstanding van Jezus gaf deze Petrus opdracht op te treden als herder van zijn kudde.

In Handelingen treedt hij op als hoofd van de kerk in Jeruzalem (Handelingen 1:15; 2:14; 3:1; 4:8; 5:1ff; 8:14ff; 9-10; 15:7; Galaten 1:18).

Na zijn gevangenschap en bevrijding (Handelingen 12:17) verliet Petrus Jeruzalem, waar Jakobus (de broer van Jezus) de leiding nam (Handelingen 15; Galaten 2:9) en wijdde hij zich kennelijk aan zendingswerk. In het verhaal over het Concilie van Jeruzalem (Handelingen 15) blijft zijn werk nauwer verbonden met Jeruzalem dan dat van Paulus. Paulus achtte hem hoog, ook al wees hij hem terecht (Galaten 2:11-14). Zijn connectie met Jeruzalem plaatste hem waarschijnlijk in een ingewikkelde positie zoals blijkt uit het verhaal over zijn zwalkend gedrag in Antiochië. 1 Clemens 5 verwijst hier misschien naar als deze gaat over de last die hij moest dragen vanwege afgunst.

Petrus en Paulus Uit de brieven van Paulus, die (deels) tijdens Petrus' leven zijn geschreven, blijkt dat Paulus Petrus meermaals heeft ontmoet. Petrus was toen een van de leiders van de groep volgelingen van Jezus Christus in Jeruzalem. Hun eerste ontmoeting vond plaats in circa 35 n.Chr. in Jeruzalem (Galaten 1:18).

Veertien jaar daarna maakte Paulus in het kader van het Concilie van Jeruzalem met onder meer Petrus en Jakobus de afspraak dat Petrus het evangelie aan de Joden zou verkondigen, terwijl Paulus naar de heidenen zou gaan (Galaten 2:7-9; Handelingen 15:7-11).

Enige tijd later kregen Paulus en Petrus in Antiochië hierover onenigheid, omdat Petrus volgens Paulus erop bleef aansturen dat niet-Joden joodse gebruiken zouden moeten gaan volgen (Galaten 2:11-14).

Traditie De overlevering vermeldt dat de stichting van de gemeenten in Rome, Antiochië en Korinthe op Petrus teruggaat. Dionysius van Korinthe schreef in zijn Brief aan de Roomse Kerk tijdens paus Soter (165–174) dat Petrus en Paulus de kerken van Rome en Korinthe hadden gesticht en dat zij enige tijd in Korinthe hadden gewoond, om uiteindelijk in Italië te sterven:

Er is geen aanwijzing dat Petrus de gemeenten in Antiochië en Korinthe stichtte, maar wel dat hij in Antiochië werkte en een verblijf in Korinthe zou kunnen worden afgeleid uit 1 Korintiërs 1:12. Als het gaat om Rome, zou een bediening daar kunnen worden afgeleid uit 1 Petrus 5:1 en 2 Petrus 1:14, maar zou dan moeilijk voor de Brief van Paulus aan de Romeinen kunnen zijn geweest, hoewel Romeinen 15:20-21 er op zou kunnen duiden dat joodse christenen de gemeente daar hadden gesticht, wat het op zijn minst mogelijk zou maken dat Petrus de gemeente daar had bezocht.

Handelingen van Petrus In de apocriefe Handelingen van Petrus (gedateerd omstreeks 200) staan veel verhalen opgetekend over daden van Petrus. Het einde daarvan speelt zich af tijdens de christenvervolgingen onder keizer Nero. Uit angst kozen velen ervoor de stad te verlaten. Ook Petrus verkoos veiliger oorden. Tijdens zijn vlucht had hij een nachtelijk visioen waarin hij Christus ontmoette die een kruis droeg. Petrus vroeg met verbazing: “Quo vadis, Domine?” (“Waar gaat u heen, Heer?”) Jezus antwoordde hem: “Eo Romam iterum crucifigi” (“Ik ga naar Rome om opnieuw gekruisigd te worden”) en vervolgde met: “omdat jij mijn lammeren in de steek laat”. Dit wordt vaak opgevat als bevestiging van Petrus' rol als plaatsbekleder van Jezus. Petrus hernam zijn verantwoordelijkheid door terug te gaan naar Rome, zijn marteldood tegemoet. Petrus werd – op eigen verzoek, omdat hij uit eerbied niet op dezelfde manier als Jezus wilde sterven – met het hoofd naar beneden, ondersteboven gekruisigd, en vond zijn laatste rustplaats vlak bij de plaats waar hij gekruisigd werd, in de nabijheid ten zuiden van het stadion van de Vaticaanse heuvel.

Bisschop van Rome De vroegste vermelding van het martelaarschap van Petrus in Rome komt uit de geschriften van Eusebius (begin 4e eeuw) wanneer hij uit een verloren gegane brief van Dionysius van Korinthe aan de christenen van Rome (ca. 170) citeert. In dezelfde periode als het verschijnen van de apocriefe Handelingen van Petrus wordt Petrus geportretteerd als eerste bisschop van Rome door de Apostolische Vaders en kerkvaders, met name door Tertullianus, Clemens van Alexandrië, Irenaeus van Lyon, Ignatius van Antiochië, Cyrillus van Jeruzalem en Cyprianus van Carthago. Zij schreven aan de Romeinse bisschop een bijzondere verantwoordelijkheid voor de eenheid van de christenen toe (bijvoorbeeld in de strijd rond het sabellianisme, het marcionisme en schisma van Novatianus), die steeds werd verantwoord met het teruggrijpen naar Petrus. Maar het inzetten van deze associatie van Petrus met Rome om een bevoorrechte positie te claimen voor de bisschop van die stad, kwam pas echt tot wasdom onder paus Leo I (440-461) en paus Gregorius I (590-604).George E. Demacopoulos, The Invention of Peter. Apostolic Discourse and Papal Authority in Late Antiquity, 2013. In de rooms-katholieke kerk ontwikkelde zich op deze basis een ecclesiologische theologie van het Petrusambt.

Historische juistheid