Jazz is een op improvisatie gebaseerde muziekstijl die ontstaan is in de Afro-Amerikaanse gemeenschap van New Orleans uit een kruisbestuiving van ragtime, blues, folk en negrospirituals. Oorspronkelijk betekende het woord jazz een "zeer energieke dans". Jazz werd in de beginjaren door het grote publiek niet erg geaccepteerd, vooral omdat deze soort muziek geassocieerd werd met losse zeden en een lage sociale status.
In 1936 huurde Benny Goodman Teddy Wilson in om piano te spelen in zijn trio. Dit wordt beschouwd als de eerste keer dat een zwarte muzikant op het podium verscheen met een blanke band. Toen gemengde jazzorkesten zoals dat van Benny Goodman vanaf de jaren 1930 deze muziek begonnen te spelen, werd het onder bredere lagen van de samenleving een aanvaarde vorm van entertainment. Tegen de jaren 1940 traden jazzbands overal in de Verenigde Staten in het openbaar op met zowel zwarte als blanke muzikanten. De swingperiode betekende een hoogtepunt in de populariteit van jazz, iets dat voornamelijk te danken was aan het feit dat jazz toen nog steeds uitsluitend dansmuziek was. Toen jazz vanaf de jaren vijftig evolueerde naar meer experimentele muzikale vormen, en vanwege de opkomst van opwindende dansmuziek zoals rock-'n-roll, ging de verkoop van jazzplaten achteruit. Dit artikel geeft een overzicht van de jazzgeschiedenis vanaf ragtime en hotjazz tot de fusionstijlen van de laatste decennia.
Muziek van het moment In principe is jazz muziek van het moment – er worden op elk moment nieuwe muzikale keuzes gemaakt die tot aan de vorm en alle op dat moment spelende musici reiken (zie de genoemde jazzstromingen hieronder) waardoor een persoonlijke en intensieve muziekbeleving ontstaat. In klassieke muziek en popmuziek is deze eigenschap nagenoeg afwezig. In de jazz wordt een thema of kleine compositie of een afspraak alleen gebruikt als basis voor improvisatie. Door deze eigenschap raakt jazz als stijl veel andere stromingen zoals blues, (pop)world, folk, heavy metal, funk, soul, klassiek en oude muziek en er zijn dan ook vele mengvormen ontstaan.
Het gewicht van improvisatie is terug te zien in de geschiedenis van de jazz, waarbij beperkende factoren – vastgehouden door de menselijke maat en commercie – worden opgeruimd; het loslaten van dansmuziek waardoor lagere en hogere tempo's en complexere ritmes mogelijk worden, het toestaan van esthetiek, het loslaten van thema's en het streven naar complete vrijheid en het gebruik van andere muziekstromingen.
Het begin De belangrijkste bron voor de jazz ligt naar alle waarschijnlijkheid in Afrika. De Afrikanen die als slaven naar Amerika gebracht werden, brachten hun traditionele, sterk ritmische muziek mee. Op hun route naar de Verenigde Staten werden veel slaven allereerst naar de West-Indische eilanden gebracht, met name naar Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek); na een tijdje werden velen van hen verkocht in New Orleans. Zij namen hun religieuze en muzikale erfenis met zich mee. De slaven uit Santo Domingo (de hoofdstad van de Dominicaanse Republiek, gesticht door de broer van Christoffel Columbus) zetten hun oude voodoopraktijken ongewijzigd voort in New Orleans.
Die muziek was gebaseerd op een vijftonige toonladder. Een karakteristiek voorbeeld van een vijftonige (pentatonische) toonladder in de toonsoort c-mineur zijn de tonen c–es–f–g–bes. De Afrikaanse muziek heeft een sterke pentatonische traditie.
Op de plantages ontwikkelden werkende slaven een zangstijl die als de oorsprong van wat nu blues heet aangeduid kan worden. In New Orleans was 'Congo Square' een open plaats aan de rand van het 'French Quarter', die door het gemeentebestuur ingesteld was als vrijplaats, waar op zondagmiddagen gedanst werd en muziek gemaakt mocht worden.
Muzikanten in kroegen en bordelen (vaak overigens ook Afrikanen) maakten gebruik van muzikale elementen uit o.a. de Europese klassieke muziek en voegden deze toe aan de basis van de 'plantagezang'.
In de 'Honky Tonks' klonk ragtime. Bij ragtime weet de pianist met twee handen een sterk ritme met thema's te koppelen. Deze muziek is dan ook polyritmisch, maar heeft geen improvisatiemogelijkheden. Uit de ragtime ontwikkelde zich rond 1920 de stride pianostijl, waarin geïmpoviseerd werd op de popliedjes uit die tijd.
Deskundigen zijn het erover eens dat werkliederen van de katoenvelden, blues van stad en platteland, banjostijlen van variétéshows, gesyncopeerde brassbands (fanfarekorpsen) en ragtime (gesyncopeerde dansmuziek) alle een belangrijke rol speelden bij het ontstaan van jazz. De syncopering (accentverschuiving) als primair ingrediënt van de jazz, ontwikkelde zich als een ritmische aanpassing van de Afrikanen. De syncope was het meest voor de hand liggende en beste substituut voor de gecompliceerde polyritmiek (de simultane combinatie van contrasterende ritmes in een muzikale compositie) die integraal deel uitmaakt van hun muzikale erfenis. Het is deze syncope die muziek doet "swingen".
Doordat de Afrikaanse muziek en danstradities werden blootgesteld aan het publiek, vond er een wederzijdse beïnvloeding plaats met de Europese muziektraditie. De unieke ritmische nadruk van deze dansen plus vele andere ingrediënten kwamen samen om een muzieksoort op te leveren die bekend werd als jazz.
De naam jazz komt van het niet meer bestaande woord jass, waarmee de seksuele daad op een platvloerse manier werd aangeduid. Jazz was een symptoom van de glorieuze bevrijding van de knellende banden van de moraal. Het ontstond in 'Storyville', de rosse buurt van New Orleans en werd voornamelijk ontwikkeld voor gebruik in bordelen; het ene bordeel probeerde het andere af te troeven met de beste jazzband.
New Orleans en dixieland Rond 1900 wordt een goedwerkende combinatie van instrumenten gevonden om blues en ragtime te spelen; instrumenten die gemakkelijker beschikbaar waren vanuit de fanfare en voldoende geluid voortbrachten zoals saxofoon, trompet, trombone en klarinet en tuba. Binnenshuis was de piano al bekend. Als ritme-instrument werd behalve slagwerk ook de banjo gebruikt die naast harmonie ook een duidelijk ritme kan voortbrengen.
Met deze bands werden blues en ragtime gespeeld en kregen de musici de ruimte om te improviseren en zo de expressie te versterken. In de wijk Storyville van New Orleans was zoveel belangstelling dat muzikanten genoeg geld konden verdienen om van te leven, waardoor de ontwikkeling van deze muziek steeds sneller ging. Toen de Verenigde Staten in 1917 deelnamen aan de Eerste Wereldoorlog, vaardigde de regering het bevel uit om prostitutie binnen vijf mijl van militaire bases te verbieden, met als gevolg het einde van de bordelen in Storyville. Als gevolg van deze sluiting, maar ook in het kader van de Grote Afro-Amerikaanse volksverhuizing, bekend als de Great Migration, verplaatsten de muzikanten zich naar elders – met name naar Chicago. Dit markeert het begin van de zogenaamde New Orleans Jazzstijlperiode, die onder die naam populair werd in het noordoosten van de VS, toendertijd het centrum van de platenindustrie.
miniatuur|De Original Dixieland Jass Band speelt "Jazz me Blues", een compositie geschreven door Tom Delaney. Deze opname dateert van 3 mei 1921.
De Original Dixieland Jazz Band, bestaande uit musici afkomstig uit New Orleans, werd geformeerd in Chicago als afsplitsing van John Stein's Dixie Jass Band. De band stond onder leiding van Nick LaRocca, afstammeling uit een Siciliaanse emigrantenfamilie. Zij waren de eerste band, die een jazz-plaat opnam, uitgebracht door RCA Victor. Deze plaat, "Dixieland Jass Band One-Step" met B-kant "Livery Stable Blues", werd een verrassingshit en was voor veel Amerikanen hun eerste kennismaking met jazz. Andere blanke musici die volgden naar Chigaco waren o.a. trompettist Bix Beiderbecke, saxofonist Frankie Trumbauer en Bud Freeman. Ze speelden iets minder zwaar dan hun gekleurde tijdgenoten.
In Chicago is vooral de Creole Jazz Band van Joe "King" Oliver beroemd, met daarin de uit New Orleans afkomstige Louis Armstrong. Het geluid bij Oliver was minder zangerig en leek minder met ragtime te maken te hebben. Armstrong speelt vervolgens tijdelijk in het orkest van Fletcher Henderson en gaat daarna zelf opnamen maken met zijn formaties 'Hot Five' en 'Hot Seven' (vooral de opnamen uit 1925-1927 zijn aan te bevelen). Hij ontwikkelt zich verder, en speelt gemakkelijker met meer contrasten dan de meeste van zijn tijdgenoten. Samen met Earl Hines stapt hij af van de New Orleans aanpak en ging over tot de swing. Pas in de Revivalperiode na de Tweede Wereldoorlog zal hij er op terugkomen.
Voorzien van het 'New Orleans-vibrato' bewoog ook Sidney Bechet zich langzaam maar zeker richting swing. Hij is vooral in Europa populair geworden door zijn verblijf in Frankrijk.
De afro-creoolse pianist Jelly Roll Morton begon in Storyville en toerde vanaf 1904 rond met Vaudeville shows. Hij maakte als orkestleider verder reikende arrangementen voor zijn orkest. Zijn "Jelly Roll Blues" uit 1905 werd in 1915 uitgebracht en was daarmee het eerste gedrukte jazz arrangement. Hij stemde hierbij zijn composities of arrangementen af op de muzikale eigenschappen van specifieke solisten in zijn orkest. Morton was hiermee een voorloper van de grotere big bands en het werk van Duke Ellington. Hij zag zichzelf – blijkens zijn visitekaartje – als uitvinder van de jazz.
Men zou kunnen zeggen dat de jazz zich in de jaren 1920 langs twee parallelle sporen ontwikkelde: een 'blank' spoor en een 'zwart' spoor. De vroege jazzstijlen worden New Orleans (de 'zwarte' tak) en dixieland (de 'blanke' tak) genoemd.
Boogiewoogie Om meer improvisatie aan de ragtime toe te voegen (die nog steeds bestond door musici als Fats Waller en Willie the Lion Smith) werden in de jaren 1925-30 aan de linkerhand meer ritmische patronen toegekend die meer rolden dan sprongen. Ook maakten de boogiewoogiepianisten gebruik van herkenbare korte stukjes die bijna een signaalfunctie hadden. Belangrijke boogiewoogiepianisten zijn Pine Top Smith, Albert Ammons en Jimmy Yancey. De Boogiewoogie wijkt ritmisch af van de New Orleans stijl en lijkt qua structuur vooruit te kijken op het swingtijdperk. We zien er een voortzetting van in het ontstaan van de Harlem Jump en daarmee van de rock-'n-roll.
Swingtijdperk In het algemeen wordt met het swingtijdperk de periode genoemd voor de komst van de bebop, die ontstond in de jaren 1940. Specifieker is het ook de tijd na de New Orleansperiode.
De economische crisis vlak voor 1930 betekende het einde voor veel New Orleansorkesten. In Kansas City zag de burgemeester niets in het drankverbod (of hij kreeg voorstellen die hij niet kon weigeren) waardoor naast de misdaad het uitgaansleven opbloeide. Hiermee was Kansas City een belangrijke ontmoetingsplaats geworden voor musici. Solisten en in grotere zalen zelfs complete bands namen het tot diep in nacht tegen elkaar op. Wellicht kon het laten klinken van muziek op de steeds meer aanwezige radio en grammofoonspelers andere musici en publiek informeren over ontwikkelingen van de jazz zodat de veranderingen minder regiospecifiek werden.
Swing kenmerkt zich door een ritme dat minder sleept en meer 'hupst' of 'springt' in doorgaans twee momenten per maat; een zwaar moment op de eerste tel en een licht moment op de tweede, idem op de derde en vierde tel. Door dit op een energieke en meestal toch lichte manier te spelen ontstaat een ritme dat dansbaar is en 'in de benen kruipt' (aanzet tot dansen of bewegen op de muziek). In deze tijd vinden we dan ook veel dans- en showorkesten. Solisten en arrangement geven de muziek meer verhaal, de ritmesectie blijft voornamelijk bijdragen aan de basis van het arrangement.
Harmonisch werden de arrangementen ingewikkelder en dit had ook gevolgen voor de solo's.