thumb|Fabriek aan de Utrechtse Gansstraat in 1913 thumb|Voormalig depotgebouw in 2012 De Utrechtsche Asphaltfabriek v/h Stein en Takken was de voortzetting van een sinds 1889 bestaand bedrijf aan de Gansstraat te Utrecht, nabij de Kromme Rijn dat asfalt uit steenkoolteer produceerde. Na beëindiging van de productieactiviteiten in 1934 ging de onderneming verder als houdstermaatschappij. Het depot aan de Gansstraat in Utrecht bleef tot 1981 in gebruik.
In de jaren 1880 begon Max Stein (asphalteur) met koopman Gijsbertus Takken met een 'asphaltkokerij'. Men won asfalt uit steenkoolteer, dat per schip onder meer vanuit de Gemeentelijke Gasfabriek werd aangevoerd. Bijproducten waren naftaline, paraffine en creoline. Het asfalt werd toegepast in asfaltpapier als dakbedekking. Er waren opslagtanks, distilleerketels, een zeer hoge schoorsteen en een metalen toren met waterreservoir. Ook kende het bedrijf een installatie om asfaltpapier te vervaardigen. In 1900 werd de onderneming als nv Utrechtsche Asphaltfabriek voortgezet, in 1907 volgde een fusie met de in 1904 opgerichte Amsterdamsche Asphaltfabriek Vesuvius die als filiaalbedrijf werd voortgezet. In 1918 woedde er een grote brand die een deel van het bedrijf verwoestte.Utrechts Nieuwsblad, 06-07-1918, pag. 3 De onderneming vergrootte met nieuwe aan asfalt gerelateerde producten de afzet zoals vanaf 1919 met tennisbanen onder de naam Redcover. Carbolineum voor de tuinbouw werd verkocht onder de naam Krimpen. Bij het 25-jarig directeurschap van directeur J.E.C. van Geuns, in 1925, waren er 476 personen werkzaam.
Verder als houdstermaatschappij In de crisisjaren draaide de Utrechtsche Asphaltfabriek NV met verlies en volgde een reorganisatie. In 1934 werd de fabriek aan de Gansstraat gesloten, de inboedel geveild en de gebouwen gesloopt. Aan de Gansstraat 132 bleef het uit omstreeks 1906 daterende depotgebouw van de fabriek bewaard, er werden tot 1981 asfaltpreparaten opgeslagen en verkocht. Het bedrijf veroorzaakte aan de Gansstraat een tot op 13 meter diepte sterk vervuilde bodem, het grondwater was tot 50 meter diep verontreinigd. De vervuiling werd in de jaren 1980 aangepakt, aan het Tolsteegplantsoen stond lange tijd een zuiveringsinstallatie.
De onderneming bleef in sterk afgeslankte vorm bestaan: in 1936 werd tot afboeking van het tot twee miljoen gulden opgelopen verlies het gewone aandelenkapitaal tot 10% van de nominale waarde gereduceerd en op het preferente aandelenkapitaal 40% afgeschreven, terwijl aandeelhouders afstand deden van 42% achterstallig dividend. De Utrechtsche Asphaltfabriek (afgekort UAF) ging verdere als houdstermaatschappij van aandelen in verwante bedrijven. In 1952 fusioneerde de UAF met nv Teerbedrijf Uithoorn tot de N.V. Teerunie.Utrechts Nieuwsblad, 28-07-1954, pag. 9 Beide partners brachten een gelijk aandeel in het kapitaal (nominaal vijftien miljoen gulden, waarvan de helft geplaatst) in. In 1959 werd de nv Teerunie (waarvan Hoogovens inmiddels de helft van de aandelen bezat, de UAF de andere helft) omgedoopt tot Chemische Industrie Uithoorn N.V (Cindu). In 1970 bestond de Utrechtsche Asphaltfabriek NV nog.
Gebruik van het zogeheten teer-asfalt is einde 20e eeuw verboden voor zowel dakbedekking als wegverharding. Het wel toegestane asfalt bevat bitumen, een aardolieproduct.
Categorie:Nederlands chemiebedrijf Categorie:Geschiedenis van Utrecht Categorie:Voormalig bouwwerk in Utrecht (gemeente) Categorie:Steenkool Categorie:Asfalt Categorie:Bouwwerk in Utrecht (Oost)