Pachyrhinosaurus is een geslacht van uitgestorven plantenetende dinosauriërs uit de Centrosaurinae dat leefde in het Laat-Krijt in het gebied van het huidige Noord-Amerika.
De eerste vondsten werden in de jaren veertig van de twintigste eeuw gedaan in het zuidwesten van Canada. Het geslacht werd benoemd in 1950. De geslachtsnaam betekent letterlijk vertaald dikneushagedis.
Er zijn drie soorten benoemd: Pachyrhinosaurus canadensis Sternberg, 1950 Pachyrhinosaurus lakustai Currie et al. 2008 Pachyrhinosaurus perotorum Fiorillo & Tykoski, 2012
Pachyrhinosaurus werd ongeveer zes meter lang en drie ton zwaar. Hij liep op vier stevige poten. De grote kop droeg een snavel waarmee planten afgebeten werden. Grote aantallen nauw aaneengesloten tanden verknipten het voedsel verder. Een groot schild beschermde de nek. Anders dan veel andere Ceratopidae had Pachyrhinosaurus geen lange hoorns boven de ogen en op de neus. In plaats daarvan bezat hij op die plaatsen dikke bulten bedekt met hoornstof die misschien naar boven uitgroeiden in scherpe punten. Daarmee kon hij stoten uitdelen aan roofdieren of rivalen. Hij leefde in enorme kudden van duizenden dieren die soms tegelijk bij overstromingen omkwamen wat de grootste bekende beenderbedden van dinosauriërs heeft opgeleverd.
Vondst en naamgeving Pachyrhinosaurus canadensis Rond het jaar 1942 vond geoloog Oscar Alvin Erdman bij de Scabby Butte nabij Carmangay, toen al een beroemde vindplaats uit de negentiende eeuw, verdere fossielen. In 1945 stuurde hij daarvan een aantal op naar Charles Mortram Sternberg. In juli 1946 voerden Sternberg en Daniel Stewart in Alberta opgravingen uit bij de Scabbe Butte en bij de Little Bow River. Daarbij groeven ze drie schedels op van een onbekende ceratopide. De vondst werd in 1947 door Sternberg in de wetenschappelijke literatuur gemeld.
In 1950 benoemde C.M. Sternberg de typesoort Pachyrhinosaurus canadensis. De geslachtsnaam is afgeleid van het Oudgrieks παχύς, pachys, 'dik', en ῥίς, rhis, 'neus'. Overigens bestond reeds in het Oudgrieks als combinatie het bijvoeglijke naamwoord παχύρριν of παχύριν, pachúrin, 'dikneuzig',Liddell, H.G. & Scott, R. (1940). A Greek-English Lexicon, revised and augmented throughout by Sir Henry Stuart Jones with the assistance of Roderick McKenzie. Oxford: Clarendon Press maar er zijn geen aanwijzingen dat Sternberg zich daarvan bewust was. De geslachtsnaam is een verwijzing naar de dikke botgroei op het neusbeen. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit Canada. left|thumb|Afgietsel van een schedel van Pachyrhinosaurus canadensis; de wenkbrauwbult is afgebroken Het holotype NMC 8867 is bij de Little Bow River gevonden in een laag van de St. Mary River Formation die dateert uit het Laat-Campanien, ongeveer drieënzeventig miljoen jaar oud. Het bestaat uit een gedeeltelijke schedel. Het paratype is NMC 8866, een gedeeltelijke schedel uit dezelfde vindplaats. Dit bewaart slechts een stuk schedeldak en een stuk bovenkaaksbeen. De derde schedel, NMC 8860, werd aan de soort toegewezen en stamt van de Scabby Butte, uit dezelfde geologische formatie. De fossielen maken deel uit van de collectie van het National Museum of Canada. De letteraanduiding van hun inventarisnummer wordt ook wel weergegeven als 'CMN'.
In 1950 ging C.M. Sternberg met pensioen. Tot 1986, toen Avaceratops beschreven werd, zouden er geen nieuwe ceratopiden meer benoemd worden. Toch lag het onderzoek niet helemaal stil. In 1955 werd door Wann Langston jr en Loris Shano Russell een completere schedel, specimen NMC 9485, bij de Scabby Butte gevonden en vanaf 16 mei 1957 groef een team deze vindplaats systematisch verder uit waarbij veel fossiel materiaal opgegraven werd. De nieuwe vondsten werden door Langston beschreven in twee publicaties uit 1968 en 1975. Uiteindelijk zouden er behalve de bovengenoemde schedels tot 2010 nog vijf andere van P. canadensis uit Sternbergs vindplaatsen verzameld worden: NMC 10645, NMC 10663, NMC 21863, NMC 21664 en TMP 1982. 52.1. Daarnaast zijn er talloze kleinere fragmenten geborgen van de postcrania, de delen achter de schedel. Een kleinere vindplaats werd eind 1960 door Wesley R. Read ontdekt bij Drumheller. Deze leverde onder andere een verdere, sterk geërodeerde, schedel, geborgen door de amateurpaleontologen van de Drumheller and District Museum Society, op die door Langston vanaf februari 1962 geprepareerd is en sinds 1966 getoond werd in het Drumheller Dinosaur and Fossil Museum. Het specimen heeft echter geen inventarisnummer daar dit instituut als zodanig opgeheven is en veranderd in een bezoekerscentrum. Dit exemplaar, het eerste dat de snuit gaaf bewaarde, werd door Langston in 1967 beschreven als een Pachyrhinosaurus cf. P. canadensis.
In 2010 hernoemde Gregory S. Paul Pachyrhinosaurus canadensis in Centrosaurus canadensis. Dit heeft geen navolging gevonden.
Pachyrhinosaurus lakustai thumb|Afgietsel van het holotype van P. lakustai, specimen TMP 1986.55.258, ten onrechte als P. canadensis aangeduid toen de andere soort nog niet benoemd was. De schedelkraag en het jukbeen zijn restauraties Vanaf de herfst van 1972 tot en met 1975 voerde natuurkundeleraar Al Lakusta nabij Grande Prairie in Alberta opgravingen uit in het Pipestone Creek Bonebed waarbij hij beenderen vond van een groot aantal ceratopiden. In 1979 werden enkele resten bij Lakusta thuis onderzocht door Philip John Currie. In juni 1983 bezocht Currie met Darren Tanke de vindplaats zelf. In november 1985 schonk Lakusta zijn collectie aan het Royal Tyrrell Museum of Palaeontology. Vanaf 1986 tot en met 1989 legde het RTMP een groter deel van de vindplaats bloot, met een oppervlakte van 240 m², waarbij voornamelijk gebruikgemaakt werd van studenten die als vrijwilligers werkten. Over een oppervlakte van 52 m² bleek een beenderlaag aanwezig te zijn die 2500 botten opleverde, waaronder vijftien gedeeltelijke schedels, afkomstig van minstens zevenentwintig individuen. De grenzen van de beenderlaag waren daarbij allerminst bereikt want honderdtwintig meter stroomafwaarts bleek de Pipestone Creek de afzetting ook te doorsnijden. Vermoedelijk is een hele kudde in één keer verdronken en onder de modder begraven. De skeletten liggen niet meer in verband, maar de elementen zijn verspreid geraakt hoewel ze niet ver uiteen gespoeld zijn: er worden dichtheden bereikt van tweehonderd botten per vierkante meter. De kwaliteit van de beenderen is goed. Bijna alle elementen van het skelet zijn vertegenwoordigd. Onder de gevonden exemplaren bevinden zich volwassen, jongvolwassen en jonge dieren.
De vondst werd in 1988 in de literatuur gemeld. De volgende twintig jaar werden besteed aan het prepareren van het materiaal. In 2008 benoemden en beschreven Currie, Langston en Tanke de soort Pachyrhinosaurus lakustai. De soortaanduiding eert Lakusta.
Het holotype is TMP 1986.55.258, een vrij gave schedel in 1986 door Tanke opgegraven. De beenderlaag bevindt zich in de Wapitiformatie die eveneens stamt uit het late Campanien maar enkele honderdduizenden jaren ouder is dan de lagen waarin P. canadensis gevonden is. De andere 2500 beenderen werden aangewezen als topotypen daar de laag als monotypisch wordt gezien, i.c. slechts één soort ceratopide bevattend. Verdere schedels omvatten de specimina TMP 1985.112.1; TMP 1986.55.111; TMP 1986.55.206; TMP 1987.55.156; TMP 1987.55.196; TMP 1987.55.199; TMP 1987.55.285; TMP 1987.55.304; TMP 1987.55.320; TMP 1989.55.188; TMP 1989.55.427; TMP 1989.55.918; TMP 1989.55.1234 en TMP 2002.29.1.
Naast de beenderlaag die door Lakusta ontdekt werd, is in 1987 door een amateurpaleontoloog een beenderlaag bij de Wapiti River gemeld. Enkele fossielen hieruit zijn geborgen maar nog grotendeels ongeprepareerd gebleven. Opgravingen zijn uitgevoerd tussen 2007 en 2014. De laag lijkt wat jonger te zijn en wellicht gaat het om een apart taxon. In 2015 werd de beenderlaag nader beschreven. De lengte ervan zou 107 meter zijn; veertig vierkante meter was dat jaar opgegraven. Het zou de verst van de kust liggende vindplaats van centrosaurinen zijn die ooit ontdekt was. Door argondatering werd de ouderdom bepaald op 71,89 miljoen jaar. De laag bevat dieren van alle leeftijden en schijnt zich geleidelijk te hebben opgebouwd en niet het gevolg te zijn van een overstroming die een kudde doodde. Er zijn minstens zevenentwintig individuen aanwezig. Er werden geen verschillen gevonden met de gelijktijdig levende P. canadensis.
In 2010 hernoemde Paul Pachyrhinosaurus lakustai in Centrosaurus lakustai. Dit heeft geen navolging gevonden.
Pachyrhinosaurus perotorum In 2006 werden in het noorden van Alaska bij de Colville River opgravingen verricht in de Kikak-Tegoseak Quarry. Daarbij werden verschillende fragmentarische skeletten van ceratopiden gevonden die minstens tien individuen vertegenwoordigen. In 2012 werden deze door Anthony Fiorillo en Ronald Tykoski benoemd en beschreven als de soort Pachyrhinosaurus perotorum. De soortaanduiding eert de rijke zakenman Henry Ross Perot en zijn vrouw Margot wegens hun steun aan de natuurwetenschappen. left|thumb|DMNH 22558, een paratype van P. perotorum Het holotype DMNH 21200, is gevonden in een laag van de Prince Creek Formation die dateert uit het vroege Maastrichtien, ongeveer negenenzestig miljoen jaar oud. P. peretorum is daarmee de jongste bekende pachyrhinosaurussoort. Het bestaat uit een achterste stuk nekschild. De paratypen zijn DMNH 22558, een linkerhelft van een schedel zonder nekschild en DMNH 21201, een stuk rechterwandbeen. In totaal is zo'n twee ton aan fossielen geborgen.
In 2019 werd deze soort opnieuw beschreven, de informatie weerspiegelend van voortgaande preparering van het materiaal. Daarbij bleken in 2012 een aantal fouten te zijn gemaakt.
Al op 4 augustus 1988 werd door John Howard Hutchinson een pachyrhinosaurusschedel in Alaska gevonden, welke daarna geborgen is voor de Universiteit van Californië - Berkeley. Het specimen is onbeschreven en heeft geen officieel inventarisnummer maar is geregistreerd als UCB V73078/117105.
TMP 2002.76.1 thumb|TMP 2002.76.1 thumb|Bij TMP 2002.76.1 ontbreekt het nekschild In 1995 vond rancher Gene Johnson bij de Red Deer River in Alberta nabij Iddesleigh in een laag van de Dinosaur Park Formation het skelet van een ceratopide. Op 23 juli 1996 werd dit geïnspecteerd door Phil Currie. Tussen 2000 en 2006 werd dit exemplaar, specimen TMP 2002.76.1., verder uitgegraven door een team onder leiding van Currie. In 2001 werd daarbij ook de vrij complete maar niet meer in verband liggende schedel gevonden. In 2005 en 2006 zijn de fossielen geprepareerd. De vondst betreft een volwassen exemplaar. Het fossiel toont de typische neusbult van Pachyrhinosaurus maar wijkt in details af. In 2010 werd het specimen beschreven maar niet benoemd, mede door twijfel of men het een eigen geslachtsnaam zou geven en vanwege het ontbreken van het nekschild. De laag waarin het opgegraven werd, heeft een ouderdom van 75,1 miljoen jaar wat deze vorm de oudste bekende ceratopide met een neusbult maakt. Het skelet is nu opgesteld in het Royal Tyrrell Museum of Palaeontology.
'Big Sam'
In september 2024 is, na 72 miljoen jaar onder de grond te hebben gelegen, nabij de Grande Prairie in Alberta, Canada, een 272 kilogram zware schedel gevonden van een pachyrhinosaurus.
Ook wel bekend als "Big Sam," is dit de tweede complete volwassen schedel die in Pipestone Creek is geborgen, waarvan men gelooft dat het een van de dichtstbezaaide beenderbedden van Noord-Amerika is.
Dr. Emily Bamforth, een paleontoloog van het Philip J. Currie Dinosaur Museum Dublin, tekende op dat naast de volwassen beenderen, de site honderden beenderen van jeugdige pachyrhinosauri bevat.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken