Willebrord Jan Frans Maria (Willy) Vandersteen (Antwerpen, 15 februari 1913 – Edegem, 28 augustus 1990) was een Belgische striptekenaar. Hij is vooral bekend als bedenker en oorspronkelijke tekenaar van de stripreeks Suske en Wiske, waar hij tot in de jaren zeventig nauw bij betrokken was.

Biografie Jeugd thumb|Geboortehuis in de Seefhoek Willy Vandersteen, geboren als Willebrord Jan Frans Maria Vandersteen, was een zoon van een beeldhouwer/ornamentmaker. Zijn tekenaanleg en fantasie waren tijdens zijn kindertijd al opvallend. Hij werd geboren op het Stuivenbergplein, gelegen in de Antwerpse volkswijk De Seefhoek, waar hij ook opgroeide. Op de stoep van de eveneens in De Seefhoek gelegen August Sniedersstraat tekende hij wielerwedstrijden. Als jongen verslond hij boeken en droomde op school regelmatig weg tijdens de lessen geschiedenis. Hij bedacht verhalen en toneelstukjes die zijn leeftijdsgenoten vervolgens naspeelden. Toen hij eens over de kruistochten geleerd had, trokken hij en enkele kinderen uit de buurt verkleed als ridders naar de kerk om er zich te laten zegenen. De onderpastoor zei hun echter dat het Heilige Graf al bevrijd was.Willy Vandersteen in: Ik vier het elke dag, 65 door Erik Durnez, Standaard Uitgeverij, 1978

Zijn leraren berispten hem regelmatig met de woorden: "Het enige waar jij goed in bent, is tekenen en opstellen schrijven, maar daar kan je later immers toch nooit je brood mee verdienen!"

Terwijl hij avondlessen tekenen volgde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Antwerpen hielp Vandersteen regelmatig zijn vader in diens werkatelier. Hij was zeker getalenteerd genoeg om in zijn voetsporen te treden. Toen in de jaren dertig de meer moderne en sobere architectuur van de art deco haar intrede deed, was de ornamentkunst plots uit de mode. Vandersteen besloot daarop timmerman te worden, totdat hij besloot dat decorateur meer iets voor hem was. Als etalageontwerper bij het Antwerpse warenhuis Innovation kreeg hij op een dag de opdracht een model uit een Amerikaans modetijdschrift op een paneel over te tekenen.

Vandersteen las het magazine eerst even door en stuitte toen per toeval op een artikel over strips. Het stuk boeide hem zo enorm dat hij besloot striptekenaar te worden.

Vroege carrière Onder het pseudoniem "Wil" tekende Vandersteen De lollige avonturen van Pudifar voor Wonderland, de kindereditie op woensdag van het blad De Dag. Tijdens de bezetting waren alle Amerikaanse strips door de nazi's verboden. Daarom was de hoofdredacteur van De Dag blij met werk dat door een Vlaming getekend was. Omdat de nazi's echter mensen ronselden voor hun werkkampen moest Vandersteen een veiliger beroep zoeken. Via zijn zwager vond hij een baan als grafiek-omzetter in een landbouw- en voedingsbedrijf. Omdat dit zo'n saaie baan was, begon hij uit verveling in de marges van de bladen te tekenen.

Vandersteen wekte sympathie op bij zijn collega's en afdelingschef en mocht het vakblad van de slagers illustreren. Ook de wachtkamer en de personeels- en vergaderzalen mocht hij onder handen nemen. Zo kwam hij in contact met de Nederlander Jean Meuwisse die sinds 1936 het blad Bravo! uitgaf en op zoek was naar Vlaams en Nederlands tekentalent nu er geen Amerikaanse strips meer mochten gepubliceerd worden. Vandersteen mocht nu wekelijks een pagina vol tekenen rond Sindbad de zeerover, Thor de holbewoner en Lancelot. Het waren stuk voor stuk erg onbeholpen, maar charmante strips die de lezers wel op de lachspieren werkten. Het werk was zwaar: Vandersteen pendelde elke weekdag tussen Antwerpen en Brussel en was meestal pas om 9 uur 's avonds thuis waarna hij dan pas aan het tekenwerk kon beginnen.

Op 9 oktober 1937 huwde Willy Vandersteen met Paula van den Branden (1912-1976). Het echtpaar kreeg vier kinderen: Helena (Leen), Robert (Bob), Christiane en Liliane. Hun oudste dochter raakte later betrokken bij het behoud en de verdere ontwikkeling van het werk van haar vader, onder andere als bestuurder van Studio Vandersteen (2002-2022).

Tweede Wereldoorlog Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was Willy Vandersteen 27 jaar. Om wat geld te verdienen, publiceerde hij in deze tijd heel wat spotprenten. Het vakblad Brabant Strip Magazine pakte in 2009 uit met tekeningen die Vandersteen in 1943 onder het pseudoniem Wil zou gemaakt hebben tegen de nazibezetter en onder de titel Dappere Jan. Bronnen met klare voorbeelden van deze Dappere Jan zijn echter niet te vinden. Vandersteen werkte wel onder de schuilnaam Kaproen mee aan cartoons voor magazines die collaboreerden met de Duitsers.Baudart, Sebastien, Strips in de Belgische dagbladpers 1945-1950 - 7. De Nieuwe Standaard / Het Nieuwsblad - 7.2.2. Willy Vandersteen (Er is ook nog gesuggereerd dat Edgard Vanmechelen ("Gard") dit pseudoniem ook af en toe gebruikte, waarbij hij en Vandersteen elkaar zouden hebben afgewisseld.Willy Vandersteen, lambiek.net)

Een duidelijk voorbeeld van een antisemitische spotprent van de hand van "Kaproen" is tegenwoordig te zien op de website van EenVandaag (AVROTROS Nederland). Hier is een viertal oorlogsspotprenten te zien, getekend door Willy Vandersteen, onder andere de tekening waar hij een Dietsche soldaat afbeeldt die een lelijke karikatuur van een Joodse man met gekromde neus buitenschopt. Het zijn illustraties in een brochure ter gelegenheid van een mars van 12000 Dietsche soldaten te Brussel in 1942, de Reimond Tollenaere Mars. De teksten onder de tekeningen werden geschreven door een beter gekende collaborateur, Bert Peleman die de naam Uilenspiegel als pseudoniem droeg.EenVandaag Avrotros, redactie Johan Boef, De foute voorlopers van Suske en Wiske, 14-09-2010; geraadpleegd: 29 juli 2018

In 2011 bracht Standaard Uitgeverij een boek over deze fase uit Vandersteens leven op de markt, getiteld De oorlogsjaren van Willy Vandersteen.Standaard Uitgeverij, De oorlogsjaren van Willy Vandersteen; geraadpleegd: 29 juli 2018

Eerste reeksen Op een dag liep hij op de vlucht tijdens een bombardement op de stad een oude scoutsvriend tegen het lijf. Deze was inmiddels uitgever geworden en vroeg Vandersteen of hij voor hem een heel stripalbum kon tekenen. In een week tijd tekende Vandersteen het album Piwo, het houten paard. Het boek zou pas later verschijnen uit papiergebrek, maar Vandersteen werd wel betaald en kreeg de opdracht nog twee titels bij elkaar te tekenen, wat hij ook prompt deed.

Een andere scoutskameraad van Vandersteen was drukker geworden en zocht hem op met de vraag of hij niet enkele jeugdverhalen kon tekenen voor hem. Er volgden 4 kleurrijke boekjes; Zoo ik een Indiaantje was, Zoo ik een Eskimootje was, Zoo ik een Zeerovertje was en Zoo ik een Riddertje was. De verhalen werden door Casterman in het Frans vertaald.

Suske en Wiske

Met de ervaringen die hij nu had opgedaan trok Vandersteen in 1944 naar de Standaard Uitgeverij met een nieuw stripverhaal rond twee nieuwe figuren; Rikki en Wiske. Naar Amerikaans voorbeeld wilde hij zijn strips in de krant laten verschijnen opdat ze zo een vast publiek zouden vinden. Het duurde een jaar vooraleer de uitgever de tijd rijp achtte om het verhaal uit te geven. Op 30 maart 1945 was de strip De avonturen van Rikki en Wiske(no.0/154) voor het eerst in de krant De Nieuwe Standaard te lezen. Het was het eerste album van de zogenaamde Vlaamse ongekleurde reeks. Vandersteen was echter niet gelukkig met dat eerste avontuur. De naam "Rikki" was hem niet volks genoeg en bovendien was de manier waarop hij getekend was te veel op Kuifje geïnspireerd. Rikki was daarbovenop Wiskes oudere tienerbroer, terwijl Vandersteen Wiske liever een jongen die even oud als zij was als tegenspeler gaf. Zo verscheen Suske ten tonele in het tweede verhaal Op het eiland Amoras (no.1/68). Tante Sidonia (toen nog Tante Sidonie) had al in het vorige album haar opwachting gemaakt en nu maakten ook Professor Barabas en het spook Sus Antigoon hun debuut. Lambik zou in 1947 zijn opwachting maken in De sprietatoom (no.42/107), vervolgens in 1952 Jerom in De dolle musketiers (no.18/89) en in 1962 booswicht Krimson in Het rijmende paard (no.48/96). De teletijdmachine werd voor het eerst gebruikt in 1951 in De tuf-tuf-club (no.14/133).

De reeks werd meteen een succes, temeer omdat er toen op Vlaamstalig stripgebied amper concurrentie was. De herkenbare situaties, het Antwerpse taalgebruik, het volkse karakter, de humor, spanning en knipoogjes naar de naoorlogse actualiteit vielen erg in de smaak bij de lezers. Ook Vandersteen zelf wist dat hij toen juist op het goede moment kwam:

Suske en Wiske werden zo'n succes dat mensen alleen de kranten kochten om de strips. Toen Vandersteen in 1947 naar de krant De Standaard overstapte, volgden zo'n 250 abonnees hem op de voet. In de loop der jaren werd het in Vlaanderen een traditie de krant van achter naar voren te lezen. Eerst las men wat er die dag met Suske en Wiske gebeurd was voor men het overige nieuws doornam. Ook andere kranten moesten nu hun eigen strips hebben om de concurrentie met De Standaard aan te kunnen. Zo maakte Vandersteen de weg vrij voor Marc Sleen, Jef Nys en vele andere striptekenaars in Vlaanderen.

In het najaar van 1959 maakte Vandersteen samen met de Antwerpse journaliste en schrijfster Maria Rosseels een rondreis door het Verre Oosten, een gebied dat hem altijd al had aangetrokken en waar hij ook al enkele van zijn verhalen had gesitueerd. De ervaringen die Vandersteen tijdens deze reis opdeed verwerkte hij in enkele van zijn volgende Suske en Wiske-verhalen (De gouden cirkel (no.39/118), De sissende sampan (no.49/94).

Chronologische lijst van Suske en Wiske-verhalen Deze lijst toont een titeloverzicht van verhalen waar Willy Vandersteen aan heeft geschreven en/of getekend, met tussen haakjes het jaar van eerste publicatie. Een eventueel cijfer voor de titel is het cijfer waaronder het verhaal is uitgebracht in de Vierkleurenreeks.

De Bruegel van het beeldverhaal Het succes van de reeks was zo groot dat Vandersteen in 1948 werd gevraagd om ook verhalen te tekenen voor het weekblad Kuifje. Dankzij Vandersteen werd het blad ook buiten Franstalig België een succes. Hij zou van 1948 tot 1959 voor het weekblad verscheidene verhalen rond Suske en Wiske tekenen die later bijna allemaal in een blauwe kaft gebundeld zouden worden en daarom bekendstaan als de Blauwe reeks. Omdat Hergé wilde dat Vandersteen een meer gladde professionele stijl hanteerde die bij de rest van het blad paste zien de figuren er heel anders en minder volks uit dan in de krantenstrips uit die dagen. Alles was technisch knapper getekend, Wiske kreeg een ander kapsel en werd net als Suske meer een tiener dan een kind, Lambik werd minder dom en allemaal hadden ze een veel gespierder uiterlijk. Tante Sidonia, professor Barabas en Jerom kwamen in deze reeks niet voor. De scenario's werden realistischer en de absurde en fantastische elementen verdwenen bijna volledig. De verhalen uit deze befaamde blauwe reeks worden gezien als enkele van de beste die Vandersteen ooit tekende: Het Spaanse spook, De bronzen sleutel, De Tartaarse helm, De schat van Beersel, Het geheim van de gladiatoren (ook wel Goud voor Rome genoemd), De gezanten van Mars, De groene splinter en Het gouden paard. De albums werden later in de Vierkleurenreeks hernomen, meestal in een verkorte uitgave.

De hoge eisen die Hergé aan Vandersteens tekenstijl stelde zouden de tekenstijl van zijn krantenstrips later ook veranderen. In de plaats van de cartooneske vroege stijl kwam de ligne clairestijl. Hergé noemde Vandersteen zelfs "De Bruegel van het Beeldverhaal".

Studio Vandersteen