John Broadus Watson (Travelers Rest, 9 januari 1878 - New York, 25 september 1958) was een Amerikaans psycholoog en wordt vaak beschouwd als de stichter van de psychologische school van het behaviorisme.
Privé-leven John Watson werd geboren in Travelers Rest, een arm dorp in South Carolina. Toen hij 12 jaar was, vertrok zijn vader en liet zijn familie in de steek. Zijn moeder verhuisde toen met haar gezin naar Greenville met de hoop op een beter leven. Zijn moeder was erg religieus en met behulp van de kerk kon John Watson in 1894 beginnen studeren aan de Furman University, een kleine baptistische universiteit in Greenville.
In 1904 trouwde hij met Mary Ickes, de zuster van de Amerikaanse politicus Harold L. Ickes. Deze laatste was tegen het huwelijk gekant. Ze kregen een dochter Mary. Intussen bleef Watson werken aan de Johns Hopkins universiteit. Wanneer de Verenigde Staten in 1917 actief betrokken werden bij de Eerste Wereldoorlog, ging Watson ongeveer een jaar aan de slag bij het Committee on Classification of Personnel in the Army, met name in het "Signal Corps". In augustus 1917 werd hij bevorderd tot majoor.: George Owen Squier: U.S. Army major general, inventor, aviation pioneer, founder of muzak, Jefferson: McFarland, 2014, .
In 1920 eindigde zijn academische carrière omdat hij een relatie had met Rosalie Rayner, een van zijn studentes, met wie hij later ook trouwde. Enkele maanden na zijn ontslag aan de universiteit zette zijn vrouw de echtscheiding in gang. Eind december 1920 was de echtscheiding voltooid en kort daarna, op 31 december 1920, trouwde John Watson met Rosalie Rayner. Ze waren volledig berooid: omdat de ouders van Rayner gekant waren tegen het huwelijk, kreeg ze niets en Watson had alles afgestaan aan zijn ex-vrouw. Kort nadien stapte Watson in de reclamewereld, waar hem roem en geld wachtten. Watson en Rayner kregen twee kinderen: de zonen William (1921) en James (1924). De namen zouden verwijzen naar de bekende Amerikaanse pionier-psycholoog William James, van wie Watson een groot bewonderaar was.
Watson correspondeerde uitgebreid met Bertrand Russell, die het eens was met heel wat ideeën van Watson, maar niet met zijn ontkennen van het belang van verbeelding en andere innerlijke gebeurtenissen.
In 1935 stierf Rosalie Rayner op 37-jarige leeftijd aan dysenterie. Dit verlies trof hem diep en zou hem blijven tekenen. In 1954 pleegde dan zijn zoon William zelfmoord. Zijn andere zoon, James, deed eveneens een zelfmoordpoging. Zijn dochter Mary deed er meerdere.
Hij stierf op 25 september 1958 in het Johns Hopkins Hospital in Baltimore. Een van zijn kleinkinderen is de Amerikaanse actrice Mariette Hartley (een dochter van Mary Watson). Deze had zelf psychische problemen en schreef die toe aan de opvoedingsmethoden die John Watson bij zijn kinderen gebruikte.
Studies en werk Studies en doctoraat In 1900 behaalde Watson een master-diploma aan de Furman University. In 1900 trok hij naar Universiteit van Chicago om filosofie te studeren - psychologie was er toen nog geen afzonderlijke opleiding. Hij volgde er onder meer filosofie bij John Dewey en biologie en fysiologie bij Jacques Loeb. Drie jaar later behaalde hij er zijn doctoraat en was meteen de jongste student die ooit een doctoraat had behaald aan die universiteit. Zijn doctoraatsthesis had als titel: The psychic development of the white rat correlated with the growth of its nervous systemDoctoraatsthesis van Watson en werd later uitgegeven onder de titel Animal education.: Animal education: An experimental study of the psychical development of the white rat, correlated with the growth of its nervous system, Chicago: University of Chicago Press, 1903. Watson toonde er in aan dat ratten konden leren - "associaties vormen en onthouden" - op een bijna vergelijkbare wijze als honden, katten en apen. In die tijd waren verschillende wetenschappers er nog van overtuigd dat ratten niet konden leren. Watson deed ook hersenonderzoek: hij dissecteerde 23 ratten met een leeftijd tussen 2 uur en 42 dagen en een volwassen rat, waarbij hij nauwgezet de ontwikkeling van het brein beschreef. Nadien bleef hij er nog tot 1908 als lesgever en assistent van James Rowland Angell. Deze was hoofd van het departement psychologie en co-promotor van zijn doctoraat. Intussen verrichtte hij samen met Harvey Carr gedurende 18 maanden onderzoek bij ratten in doolhoven. Dit leidde tot twee publicaties, waarvan het bekendste uit 1908 stamt en het zogenaamde kerplunk-experiment, zo genoemd naar het geluid dat de ratten maakten wanneer ze op een hindernis botsten.: Orientation in the white rat. Journal of Comparative Neurology and Psychology, 1908, 18, 27-44.
Academisch werk In 1908 werd Watson benoemd tot assistent-professor in de experimentele en vergelijkende psychologie aan de Johns Hopkins-universiteit in Baltimore (Maryland). Daar bleef hij tot 1920. Zijn bekendste en belangrijkste werken werden in die periode geschreven.
Reeds in 1907 hadden John Watson en Robert Yerkes van de American Psychological Association de opdracht gekregen om een standaardprocedure te ontwikkelen om het kleurenzicht van dieren te testen. Watson zette dit onderzoek verder aan Johns Hopkins. Dit leidde tot enkele publicaties, waaronder een samen met Yerkes.: Methods of studying vision in animals. Behavior Monographs, 1911, 1. In 1911 en 1912 werkte zijn eerste vrouw, Mary Ickes Watson, mee aan onderzoek over de visuele discriminatie bij ratten en konijnen, waarover in 1913 een artikel verscheen.: A study of the responses of rodents to monochromatic light. Journal of Animal Behavior, 1913, 3, 1-14.
Voor zijn behavioristische doorbraak deed Watson nog meer dieronderzoek en was hiermee de voorloper van de ethologie.: Wither ethology? Perspectives in ethology 8, New York: Plenum Press, 1989, . Op de Dry Tortugas-eilanden bestudeerde hij gedurende de zomers van 1907, 1910 en 1913 het gedrag van de noddy en de bonte stern.Review van Watson's The behavior of the noddy and sooty terns uit 1909: Further data on the homing sense of noddy and sooty terns. Science, 1910, 32, 470-473. De laatste zomer werkte hij er samen met Karl Lashley. In totaal publiceerde Watson acht artikels over dit onderzoek. Lang voor Konrad Lorenz beschreef hij er al het verschijnsel "imprinting" bij vogels: hij ontdekte dat jonge bonte sterns gehecht raakten aan hem en hem volgden, in tegenstelling tot jonge noddy's.
In 1913 publiceerde hij het manifest "Psychology as the behaviorist views it". Hierin stelde hij dat psychologie 'de wetenschap van het gedrag' moest worden.: Psychology as the behaviorist views it. Psychological Review, 1913, 20, 158-177. Dit wordt als beginpunt van het behaviorisme gezien.
Tot dan had Watson enkel gewerkt met dieren omdat het voorspellen en controleren van gedrag daarbij het gemakkelijkste was. Gedragsonderzoek bij mensen leek het eenvoudigst bij kinderen. In april 1916 begon Watson gedragsonderzoek bij kinderen in een laboratorium in de Henry Phipps Psychiatric Clinic (onderdeel van het Johns Hopkins-ziekenhuis). Het laboratorium werd speciaal voor dit doel opgericht door de psychiater Adolf Meyer. Onder invloed van Meyer had Watson reeds vroeger interesse gekregen voor de psychoanalyse. Vanuit deze interesse schreef John Watson reeds in 1912 een bijdrage over psychoanalyse, die hij een "new cult" noemde.: Content of a course in psychology for medical students. Journal of the American Medical Association, 1912, 58, 916-918. Hij had vooral kritiek op de gebrekkige methodologische onderbouw ervan en wilde een aantal begrippen verklaren via toen meer eigentijdse termen zoals "habit".: John Watson's paradoxical struggle to explain Freud. Americal Psychologist, 2000, 55, 301-312. In 1916 publiceerde hij twee artikels over de theorie van Sigmund Freud over neurose en onvervulde verlangens.: The psychology of wish fulfillment. The Scientific Monthly, 1916, 3, 479-487. Nadien ging hij de begrippen verklaren in conditioneringstermen. Overdracht (Watson schreef regelmatig "Uebertragung") beschouwde hij als een geconditioneerde emotionele reactie. Het Little-Albert-experiment (zie onder "Emotie-onderzoek") was opgezet als een test van zijn hypothese. Hij wilde de theorie van Freud hiermee uitbreiden van alleen seksuele overdracht naar angst.
Watson was eveneens een pionier in de gedragsfarmacologie: samen met Edward Thorndike begon hij onderzoek rond de gedragseffecten van alcohol. In 1920 werd het universitaire salaris van Watson met vijftig procent verhoogd. Watson was toen een zeer bekend onderzoeker geworden en de rector, Frank Johnson Goodnow, had schrik om hem te verliezen aan een andere universiteit. Doch datzelfde jaar moest Watson stoppen aan de universiteit omwille van zijn relatie met zijn studente Rosalie Rayner.
Bedrijfswereld Nog tijdens zijn academische periode deed Watson al consulentenwerk voor verschillende bedrijven. In 1915 had het reclamebedrijf J. Walter Thompson een onderzoeksafdeling opgericht.: When a clear strong voice was needed: A retrospective review of Watson's (1924/1930) behaviorism. Journal of the Experimental Analysis of Behavior, 2014, 102, 267-287. Watson werd er ingehuurd als onderzoeker om de marketing meer op wetenschappelijke leest te schoeien. In 1916 werkte hij onder meer voor Baltimore and Ohio Railroad en een verzekeringsmaatschappij. In 1920, nog voor zijn ontslag bij Johns Hopkins, richtte Watson samen met een arts de "Industrial Service Corporation" op, een bedrijf dat zich richtte op personeelsselectie en -management. Binnen Johns Hopkins startte hij een programma om studenten voor te bereiden om te werken als industriële psychologen. Zijn industriële interesses dateerden dus reeds duidelijk van voor zijn ontslag.
Na zijn ontslag aan de universiteit in 1920 ging John Watson werken bij J. Walter Thompson, waar hij aangetrokken werd door Stanley B. Resor. Hij moest er beginnen als deur- aan deur enquêteur naar het aankopen van rubberen laarzen. Alle medewerkers moesten ervaringen aan de basis opdoen. Dankzij zijn sterke, innovatieve ideeën schopte hij snel tot vicepresident van het bedrijf (1925). Hij leverde belangrijke bijdragen in verband met personeelsselectie, marketing en publiciteitscampagnes. Hierbij werkte hij veel met klassieke conditionering van emoties, onder meer via foto's van mooie vrouwen en het betrekken van bekende figuren en rechtstreekse getuigenissen van gebruikers. Zo werkte hij aan campagnes voor Pond's gezichtscrème en Lucky Strike-sigaretten. Via een campagne voor Maxwell House-koffie zou hij bijgedragen hebben aan de populariteit van een koffiepauze ("coffee break").Watson en de koffiepauze
Watson bleef echter geïnteresseerd in psychologie en bleef lezingen geven, onderzoek begeleiden en publiceren. Zo was hij betrokken bij babyonderzoek. Hiertoe paste hij strikt behavioristische leerprincipes toe op zijn 2 zoontjes.
Na het overlijden van zijn vrouw in 1935 vertrok hij bij J. Walter Thompson en ging aan de slag bij de William Esty Company, waar hij bleef werken tot zijn pensioen in 1945.
Behaviorisme Met zijn behaviorisme legde Watson de nadruk op het uiterlijk, observeerbaar gedrag en reacties van mensen op gegeven situaties, in plaats van op de innerlijke, mentale staat waarin die mensen verkeren. Hij vond dat analyse van gedragingen en reacties de enige objectieve manier is om inzicht te verkrijgen in het menselijk doen en laten. Hiermee kantte hij zich tegen de methode van introspectie. In Psychology as the behaviorist views it zette hij zich af tegen de introspectieve psychologie zoals het structuralisme van Edward B. Titchener, maar ook tegen het functionalisme van zijn leermeester James Rowland Angell. Psychologie was voor hem een natuurwetenschap. Het doel van de psychologie was voor Watson het voorspellen en controleren van het gedrag van organismen, in tegenstelling tot het vroegere analyseren van het bewustzijn.