Walter Hallstein (Mainz, 17 november 1901 - Stuttgart, 29 maart 1982) was een Duitse academicus, diplomaat en politicus. Hallstein was voorzitter van de eerste Commissie van de Europese Economische Gemeenschap en wordt gezien als een van de belangrijkste personen in het proces van Europese integratie.

Hallstein begon zijn academische carrière vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Op negenentwintigjarige leeftijd werd hij professor in de Rechten. Hallstein was op dat moment de jongste Duitser die deze titel ooit had gekregen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende hij als legerofficier voor Nazi-Duitsland in Frankrijk. In 1944 werd Hallstein gevangengenomen door Amerikaanse troepen en verbleef hij de rest van de oorlog in kampen in de Verenigde Staten. Na de oorlog keerde hij terug naar Duitsland en vervolgde hij zijn academische carrière tot en met 1950. In dat jaar werd hem een diplomatieke functie toegewezen. Hallstein ging voor het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken werken. Tijdens zijn werk bij het ministerie werd hij voornamelijk bekend vanwege de naar hem vernoemde Hallsteindoctrine, een beleid dat voor isolatie van de DDR moest zorgen.

Als een groot voorstander van een federaal Europa speelde Hallstein een belangrijke rol in het proces van Europese integratie. Daarnaast maakte hij zich hard voor de rehabilitatie van West-Duitsland in Europa. Zijn Europese ambities leidden vaak tot conflicten met de minister van Economische Zaken, Ludwig Erhard. Hallstein was een van de architecten van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en werd in 1958 de eerste voorzitter van de Commissie van de EEG. Hij was van 1958 tot en met 1967 voorzitter van de Europese Commissie. Hallstein vertrok als voorzitter van de Commissie na een conflict met de Franse president Charles de Gaulle. Hij keerde vervolgens terug naar het Duitse parlement.

Jeugd en vooroorlogse academische carrière (1901-1942) Walter Hallstein werd geboren op 17 november 1901 in Mainz. Hij was de jongste van twee zonen uit het huwelijk van Anna Geibel en Jakob Hallstein. Zijn vader was een hoge ambtenaar. Na het basisonderwijs in Darmstadt volgde Hallstein het middelbare onderwijs aan een klassieke school in Mainz. In 1920 behaalde Hallstein zijn eindexamen.

Na zijn eindexamen ging Hallstein achtereenvolgens rechten sturen in Bonn, München en Berlijn. Hallstein specialiseerde zich in het internationaal privaatrecht en schreef zijn scriptie over de commerciële aspecten van het Verdrag van Versailles. Hij kreeg in 1925 zijn doctoraat van de Friedrich Wilhelm Universität in Berlijn. Van 1923 tot 1926 was Hallstein werkzaam als juridische klerk bij het Kammergericht. Na het behalen van zijn kwalificatie examen in 1927 werkte hij voor een korte periode als rechter. Vervolgens kreeg Hallstein een academische aanstelling bij het Kaiser Wilhelm Gesellschaft, waar hij zich specialiseerde in comparatief commercieel en ondernemingsrecht. Hij werkte onder professor Martin Wolff, een autoriteit op het gebied van privaatrecht. Hallstein werkte bij het instituut tot 1930. In 1929 kreeg Hallsteijn zijn Habiliteit van de Universiteit van Berlijn, gebaseerd op een thesis over ondernemingsrecht. Een jaar later, op negenentwintigjarige leeftijd, werd hij benoemd tot professor van privaat- en ondernemingsrecht aan de Universiteit van Rostock. Hallstein bleef verbonden aan de universiteit tot 1941.

Hallstein werd befaamd vanwege zijn weigering van de nazi-ideologie en hield afstand van het naziregime. Bij zijn benoeming in 1941 tot professor Rechten aan de Universiteit van Frankfurt was er oppositie van nazipolitici. Zijn kandidatuur werd er echter doorgedrukt door de academici van de universiteit. Niet veel later werd Hallstein decaan van de universiteit.

Soldaat en krijgsgevangene (1942-1945) thumb|Hallstein werd gevangengenomen door Amerikaanse troepen in Cherbourg in 1944 In 1942 werd Hallstein opgeroepen voor militaire dienst en diende hij voor de Wermacht in een artillerieregiment in Noord-Frankrijk. Hallstein kreeg de titel Eerste Luitenant (Oberleutnant). Op 26 juni 1944, gedurende de Slag om Cherbourg, werd hij gevangengenomen door de Amerikaanse troepen. De rest van de oorlog verbleef Hallstein in gevangenkamp Camp Como in Mississippi. In het kamp startte hij een Kamp Universiteit en hield hij colleges over rechten. Hallstein nam deel aan het Sunflower Project, een project om voormalige Duitse soldaten her op te voeden. Hij was werkzaam voor een school in Fort Getty. Hallstein bleef krijgsgevangene van juni 1944 tot halverwege 1945.

Naoorlogse academische carrière (1945-1950) In november 1945 keerde Hallstein terug naar Duitsland. Hij zette zich in voor de heropening van de Universiteit van Frankfurt. Hallstein weigerde de functie van staatssecretaris van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van Beieren. Ludwig Erhard wilde hem graag voor deze functie hebben. Op 1 februari 1946 werd hij docent aan de Universiteit van Frankfurt en vanaf april van dat jaar werd hij rector. Gedurende deze periode was de latere Duitse bondskanselier Helmut Kohl een van zijn studenten. Hallstein behield deze aanstelling tot 1948. In dat jaar richtte hij de Zuid-Duitse Rectors Conferentie op, waar hij de eerste voorzitter van werd. Van 1948 tot 1949 werkte Hallstein als gastdocent aan Georgetown University in Washington D.C..

Hallstein was mede-oprichter van het Duitse UNESCO comité en diende tussen 1949 en 1950 als voorzitter.

Diplomatieke carrière (1950-1958) Buitenlandse Zaken aan de Kanselarij (1950-1951) De Tweede Wereldoorlog had geleid tot totale vernietiging en had het continent Europa in tweeën gesplitst door het IJzeren Gordijn. Onder de Europese partijen heerste het verlangen tot Europese samenwerking en maatregelen om toekomstige oorlogen te voorkomen. De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Robert Schuman, opperde het plan om de Duitse en Franse productie van kolen en staal onder een gezamenlijke controle te stellen. De eerste diplomatieke gesprekken werden gevoerd om dit doel meer vorm te geven. Ten tijde van deze onderhandelingen had Duitsland nog steeds zijn soevereiniteit niet teruggekregen. De buitenlandse politiek van Duitsland werd bepaald door de Hoge Commissie voor het bezette Duitsland. Er bestond geen onafhankelijk ministerie voor Buitenlandse Zaken en de buitenlandse zaken werden vaak bepaald door de kanselarij.

Konrad Adenauer besloot, op advies van Wilhelm Röpke, Hallstein naar Bonn te vragen. Hallstein werd benoemd tot hoofd van de Duitse delegatie bij de onderhandelingen van het Schumanplan in Parijs. Deze onderhandelingen leidden tot de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Hallstein en zijn Franse delegatieleider Jean Monnet stelde het Schumanplan op en de oprichting van de gemeenschap werd bekrachtigd met de ondertekening van het Verdrag van Parijs in 1951. De EGKS zou in latere decennia leiden tot de EEG en de huidige Europese Unie. In augustus 1950 werd Hallstein, tot grote verrassing, benoemd tot hoofd van Buitenlandse Zaken aan het Bundeskanzleramt. Op dat moment was er weinig bekend over Hallstein. De motieven die een rol speelden bij de benoeming waren het feit dat Hallstein geen lid was geweest van de nazipartij en dat hij goede betrekkingen had met de Verenigde Staten.

Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (1951-1958) Staatssecretaris onder Adenauer (1951-1955) thumb|Tweede lezing van de Verdragen van Parijs in het Duitse parlement in 1955 In 1951 werd het Bezettingsstatuut aangepast en mocht Duitsland een eigen Ministerie van Buitenlandse Zaken hebben. Het nieuwe ministerie werd geleid door bondskanselier Konrad Adenauer. Op 2 april 1951 werd Hallstein benoemd tot staatssecretaris. De buitenlandse politiek werd bepaald door Adenauer en zijn naasten, waaronder Hallstein en Herbert Blankenhorn. In vele opzichten fungeerde Hallstein als minister, ondanks dat de titel nooit aan hem werd toegeschreven. Al snel werd duidelijk dat de ministeries van Algemene Zaken en Buitenlandse Zaken onafhankelijk moesten worden bestuurd. Adenauer overwoog om Hallstein te benoemen, maar besloot dit niet te doen omdat Hallstein niet tot een politieke partij behoorde.

Hallstein speelde een belangrijke rol in het verwezenlijken van de doelen van het naoorlogse Duitsland. Hij wilde dat Duitsland zijn soevereiniteit terugkreeg en was een groot voorstander van de oprichting van de Europese Defensiegemeenschap. Onderhandelingen leidde tot de volgende internationale overeenkomsten: Op 26 mei 1952 werd het Verdrag van Bonn bekrachtigd. Dit verdrag werd ondertekend door de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland (West-Duitsland). Het verdrag herstelde een deel van de Duitse soevereiniteit. Over de status van West-Berlijn werd geen akkoord bereikt. Op 27 mei 1952 werd het Verdrag van Parijs bekrachtigd. Dit verdrag werd ondertekend door de Verenigde Staten, Frankrijk, Italië, België, Luxemburg, Nederland en de Bondsrepubliek Duitsland. Het verdrag moest leiden tot de oprichting van de Europese Defensiegemeenschap, maar het kreeg geen goedkeuring van het Franse nationale parlement in 1954.

thumb|De Bondsrepubliek wordt lid van de NAVO. Hallstein met Konrad Adenauer en ambassadeur Herbert Blankenhorn op de NAVO-conferentie in Parijs in 1954 Als reactie op het mislukken van de Europese Defensiegemeenschap verenigden de partijen zich in de West-Europese Unie in 1954. De Bondsrepubliek werd ook lid van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie. De poging om zaken tussen de partijen op te lossen leidde tot de Conferentie van Londen. De Duitsers werden hier vertegenwoordigd door Adenauer, Hallstein, Blankenhorn en Wilhelm Grewe. Hallstein was betrokken bij diverse onderhandelingen op de conferentie. Van 21 tot 22 oktober 1954 werd er een conferentie gehouden tussen de Geallieerden en leidde tot de beëindiging van de Duitse bezetting. Een conferentie leidde tussen de leden van de NAVO leidde tot goedkeuring voor Duits lidmaatschap. Na ratificatie van de Akkoorden van Parijs op 5 mei 1955 trad het Duitslandverdrag in werking. Dit verdrag betekende soevereiniteit voor de Bondsrepubliek Duitsland, die een volwaardig lid van de NAVO was. Wel kwam het leger van de Bondsrepubliek, de Bundeswehr, rechtstreeks onder NAVO-bevel te staan.

Na het verkrijgen van de belangrijkste buitenlandse objectieven begon Hallstein aan het opzetten van een diplomatieke dienst. Daarnaast voerde Hallstein een reorganisatie door bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zijn reorganisatie werd uitgevoerd volgens de bevindingen van het Maltzan Report. Dit rapport was opgesteld door Vollrath von Maltzan, een voormalige diplomaat van het Ministerie van Economische Zaken. Er werd kritiek geuit op het ministerie van Buitenlandse Zaken, omdat men van mening was dat er gebrek aan informatie en consultatie was. Bondskanselier Adenauer wantrouwde de Wilhelmstraße-veteranen, die allen onder het naziregime hadden gediend. Nieuwe topfuncties mochten voortaan alleen nog maar worden toegewezen aan personen zonder nazi-achtergronden. Er gingen geruchten dat er een splitsing plaatsvond op het ministerie. Aan de ene kant bevonden zich de leidinggevenden (Adenauer, Blankenhorn en Hallstein) en aan de andere kant bevonden zich de afdelingshoofden en de diplomatieke dienst. Hallstein werd bekritiseerd vanwege de Europese Defensiegemeenschap, omdat de diplomatieke dienst altijd al van mening was geweest dat de gemeenschap er nooit zou kunnen komen.

Staatssecretaris onder minister Brentano (1955-1958)