miniatuur|200px|Marie Louise Cathérine Haegheman in 1913, moeder van Ensor thumb|Ensor en zijn vriend Ernest Rousseau in de duinen in 1892 thumb|Foto van James Ensor door Albert Lilar thumb|Bronzen buste (1930) van James Ensor door Irenée Duriez (1950) naar het origineel (1930) door Edmond De Valériola (1877-1956); Leopoldpark, Oostende; de inhuldiging gebeurde in aanwezigheid van Ensor James Sidney Edouard baron Ensor (Oostende, 13 april 1860 – aldaar, 19 november 1949) was een Belgisch kunstschilder van het symbolisme. Zijn beroemdste en meest radicale werken (zoals De Intrige en De Intrede van Christus in Brussel) zijn grotendeels gebaseerd op de groteske verbeelding en het gebruik van maskers en skeletten als maatschappijkritische instrumenten. Geen van de traditionele labels (symbolisme, expressionisme, impressionisme) dekt dit centrale thema adequaat. Ensor was een proto-expressionist, wiens unieke stijl de traditionele grenzen van het symbolisme overschreed en zich kenmerkte door een unieke macabere satire en groteske verbeelding, vaak met maskers en skeletten als motieven.
Hij wordt algemeen erkend als de belangrijkste vernieuwer van de moderne kunst in België, een afwijkende individualist die zich niet gemakkelijk liet categoriseren binnen een bepaalde kunststroming. Daarnaast was hij ook componist en schrijver.
Het Ensorhuis houdt de herinnering aan hem en zijn werk levendig.
Levensloop Familie De vader van Ensor, James Frederic Ensor, had Britse ouders. De moeder van Ensor was de Oostendse Marie Louise Cathérine Haegheman, een vrouw van eenvoudige afkomst, dochter van winkeliers in kantwerk die lezen noch schrijven konden. thumb|Vader (?) en moeder van James Ensor, ca. 1878, KMSKA, Antwerpen Het gezin verhuisde in 1876 naar een nieuw gebouw op de hoek van de Van Iseghemlaan en de Vlaanderenstraat in Oostende. Zijn moeder baatte, samen met haar zuster Mimi, een winkel uit met souvenirs, schelpen, chinoiserie en carnavalsartikelen zoals maskers en komische kostuums. Deze artikelen zouden later van invloed zijn op de verbeelding van Ensor, waarbij de maskers een terugkerend motief werden in zijn latere werken. Enkele verdiepingen werden uitgebaat als kamers voor toeristen. James kon op de zolderkamer een klein atelier inrichten van waaruit hij een goed uitzicht had op de straten en de daken van de Van Iseghemlaan en de Vlaanderenstraat. Dit thema zou nog vaak terugkeren in veel van zijn latere werken. Dit atelier werd ook een tijdlang gebruikt door zijn vriend Willy Finch.
Hoewel hij in Oostende geboren was, werd James Frederic in Brighton ingeschreven, als zoon van James Rainford en van Anne Andrew, zijn Engelse grootouders. Deze Engelse grootouders waren renteniers uit Sussex. Ensors vader, ingenieur van "Bruggen en Wegen", vertrok kort na de geboorte van de kleine James naar de Verenigde Staten in de hoop er fortuin te maken. Het werd een mislukking en hij keerde berooid terug. Ensor beschreef zijn vader als een verstandig en superieur man, een intellectueel die meerdere talen beheerste. Hij was geabonneerd op kunsttijdschriften, wat een mogelijke invloed had op zijn zoon. Hij kon echter de tegenslagen niet verwerken en, onder de knoet van een nuchtere en autoritaire Oostendse handelsvrouw, van wie hij financieel afhankelijk was, begon hij te drinken en werd hij de schande van het gezin. Hij werd bespot als een Oostendse dronkaard en kwam eens thuis, half kaalgeschoren met nog een halve snor. Hij stierf, de dag nadat hij in dronken toestand thuis was gebracht door de politie. Ensor was toen 27 jaar en was op het toppunt van zijn creatieve periode. James Ensor zou deze sociale klasse, die zijn vader uitgestoten had, nooit vergeven en blijven verachten in zijn schilderijen.
Ensor had een zus, Mariëtte, meestal Mietje genoemd (zelf noemde hij haar Mitche), die één jaar jonger was dan hij. Ze zou een van zijn favoriete modellen worden. Toen Ensor 32 jaar was, trouwde ze met een Chinese handelaar. Het werd geen geslaagd huwelijk. Ze verliet haar echtgenoot na enkele maanden, maar had met hem wel een kind, een meisje dat het lieve zorgennichtje Alex werd en dat Ensor "La Chinoise" noemde. Zij zou later trouwen op vijftienjarige leeftijd.
Privéleven James Ensor is zelf nooit getrouwd geweest. Hij heeft zijn privéleven zoveel mogelijk verborgen gehouden of gemystificeerd. Tijdens zijn studententijd aan de academie in Brussel werd hij sterk beïnvloed door Mariette Hannon, echtgenote van Ernest Rousseau en oudere zus van zijn vriend Théo Hannon. Hij heeft haar talloze keren afgebeeld. Wel had hij later een uitverkoren vriendin: Augusta Bogaerts (1870-1951), de "Sirene", die hij portretteerde in het bekende dubbelportret van 1905, toen ze 35 jaar oud was. Ze was een dochter van een Oostendse hoteluitbater en 10 jaar jonger dan Ensor. Hij ontmoette haar voor het eerst toen hij 28 was. In 1904 maakte hij kennis met Emma Lambotte uit Luik, een intelligente vrouw die getrouwd was. Hij beschouwde haar als "zijn goede fee" en correspondeerde veel met haar. Via haar kwam hij in contact met François Franck, de bezieler van de Antwerpse kunstkring Kunst van Heden (en de latere grondlegger van de Ensorcollectie in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen). In 1914 gaf Ensor schilderlessen aan Alice Frey. Zij was door oorlogsomstandigheden uitgeweken naar Oostende en woonde toevallig naast hem. Zij kon zich aldus als "de enige leerlinge" van James Ensor beschouwen. thumb|Dubbelportret van Ensor en Augusta Bogaerts, 1905
Opleiding thumb|De Roeier, 1883, olieverf op doek, 79 × 99 cm, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen In 1873 ging de jonge Ensor naar school op het Onze-Lieve-Vrouwecollege in Oostende. Hij stond daar bekend als een tuchtloze leerling, maar zijn passie voor tekenen was toen al duidelijk zichtbaar. De archieven van het Onze-Lieve-Vrouwecollege bevatten een boekje, Le petit sécrétaire, met op het titelblad Een ruiter te paard, getekend door de jonge Ensor. Toen hij amper 14 was, toonde hij zijn eerste tekeningen en schilderwerkjes aan de destijds bekende meester Louis Dubois, die hem verder aanmoedigde. Ensor verbleef slechts twee jaar op deze school. Hij nam vervolgens schilder- en tekenlessen bij twee Oostendse kunstschilders, Edouard Dubar, een marineschilder die later fotograaf werd en lithografieën uitgaf, en Michel Van Cuyck, een olieverfschilder, aquarellist en lithograaf. Ook hier toonde hij zich opstandig en had geen hoge dunk van hun "bedrieglijke spons- en tekentechniek, van hun saai, bekrompen en doodgeboren metier".
In 1876 nam hij tekenlessen "naar antiek en naar levend model" aan de Oostendse Academie voor Schone Kunsten. Uit die periode schilderde hij zijn eerste werken die de zee, het strand, duin- en polderlandschappen afbeeldden, zoals Duinen (ca. 1876), Gezicht op Mariakerke (1876), Fort Napoleon (1876), De triomfwagen (1877), De badkoets op het strand (1877).
Op 8 oktober 1877, op 17-jarige leeftijd, schreef Ensor zich in aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Brussel. Het was de enige keer dat hij Oostende verliet gedurende een langere tijd. Hij bleef drie jaar weg van zijn geboortestad. Hij huurde een bescheiden kamer in de Sint-Jansstraat, nabij de Grote Markt. Zijn leraren Joseph Stallaert, Joseph van Severdonck en Alexandre Robert gaven hem lessen schilderen en tekenen volgens het klassieke model. Echter, hij raakte opnieuw in conflict met zijn leraren. In die periode maakte hij kennis met enkele medestudenten: Willy Finch, Paul Dubois, Fernand Khnopff, Willy Schlobach, Guillaume Van Strydonck, Rudolph Wystman en Dario de Regoyos.
In die periode tekende Ensor een aantal volksfiguren uit zijn omgeving in Oostende, niet zozeer vanuit sociale overwegingen, maar eerder om zijn tekentalent verder te ontwikkelen. Uit die tijd stammen ook werken zoals Golfbreker te Oostende (1878), Naakte jongen (1878), Polderlandschap (1878), Man met de gewonde arm (begin 1879), Zelfportret (1879), Het meisje met de wipneus (1879), Ensor voor de schildersezel (1879) en de donkere houtskooltekening Vrouwelijk naakt (1879) (ook aangeduid als La Bohémienne).
Toen Ensor 20 jaar was, in 1880, verliet hij de academie en daarmee ook meteen Brussel. Het resultaat van zijn opleiding was niet zo schitterend geweest. Hij kreeg slechts een zevende prijs voor het tekenen naar het klassieke model en een tiende prijs voor het schilderen naar de natuur. Dit teleurstellende resultaat maakte van hem een boos en verbitterd man en hij zou deze gemoedsstemming uitbeelden in sarcastische en satirische scènes. Hij keerde naar Oostende terug, bij zijn ouders op de hoek van de Vlaanderenhelling en de Van Iseghemlaan.Dit huis is in 2000 afgebroken. Om te ontsnappen aan zijn dominante moeder trok hij zich terug op de zolder en richtte daar zijn eerste atelier in. Vanuit het grote zoldervenster had hij een gezicht in vogelperspectief op de zee (met zijn eindeloze licht- en kleurschakeringen, wat hij vaak weergaf in zijn verschillende marines), op straten, gebouwen en voorbijgangers. Dit uitzicht zou zich dan ook weerspiegelen in vele werken. Hij bleef hier wonen tot 1917 en hij maakte ook hier zijn beste schilderijen.
In datzelfde jaar 1880 schilderde hij zijn bekende werk De jongen met de lamp in overwegend zwart en oker,Dit was het eerste schilderij dat Ensor heeft verkocht aan een museum. In 1895 door de Belgische Staat aagekocht voor 2500 frank. en zijn werken Grijze zee, Stilleven met eend, Het moeras. Hij bleef productief en schilderde in 1881 zijn Vlaanderenstraat in de sneeuw, Portret van mijn vader, De sombere dame, Namiddag te Oostende, De wolkammer en Vrouw met de blauwe sjaal. Deze periode wordt vaak beschouwd als zijn 'donkere periode', gekenmerkt door burgerlijke interieurs waarin hij de sfeer van stijfheid en verveling weergeeft met een donkere impressionistische penseelvoering. Hij schilderde zijn meeste marines in de periode 1880-1885. Evenals zijn tekeningen, schilderde hij zijn marines als overtuigde plein-airist. Zijn impressionistisch schilderij Grote marine – zonsondergang uit 1885 is een van zijn grotere doeken uit die tijd.
Les vingt Ensor stuurde, gesteund in zijn talent door de Brusselse avant-garde, in 1881 drie schilderijen (De koloriste, Het burgersalon en Nature morte) naar het progressieve salon Chrysalide en in 1882 het schilderij De Russische muziek naar de tentoonstelling Exposition Générale des Beaux-Arts in Brussel. Het schilderij Het burgersalon gaf de verstikkende sfeer weer van zijn eigen huiselijke omgeving. Het schilderij Russische muziek verwijst naar de Russische kamermuziek die toen in België recentelijk was ontdekt. Ensor verwijst later regelmatig naar het thema muziek in zijn werken Portret van Dario de Regoyos (1884), Muziek in de Vlaanderenstraat (1891), Au conservatoire (1902) of door het invoegen van muzikanten of van zichzelf als musicus.
Hij schilderde in 1882 zijn Portret van mijn moeder, De oestereetster en De dame in nood.