Johannes de Doper (Oudgrieks: , Iōánnēs ho Baptistḗs, de persoonsnaam is afgeleid van het Hebreeuwse , Jochanan, "JHWH heeft genade getoond") (ca. 7 v.Chr. - ca. 30, maar zeker vóór 36 n.Chr.) is binnen het christendom een profeet. In de oosters-orthodoxe kerk wordt hij Johannes Prodromos, Johannes de Voorloper genoemd.

Johannes heeft omstreeks het jaar 30 in de provincie Judea gepredikt (Lucas 3:1-2Deze passage is problematisch, maar voor een globale datering volstaat deze en zou Johannes in ca. 29 n.Chr. zijn prediking zijn begonnen. Ook zou hij vóór Jezus, dus vóór ca. 30 n.Chr. zijn geëxecuteerd. Josephus dateert Johannes' optreden niet direct, maar wekt de indruk dat hij kort voor 36 n.Chr. stierf. Historici geven vaak de voorkeur aan de datering van Lucas.). De oudste bronnen over zijn leven zijn de vier evangeliën in het Nieuwe Testament en de werken van Flavius Josephus. Ook in verschillende apocriefen van het Nieuwe Testament komt Johannes voor.

Leven Geboorte en jeugd Volgens Lucas was Johannes' moeder Elisabet verwant met Maria, de moeder van Jezus, en werd Johannes een half jaar vóór Jezus geboren. Johannes was de enige zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabet, en zou daardoor afstammen van een oud priestergeslacht: Zacharias maakte deel uit van de levitische priesterafdeling. Elisabet was onvruchtbaar, dus kinderloos, tot de aartsengel Gabriël aan Zacharias de geboorte van hun zoon aankondigde. Zij waren toen al op hoge leeftijd. Na Johannes' geboorte zong zijn vader een profetische lofzang, de "Lofzang van Zacharias" of "Benedictus" (Lucas 1:1-80).

Het verhaal over de geboorte van Johannes moet niet als een historisch verslag worden gelezen.Walter Wink (1968): John the Baptist in the gospel tradition, SNTS.MS 7, Cambridge Het volgt het vaste vertelschema dat binnen het jodendom diep was geworteld, waarbij belangrijke kinderen pas werden geboren als hun ouders op hoge leeftijd waren, daarvoor vaak onvruchtbaar.Zie de voorbeelden van Isaak (Genesis 17:15-22, 18:1-15, 21:1-8), Simson (Rechters 13:1-25), Samuel (1 Samuel 1:1-20), Melchisedek (2 Henoch 71-72) en Maria (Proto-evangelie van Jakobus 1-5) Hiermee werd aangeduid dat Johannes in de toekomst een belangrijke rol zou spelen. Dit werd versterkt door uitspraken als "de machtige hand van de Heer beschermde hem" (Lucas 1:66) en "Het kind groeide op en werd gesterkt door de Geest" (Lucas 1:80).

Verschijning Volgens Lucas verbleef de opgroeiende Johannes in de woestijn totdat zijn openbare optreden begon (Lucas 1:80). Dit was een beeld dat van veel tijdgenoten werd geschetst,Joan E. Taylor (1997): The immerser. John the Baptist within Second Temple Judaism, Grand Rapids / Michigan zoals van Banus de Esseen in Flavius Josephus.Flavius Josephus: Het leven van Josephus 7 De parallel met Elia (2 Koningen 1:8) is opzettelijk.

Van Johannes werd gezegd dat hij "een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel" droeg en "leefde van sprinkhanen en wilde honing" (Marcus 1:8; Matteüs 3:4). Bij de aankondiging van zijn geboorte was al voorspeld dat hij geen wijn of andere alcoholische drank zou nuttigen (Lucas 1:15).

Werkgebied De woonplaats van Johannes de Doper was de woestijn (Lucas 1:80, 3:2, 7:24; Marcus 1:4; Matteüs 3:1, 11:7). Om te kunnen dopen was water nodig en dan komt maar één waterloop in de buurt van een woestijn in aanmerking: de Jordaan. Deze rivier wordt dan ook in toenemende mate als werkgebied van Johannes genoemd (Marcus 1:5,9; Matteüs 3:6, 13; Lucas 4:1), waarbij Lucas het predikingsgebied heel ruim aanduidde als "de omgeving van de Jordaan" (Lucas 3:3).

In deze aspecten klinkt duidelijk de verwijzing naar de geschiedenis door van de omzwervingen van de Israëlieten in de woestijn en het betreden van het Beloofde Land met het oversteken van de Jordaan. De verwijzing wordt duidelijk door aanduidingen van de oostelijke oever van de Jordaan als "de overkant van de Jordaan" (Johannes 1:28, 3:26, 10:40), waarmee de regio ten zuiden van Jericho werd aangeduid, de "woestijn van Judea" (Matteüs 3:1), waarbij het bereik "Judea en Jeruzalem" was (Marcus 1:5; Matteüs 3:5). Het is duidelijk dat de verteller dacht aan een doorwaadbaar deel van de Jordaan.

thumb|Deel van 6e-eeuwse mozaïekkaart van Madeba, een vroeg voorbeeld van een kaart waarop Betanië en Enon naast elkaar worden afgebeeld In het evangelie volgens Johannes werd deze plek specifieker aangeduid, op twee manieren: "Tegenover Betanië" (Johannes 1:18) "In Enon, dicht bij Salim, een waterrijk gebied" (Johannes 3:23) Beide plaatsen bevinden zich in de onderloop van de Jordaan, op de oostelijke oever, en daarmee onder heerschappij van Herodes Antipas. Op vroege mozaïeken worden de plaatsen naast elkaar afgebeeld. Vermoedelijk waren er verschillende tradities over Johannes de Doper die naast elkaar bestonden. Voor het verhaal zelf leveren twee standplaatsen geen beperkingen op.

In de christelijke overlevering worden nog drie plaatsen verbonden aan Johannes de Doper: En Kerem, een stadsdeel in het westelijke deel van Jeruzalem: Zacharias en Elisabet woonden in een stad in de bergen van Judea (Lucas 1:39,40). De kluizenaar Theodosius (518) lokaliseerde deze stad als eerste op 5 mijlen van Jeruzalem. Vanaf de 8e eeuw werd deze met de naam En Kerem aangeduid. Tegenwoordig herinneren hier twee kerken aan Johannes de Doper en de ontmoeting van de twee moeders; de "Mariabron" is er een bedevaartsoord. De grot Suba, 4 kilometer ten noordwesten van En Kerem: in 1999 ontdekte Shimon Gibson een grot in Nahal Tzova, die hij op basis van een lange keten van bewijzen identificeerde als de grot waarin Johannes de Doper woonde.Shimon Gibson (2004): The cave of John the Baptist. The first archaeological evidence of the truth of the Gospel story, London Dit zou de plaats in de woestijn zijn geweest waarin Johannes zich tot aan zijn openbare optreden zou hebben opgehouden (Lucas 1:80). Bij de redenering die hiertoe leidde, zijn diverse vraagtekens geplaatst. Er is geen direct bewijs dat zonder twijfel tot deze conclusie leidt. Sebaste: in Samaria (in de tijd van de Herodianen Sebaste genoemd) staat sinds de tijd van de kruistochten een kerk die het graf van Johannes de Doper moet markeren. Het hoofd van Johannes wordt bewaard in de Omajjadenmoskee in Damascus.

Doop en prediking Het belangrijkste aspect van Johannes' bediening komt tot uitdrukking in zijn opvallende bijnaam: βαπτιστής, baptistēs, "Doper", afgeleid van βαπτιζω, baptizō, "onderdompelen". Johannes voltrok een reinigingsritueel waarbij de dopeling volledig in het stromende water van de Jordaan werd ondergedompeld. Dit ritueel bleek een identificerend kenmerk van de "Doper" te zijn geweest. Ook bij Josephus werd verwezen naar zijn doopactiviteiten (al werd het gereduceerd tot een vorm van lichaamsverzorging).Flavius Josephus: Oude geschiedenis van de Joden, 18.5:2,116-117 Ten opzichte van de in de Tora voorgeschreven zelfwassingen schijnt het doopritueel van Johannes, dat een doper bij een dopeling uitvoert, iets nieuws, vernieuwends te zijn geweest.

Onlosmakelijk verbonden met het "onderdompelen" was zijn predikings- of verkondigingsactiviteit. Pas na de eraan voorafgaande inkeer en bekentenis werd de betekenis van de doophandeling geldig. Johannes voltrok een doop "om zo vergeving van zonden te verkrijgen" (Marcus 1:4; Lucas 3:3). Daarmee vervulde hij wat over hem in zijn vaders benedictus al was voorspeld, namelijk dat hij voor de Heer uit zou gaan "om zijn volk bekend te maken met hun redding door de vergeving van hun zonden" (Lucas 1:76,77). Dat is niet meer of minder dan een combinatie van profetische en priesterlijke volmacht.

Zijn gerichtsprediking en doopactiviteiten waren Johannes' belangrijkste activiteiten. Ten slotte trad hij nog eenmaal als criticus van de tetrarch Herodes Antipas op. Terwijl de kuddes naar hem kwamen bij de Jordaan, nam hij in dit geval zelf het initiatief. Marcus en Matteüs formuleren zijn kritiek in de directe rede: "U mag niet..." (Marcus 6:18; Matteüs 14:4). Deze confrontatie met zijn landheer werd hem uiteindelijk noodlottig.

Jezus' doop

thumb|het Heilig Doopsel van Christus De korte episode van de doop van Jezus (Marcus 1:9-11; Matteüs 3:13-17; Lucas 3:21,22) blijkt een zeer complex verhaal. Een kort verslag, dat alleen het feit vertelt, wordt gevolgd door de beschrijving van een goddelijke openbaring waarin de interpretatie van het feit plaatsvindt. Er kan een toenemende marginalisatie van het verslag worden waargenomen, terwijl de interpretatie ervan wordt vergroot.

Het initiatief werd genomen door Jezus. Net als de menigten kwam hij naar Johannes bij de Jordaan om te worden gedoopt. Op dit punt voelde Matteüs het theologische probleem al en vermeldde hij een kleine dialoog (Matteüs 3:14,15). Johannes probeerde de dopeling tegen te houden met de woorden: "Ik zou door u gedoopt moeten worden, en dan komt u tot mij?" Met zijn antwoord bracht Jezus het voor Matteüs zo belangrijke kernwoord gerechtigheid in het spel: "Laat het nu maar gebeuren, want het is goed dat we op deze manier Gods gerechtigheid vervullen." Hierna werd de voltrekking kort en beknopt beschreven. Lucas snoeide de gebeurtenissen het verst terug: de doophandeling werd gereduceerd tot een relatieve bijzin, en Jezus' doop werd op één hoop gegooid met de doop van het hele volk. Het was cruciaal dat Jezus weer als een gebedspersoon bij de doop optrad.

De interpretatie heeft een drievoudige dimensie: de hemel werd geopend, de heilige Geest verscheen in de vorm van een duif en de stem van God weerklonk om de dopeling als "zoon" aan te spreken (Marcus / Lucas) c.q. aan te kondigen (Matteüs). De geopende hemel duidde aan: God nadert zijn volk. De aanwezigheid van de Geest lijkt geen algemeen kenmerk te zijn van de doop van Johannes, maar slechts een speciale gebeurtenis in het geval van deze ene dopeling te zijn geweest. De zichtbaarheid ervan ("als" een duif) is duidelijk een kenmerk om Jezus te onderscheiden van de andere dopelingen. Tenslotte diende de stem van God, waarin Psalm 2:7 resoneerde en die met Gods stem in de transfiguratie overeenkwam (Marcus 9:7; Matteüs 17:5; Lucas 9:35), het christologische belang van de prominente dopeling te benadrukken. Met deze doopdaad werd de relatie tussen Jezus en Johannes bevestigd in de zin van een leraar-leerling-relatie. Vooral Matteüs benadrukte deze relatie door de ingevoegde dialoog. De belangrijkste functie ervan is de omkering van de hiërarchie te benadrukken en opnieuw tot stand te brengen.

De evangelist Johannes benaderde de doop van Jezus volstrekt anders. In plaats van een beschrijving laat hij Johannes de Doper er alleen op terugkijken (Johannes 1:32-34): de neerdaling van de Geest was het afgesproken signaal waarop Johannes de Doper de ene als de Zoon van God uit de reeks van doopkandidaten zou kunnen herkennen. Zijn doopactiviteiten waren daarmee in het algemeen een sleepnet met als enig doel om deze ene te ontdekken en van hem te getuigen. Hiermee had hij als de Doper zijn taak volbracht en kon hij zijn discipelen naar Jezus doorverwijzen (Johannes 1: 35-37).

Discipelen Het is duidelijk dat Johannes een schare volgelingen had.Knut Backhaus (1991): Die “Jüngerkreise” des Täufers Johannes. Eine Studie zu den religionsgeschichtlichen Ursprüngen des Christentums, PaThSt 19, Paderborn Jezus' apostel Andreas, de broer van Petrus, was eerst een leerling van Johannes de Doper (Johannes 1:35-40).

Zaken waar Johannes' discipelen zich mee bezighielden: Vasten (Marcus 2:18-20; Matteüs 9:14-15; Lucas 5:33-35) Toekomstverwachtingen (Lucas 7:18-23; Matteüs 11:2-6) Gebed (Lucas 11:1) Dood en begrafenis van Johannes (Marcus 6:29; Matteüs 14:12) Opvolging van Johannes (Johannes 1:35-37) Theologische conflicten (Johannes 3:25)

In Handelingen worden verschillende personen genoemd in relatie tot Johannes de Doper: