Louis Marie Anne Couperus (Den Haag, 10 juni 1863 – De Steeg, 16 juli 1923) was een Nederlandse schrijver en een van de eerste Nederlandse vertegenwoordigers van het literaire naturalisme.

Couperus' werk omvat allerlei uiteenlopende literaire genres. Hij debuteerde met poëzie, maar legde zich vervolgens al snel toe op psychologische romans, waarmee hij de meeste bekendheid verwierf. Hij schreef daarnaast cultuursprookjes, historische romans en veel reisverslagen en columns. In het algemeen wordt hij gezien als een van de belangrijkste schrijvers uit de canon van de Nederlandse literatuur. De uitgave van zijn Volledige Werken (1987-1996) geldt als een van de eerste Nederlandse tekstedities die volgens wetenschappelijke, tekstkritische normen tot stand zijn gekomen.Elisabeth Leijnse, 'Het Babylon van de editietechniek. Terminologische verschillen in drie Nederlandse proefschriften', in: Literatuur, jaargang 5 (1988), nummer 4 (juli-augustus), p. 223-231. Gearchiveerd op 15 juli 2023.

Biografie thumb|Steen op het geboortehuis van Couperus thumb|Couperus als kind (1874) thumb|Herenhuis aan Mauritskade 43, Den Haag

Voorouders Louis Couperus behoorde tot de Nederlandse patriciaatsfamilie Couperus. Dit was van oorsprong een Fries geslacht van kuipers, wier familienaam later gelatiniseerd werd. In dezelfde familie kwamen verschillende predikanten voor. Abraham Couperus (1752-1813), Louis Couperus' overgrootvader, vestigde zich in Nederlands-Indië, waar hij eerst als koopman werkte en later gouverneur werd van Nederlands-Malakka. Louis' vader, John Ricus Couperus (1816-1902), was lid van de raad van justitie te Padang 1844 en te Batavia 1846. Daarna was hij raadsheer bij het Hooggerechtshof 1850. Zijn vrouw, Louis Couperus' moeder, was Catharina Geertruida Reynst (1829-1893). Zij was de dochter van Jan Cornelis Reijnst (1798-1871), waarnemend gouverneur-generaal van Nederlands-Indië.

Vroege jaren Louis Couperus werd geboren op de Mauritskade in Den Haag, in het pand op nummer 11, als jongste van elf kinderen. De vader van Louis Couperus was bij diens geboorte al gepensioneerd. Drie jaar eerder was hij met de hele familie vanuit Indië naar Den Haag gekomen. Louis' drie voornamen zijn die van drie zusjes die vóór zijn geboorte al gestorven waren. Door verwarring hierover stond Louis Couperus tot zijn 18e in het Haagse bevolkingsregister als meisje geregistreerd.

De kleine Louis werd op 19 juni gedoopt in de Waalse kerk in Den Haag. Het gezin Couperus vertrok op 8 november 1872 weer naar Nederlands-Indië, om Couperus' broers te helpen bij hun loopbanen en het familielandgoed Tjicoppo te bezoeken. Zij kwamen daar op 31 december aan en vestigden zich in 1873 aan het Koningsplein te Batavia. Enkele van Couperus' latere romans spelen zich gedeeltelijk of geheel af in (een fictief deel van) Nederlands-Indië, waaronder De stille kracht, wellicht zijn allerbekendste werk.

Tijdens zijn jeugdjaren onderhield Louis van al zijn broers en zussen bijna alleen contact met zijn broer Frans die zes jaar ouder was dan hijzelf, en met zijn jongste zus Trudy die zeven jaar ouder was. Het leeftijdsverschil met zijn andere broers en zussen was te groot.

In 1874 begon Couperus met zijn opleiding op het Gymnasium Willem III. Hier werd zijn interesse voor de klassieke oudheid gewekt. Hij had op dat moment al contact met zijn latere echtgenote, Elisabeth Baud (1867-1960), die tevens zijn eigen achternicht was. Louis Couperus maakte op negenjarige leeftijd kennis met haar.

Omstreeks 1879 keerde Louis Couperus samen met zijn beide ouders terug naar Nederland, zijn oudste broers en twee oudere zussen bleven in Nederlands-Indië. Louis Couperus' broer Frans was het jaar daarvoor al naar Nederland teruggekeerd. Ze gingen hierna eerst samen met Frans aan de Nassaukade in Den Haag wonen. In 1883 verhuisden ze naar het Nassauplein. Couperus verliet in 1881 de H.B.S. waar hij niet goed meekwam, en studeerde verder voor een acte MO-Nederlands. In 1883 keerde ook Elisabeth Baud terug naar Nederland, waar ze introk bij haar grootouders, Guillaume Louis Baud en Wilhelmina Jacobina Theodora Couperus. In mei van datzelfde jaar verkocht John Ricus Couperus het landgoed Tjicoppo, in Nederlands-Indië. Louis Couperus begon zijn literaire carrière in juli van dat jaar met het gedicht Erinnering, dat verscheen in het tijdschrift Nederland.

Louis Couperus kreeg van zijn 18e tot zijn 23e privéles in de literatuurwetenschap van Jan ten Brink. Zijn eigen vader leerde hem Engels, wat Louis op de HBS niet als schoolvak gekregen had.

In augustus 1883 werd de oudste broer van Louis, Petrus Theodorus, wegens een geestesziekte opgenomen in een inrichting. In 1884 verhuisde de familie naar Surinamestraat 20. Louis Couperus werd in juni 1885 benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en behaalde op 6 december 1886 zijn acte MO-Nederlands. In 1887 zette hij zijn omgang met Elisabeth Baud voort en begon ook zijn vriendschap met Gerrit Jäger.

In december van datzelfde jaar begon Louis Couperus aan zijn debuutroman, Eline Vere, een verhaal dat het jaar daarop als feuilleton verscheen in Het Vaderland en zeer populair werd. Op 3 maart 1889 verscheen het voor het eerst als boek. Als vijfentwintigjarige had Louis Couperus hiermee zijn naam als schrijver definitief gevestigd. Het boek was direct een groot succes en tot Couperus' overlijden verschenen er negen drukken. Hij had toen al twee dichtbundels gepubliceerd, die echter vrijwel onopgemerkt bleven.

Reizen, grote romans en eerste onderscheiding thumb|left|180px|Louis Couperus getekend door Jan Veth als bijlage voor De Amsterdammer in 1892 Couperus maakte in juli 1889 een reis naar Scandinavië met zijn zwager Benjamin Vlielander Hein. In 1890 sloot hij vriendschap met jhr. J.H. Ram en maakte hij kennis met Maurits Wagenvoort. Hij ondernam in mei van dat jaar een reis naar Karlsbad en ontving op 12 augustus de Thiemeprijs voor Eline Vere.

Op 13 oktober 1890 liet Couperus zich uitschrijven uit 's-Gravenhage, met de bedoeling zich voor langere tijd in Parijs te vestigen. Hij bezocht hier de Frans-Poolse schrijver Théodore de Wyzewa en woonde een lezing bij van Francisque Sarcey, een bekend journalist en toneelcriticus. Uit een brief aan zijn zus Trudy blijkt echter dat het verblijf in Parijs hem door de bank genomen erg tegenviel.Bastet, 2001, p. 15 Couperus keerde in januari 1891 alweer terug naar Den Haag, in verband met het overlijden van G.L. Baud, de grootvader van Elisabeth. Op 9 september 1891 trouwde hij met haar; de huwelijksreis ging naar Vlaanderen. Er bestaan echter sterke vermoedens dat Couperus homoseksueel was (hoewel dit tijdens zijn leven nooit ergens publiekelijk is bevestigd) en het huwelijk met Elisabeth Baud lijkt dan ook kuis te zijn gebleven. Het huwelijk met haar is dan ook wel uitgelegd als een maatschappelijk alibi en een oplossing voor de behoefte die de "benjamin" Couperus zelf bleef hebben aan moederlijke zorg. Informeel noemde hij haar bij haar bijnaam Pop.S.F. van Oss, Vijftig jaren journalist, 1946, Den Haag, P.128

Op 21 september betrok het paar de woning Villa Minta aan de Roeltjesweg, sinds 1935 Couperusweg 15, in Hilversum. In december van hetzelfde jaar werd Couperus door Lambertus Jacobus Veen van uitgeverij L.J. Veen benaderd om Extaze uit te geven.

In februari 1893 begon Couperus aan een reis naar Italië en kwam aan in Florence. Op 15 februari, slechts twee weken nadat Couperus uit Nederland was vertrokken, overleed zijn moeder, zodat hij terug naar huis moest. In september reisde hij opnieuw af naar Italië, waar hij zijn eerste reisimpressies schreef. In december reisde hij door naar Rome. Hij sloot deze reis af met een bezoek aan Athene, waar hij wegens de armoedige omstandigheden maar korte tijd bleef.Bastet, 2001, p. 19-23

In december 1893 werd Couperus redacteur van het maandblad De Gids. In april 1894 reisde hij opnieuw af naar Italië en bezocht in Florence Ouida, de door hem sterk bewonderde schrijfster van kasteelromans. Kort voor haar dood zou hij haar nog eens ontmoeten.Bastet, 2001, p. 16 In juli 1894 betrok hij het huis aan de Jacob van der Doesstraat 123 in Den Haag. Couperus' vriend Gerrit Jäger pleegde in de maand erop zelfmoord.

Couperus trad op 30 april 1895 af als redactielid van De Gids. Hij vertrok in oktober weer naar Italië, waar hij in Rome de beeldhouwer Pier Pander leerde kennen. Ook in drie jaar daarna reisde hij veel binnen Europa. Hij ging vaker naar Frankrijk, Duitsland en Engeland. In 1897 zegde Couperus zijn lidmaatschap van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde op, omdat hij van plan was naar het buitenland te vertrekken.

Op 31 augustus, de zeventiende verjaardag van koningin Wilhelmina, werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Minister van Binnenlandse Zaken Goeman Borgesius had Couperus als twaalfde en laatste kandidaat voor een benoeming tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw voorgedragen. De dichteres Hélène Swarth had volgens de voordracht van de ministerraad bij dezelfde lintjesregen Ridder in de Orde van Oranje-Nassau moeten worden. Koningin-regentes Emma vond twee letterkundigen die tegelijk gedecoreerd zouden worden echter te veel. De keus viel op Couperus, maar voor de pas 31-jarige schrijver werd een benoeming in de exclusievere Orde van de Nederlandse Leeuw voorlopig te hoog geacht.F.J.M. Otten, ‘Twee is te veel - Cultuurbeleid anno 1897’, in Nederlands Archievenblad 77 (1973), 193-195. Geciteerd door Frédéric Bastet in Louis Couperus. Een biografie. Blz. 199

In 1898 maakte Couperus een reis naar Londen. Het jaar daarop, in februari, volgde een reis naar Nederlands-Indië, waar hij in juni enige tijd verbleef te Tegal bij zijn zuster Trudy en zwager, resident Gérard de la Valette. Na de benoeming van De la Valette tot resident van Pasoeroean verbleven Couperus en zijn vrouw ook daar in het residentiehuis. Couperus begon hier aan zijn roman De stille kracht, waarin Valettes residentie model stond voor de woning van een van de hoofdpersonen, de resident Otto van Oudijck.

In februari 1899 reisden Couperus en zijn vrouw naar het Franse Nice, waar ze hun intrek namen in een hotel in de Rue RossiniFriedrich Nietzsche was 13 jaar eerder in hetzelfde hotel geweest. Van daaruit reisden ze naar Genua. De maand daarop gingen ze weer naar Nederlands-Indië. Een jaar later, in maart 1900, keerde Couperus terug naar Nederland. In deze tijd voltooide hij De stille kracht. In augustus van dat jaar gingen Couperus en zijn vrouw naar Duitsland en Zwitserland, waar ze Wiesbaden, Baden-Baden en Lausanne aandeden, onder meer voor familiebezoeken. In oktober reisde hij samen met zijn vrouw opnieuw af naar Nice, waar ze op 8 oktober hun intrek namen in de 'Villa Jules', in een zijstraat van de toenmalige Avenue Saint-MauriceNu de Avenue Borriglione De komende tien jaar zouden ze vooral in Frankrijk verblijven. Couperus maakte van daaruit meerdere reizen naar Italië, waarbij hij onder andere Florence en Rome opnieuw bezocht.

In de periode februari-juli 1901 schreef hij het tweede deel van Boeken der Kleine Zielen. In 1902 had hij in Genève een ontmoeting met Willem Gerard van Nouhuys, met wie hij ging samenwerken. In juli van datzelfde jaar overleed zijn vriend en vroegere mentor Jan ten Brink. Op 13 oktober 1902 overleed ook Couperus' vader John Ricus op 86-jarige leeftijd.