thumb|Het Bach-klavecimbel met twee manualen in het Muziekinstrumentenmuseum (Berlijn). thumb|De Engelse klavecimbelbouwer Burkat Shudi accordeert een klavecimbel, omringd door vrouw en kinderen. Marcus Tuscher, c. 1742 Het klavecimbel is een toetsinstrument dat behoort tot de Europese muziek- en instrumentencultuur. De eerste instrumenten zijn te situeren tijdens de 14e eeuw in de provincies die tot het Bourgondische rijk behoorden en in Italië. De verschillende varianten, zoals spinet, virginaal, muselaar, clavicytherium enzovoorts, kenden een snelle technische ontwikkeling en een geografische verspreiding door Europa. Aan de koninklijke en prinselijke hoven, bij de rijke burgerij en de adel, en in bisschoppelijke paleizen deed het klavecimbel zijn intrede, gewild om zowel zijn uitgebreide muzikale mogelijkheden als zijn karakter van luxe- en prestigeobject.

Voor de uitvoering van profane muziek werd dit het instrument bij uitstek. De technische vooruitgang bij het bouwen ging hand in hand met de ontwikkeling van een breed repertoire. Eerst ging het om bewerkte orgelmuziek, maar weldra werd het klavecimbel een onafhankelijke inspiratiebron. Het werd voortaan een vaste waarde als basso continuo-instrument in een ensemble, als solist in concerto's en als solo-instrument.

Nauw verbonden met de barokmuziek en met de groeiende invloed van contrapunt, muzikaal symbool van het ancien régime, werd het klavecimbel verdrongen, eerst door de pianoforte, vervolgens door de piano. Bij de opkomst van de 19e-eeuwse klassieke muziek verdween het klavecimbel bijna volledig. Pas in de eerste helft van de 20e eeuw herwon het een bescheiden belangstelling, om in de tweede helft van die eeuw een triomfantelijke wedergeboorte mee te maken bij de historische uitvoeringspraktijk van oude muziek. In mindere mate werd in de 20e eeuw ook eigentijdse muziek voor het klavecimbel geschreven.

Historiografie De geschiedenis van het klavecimbel is tot op heden nooit op wetenschappelijke en exhaustieve manier behandeld. Pas in de 20e eeuw werd onderzoek verricht. Documenten en iconografie zijn erg verspreid en ongelijk van waarde. Meestal zijn het musea en privécollecties die ze bewaren. Sommige archiefstukken zijn traceerbaar en toe te schrijven. Andere blijven anoniem en bieden dan ook heel wat onderzoeksmogelijkheden aan deskundigen en studenten.

14e-15e eeuw thumb|left|alt=Première représentation connue d'un clavecin, sculpture d'autel provenant de la cathédrale de Minden. L'ange de gauche joue du psaltérion.|Eerste bekende voorstelling van een klavecimbel, beeldhouwwerk uit de kathedraal van Minden. thumb|alt=Schéma tiré du manuscrit d'Arnault de Zwolle|Schema uit het manuscript van Henri Arnout de Zwolle

De vroegste teksten waar snaar- en klavierinstrumenten worden vermeld, dateren uit de 14e eeuw. De gegevens zijn echter onvoldoende om het onderscheid te kunnen maken tussen de instrumenten met snaren die getokkeld worden (zoals het klavecimbel) en de instrumenten met snaren die met pennen aangeslagen worden (klavichord). De eerste waren gegroeid uit het psaltérion, waarbij de speler de snaren tokkelt met een citerpen (plectrum), de tweede waren een evolutie van het tympanon, waarbij de snaren geslagen werden door kleine en lichte hamertjes. Die tweede oorsprong werd in 1511 door Sebastian Virdung vermeld in zijn traktaat Musica getuscht.

Johannes de Muris maakte melding van deze instrumenten in zijn traktaat Musica speculativa, daterende uit 1323. De koning van Frankrijk, Jan II de Goede, kreeg tijdens zijn gevangenschap in Londen rond 1360 van Koning Eduard III een instrument dat de naam droeg eschiquier, dat van een klavier voorzien was maar waarvan het mechanisme onbekend is gebleven. Dit instrument, met verschillende spellingen, werd rond 1367 vermeld als eschaquier d'Engleterre in een tekst van Guillaume de Machault, getiteld La prise d'Alexandrie en vervolgens in 1378 bij Eustache Deschamps. De naam bleef in gebruik tot begin 16e eeuw. Onder de naam Schachtbrett kwam hij voor in 1404 bij Eberhard Cersne in zijn Der Minne Regel en onder de naam Scacarum rond 1426 bij Jean Gerson in zijn De canticorum originali ratione thumb|Anoniem ClavicytheriumUlm (?) rond 1480Londen, Royal College of Music

Al in 1388 had koning Johan I van Aragón, het in een brief aan hertog Filips de Stoute over een instrument dat op een orgel gelijkt, maar weerklinkt via snaren. Dit kan ook een soort verticaal klavecimbel of clavicytherium geweest zijn.

In 1397 werd voor het eerst in een document expliciet geschreven over een clavicembalum, door de Italianen omgevormd tot clavicembalo en door de Fransen tot clavecin. Het document in kwestie is een brief die geschreven werd door een Padovaanse edelman, Lodovico Lambertacci, aan zijn schoonzoon en waarin hij een zekere Hermann Poll vernoemde als de uitvinder van het instrument. Waarschijnlijk bedoelde hij de uitvinder van het mechanisme, het 'dokje' dat diende om de snaren te tokkelen.

Het clavicembalum, het clavicordium en vele andere instrumenten van allerhande type werden in 1404 vermeld in het gedicht Der Minne Regel van Eberhard Cersne, kanunnik in Minden.

In de eerste helft van de 15e eeuw verschenen de eerste iconografische voorstellingen van de oorspronkelijke klavecimbels. De eerste maal is dit op een beeldhouwwerk uit 1425, in de kathedraal van Minden. Een musicerende engel speelde er op een klein horizontaal instrument, met klavier en met ongeveer de vorm van een klavecimbel.

Het Weimarer Wunderbuch toonde rond 1440 een oorspronkelijk klavecimbel, geplaatst op een tafel. De tekening is summier maar toont duidelijk een instrument met een enkel klankgat en met een gebogen zijwand, in de vorm van een cirkelboog.

Uit dezelfde periode dateren gedetailleerde schema's die verschenen in een Latijns manuscript over muziekinstrumenten, geschreven door Henri Arnaut de Zwolle. Er kwam een schema in voor van een oorspronkelijk klavecimbel (éclisse courbe de forme circulaire, quatre rosaces de différentes tailles), van een klavier met 35 toetsen (si-la) en van mechanismen die toelieten snaren te tokkelen. Het blijkt hieruit dat het thans universele systeem van het dokje toen bestond naast het alternatief van andere mogelijkheden, alvorens veralgemeend te worden (behalve voor de klavichord). Vanaf die tijd kan het klavecimbel een verticale vorm hebben of een langwerpige vierkante vorm, zoals bij de spinetten en de virginalen. Het document van Arnault toont aan dat klavecimbels en klavichords eenzelfde structuur hadden, welk ook het mechanisme was. De instrumenten waren eerder van geringe omvang en werden op een tafel geplaatst om er te kunnen op spelen.

Rond 1460, was Paulirinus van Praag de eerste om het te hebben over een virginaal, een rechthoekig instrument zoals het klavichord maar met een klank die gelijk was aan die van het klavecimbel. Hij gaf er een lovende beschrijving van. Wat de naam betreft gaf hij hierover de volgende verklaring: virginale dictum quod uti virgo dulcorat mitibus et suavissimis vocibus. De iconografie uit die tijd en uit de volgende eeuw toont praktisch altijd vrouwen en jonge meisjes achter het klavier, eerder dan mannen. thumb|left|Gravure uit het Weimarer Wunderbuch rond 1440 In Italië, waar waarschijnlijk al in 1420 klavecimbelbouwers actief waren, dateert de eerste geschreven vermelding van een instrument uit 1461 (schuldvordering van een bouwer op de hertog Borso d'Este aan wie hij een klavecijn geleverd had). Er zijn heel wat iconografische voorstellingen uit die tijd, maar geen enkel Italiaans instrument is tot ons gekomen.

Het oudste nog bestaande klavierinstrument met getokkelde snaren dateert van 1470/1480. Dit verticale klavecimbel (clavicytherium) werd waarschijnlijk in Ulm gebouwd en wordt thans bewaard in het Royal College of Music in Londen. Het mechanisme is niet bewaard. Het instrument was wellicht niet representatief voor wat als 'norm' voor die tijd werd aangenomen.

16e eeuw Algemeen thumb|Voorstelling van een virginaal in Musica getutscht Het klavecimbel kende een snelle verspreiding over heel Europa, weliswaar eerder onder de vorm van virginaal of spinet dan van het grotere klavecimbel. De Italiaanse bouwers verwierven welhaast een monopolie, met tegen het einde van de eeuw de opkomst van een sterke concurrentie in Antwerpen.

In 1511 werd in Bazel het eerste boek gedrukt dat gewijd was aan muziekinstrumenten, het Musica getutscht van de Duitse geestelijke Sebastian Virdung. Hierin beschreef hij drie instrumenten aan wie hij de naam gaf van virginaal, clavicembalum (rechthoekig instrument met horizontaal geplaatste snaren) en claviciterium met vertikaal geplaatste snaren. De gravures die hij er had aan toegevoegd, waren wat onnauwkeurig maar lieten toch toe vast te stellen dat de instrumenten 38 tot 40 noten hadden – iets minder dan vier octaven. De eerder geringe maat van deze instrumenten laat veronderstellen dat ze een octaaf hoger klonken. Het werd een constante tendens in de volgende decennia om de reikwijdte uit te breiden. Zonder het instrument breder te maken, kon men een 'verkort octaaf' (zie 'short octave''' op google) invoeren en door middel van een enkele toets bij de lage tonen, een neergaande kwart bijwinnen, van de lagere 'fa' naar 'do'; de 're' en de 'mi' namen dan de plaats in van de chromatische noten 'fa' en 'sol', die ongebruikt bleven in de baspartij van die tijd. Om ze later weer te introduceren, werden de « feintes brisées » (split halves) toegepast, toetsen die in twee delen verdeeld waren.

In de loop van de 16e eeuw zagen de belangrijkste instrumenten hun aantal registers verhogen. Volgens Curt Sachs ging het om twee registers in 1514, principaal en octaaf in 1538, drie registers in 1576, vier in 1583. Dit verhoogde evenredig het klankvolume of liet toe variaties in het timbre aan te brengen.

Italië De belangrijkste productie van klavecimbels situeerde zich in Italië. Wat tot ons is gekomen uit die tijd komt hoofdzakelijk uit dit land. Het gaat om het klavecimbel uit 1515/1516 gebouwd door Vincentius Livigimeno (Académia musicale Chigiana in Siena), het klavecimbel uit 1521 door Jérôme de Bologne (Hieronymus Bononiensis) (Victoria and Albert Museum), het spinet uit 1523 door Francesco de Portalupi (Musée de la musique, Parijs), de klavecimbels uit 1531 door Alessandro Trasuntino (Royal College of Music in Londen), uit 1533 door Dominicus Pisaurensis (Musikinstrumenten Museum der Universität Leipzig), etc. Klavecimbelbouw werd in verschillende steden ondernomen, zowat overal in Italië: Venetië — het meest belangrijke centrum met (Giovanni Antonio Baffo, Bertolotti, Celestini, Patavinus, Pisaurensis, Trasuntino, etc.), Milaan (met Rossi, etc.), Brescia (met Antegnati, etc.), Rome (met Bononiensis, etc.), Napels (met Fabri), etc.

thumb|Structuur van een Italiaans klavecimbel De Italiaanse instrumenten kregen een eigen structuur, met kenmerken die ze heel verschillend maakte van de instrumenten in Noord-Europa. Hun constructie was tegelijk licht en robuust. De dunne zijwanden (3 tot 6 mm), versterkt door lijstwerk dat zowel decoratief als structureel werd aangebracht, werden gemonteerd rond een stevige bodem, waaraan ze werden gehecht met haken en soms met schuine versterkingsstaven die ook vanuit de bodem vertrokken (zie schema). Andere steeds terugkerende kenmerken waren: bronzen snaren met een korte lengte, gebogen zijwanden, bijna rechthoekige spits, hoekige kam, klavier dat uitsteekt (altijd maar één klavier: als instrumenten uit die tijd er twee of zelfs drie hebben, dan is dat het gevolg van latere verbouwingen) hetgeen een zuivere en scherpe klank produceerde, goed aangepast aan het continuo. De meest voorkomende dispositie was een spel van 8' en een van 4'. Het meest voorkomende register was er een van vier octaven, van 'mi' tot 'fa' (49 noten) — in de praktijk van 'do' tot 'fa' door het aanwenden van de 'korte octaaf'.