thumb|Fra Angelico, Sint Dominicus met tonsuur

Een monnik (Grieks: μοναχος monachos, eenzaam en μονος monos, alleen) is in het christendom iemand die omwille van het Koninkrijk Gods armoede, gehoorzaamheid en kuisheid belooft, de professie van de Evangelische raden.

Een vrouwelijke monnik is zuster, non of religieuze. Een slotzuster of moniale is een contemplatieve zuster die strikt binnen de clausuur van een klooster verblijft en door plech­ti­ge ge­lof­ten ver­bon­den en ge­hou­den is het koor­ge­bed te ver­rich­ten.

Monniken wonen meestal bij elkaar in een klooster of abdij, waar ze een speciale dagindeling hebben die helemaal gewijd is aan gebed en contemplatie. Er bestaan echter sinds de 13e eeuw ook de bedelorden waarvan de monniken deels een actief bestaan hebben in de samenleving.

Kloosterleven Een monnik voelt zich geroepen zijn leven volledig te wijden aan het streven naar christelijke volmaaktheid. Leidraad hierbij zijn de zogenoemde evangelische raden.KRO-NCRV, katholiek abc, kloosterleven. Gearchiveerd op 13 oktober 2016. Hij maakt zich zo veel mogelijk vrij van prikkels uit de wereld. Door de rust en regelmaat is het kloosterleven uitermate geschikt voor gebed en meditatie. Ook veel leken (niet-kloosterlingen) bezoeken kloosters voor de rust die daar ervaren kan worden.

De levensstijl van monniken bevat vaak diverse vormen van ascese; door zoveel mogelijk de mentale en lichamelijke genietingen te beperken en de behoeften van het eigen lichaam onder controle te brengen, probeerde men de belemmeringen voor grotere geestelijke groei weg te nemen. De regels van strenge middeleeuwse kloosters schreven voor dat er meerdere malen per jaar een algemene aderlating plaatsvond. De kloosterlingen pasten de handeling in principe bij zichzelf toe.Kühler W.J. (1908), Johannes Brinckerinck en zijn klooster te Diepenveen, academisch proefschrift, W. Nevers, Rotterdam blz. 252 Het werd niet alleen beschouwd als een middel tegen veel kwalen, maar lichamelijke verzwakking moest ook de ascese bevorderen door zinnelijke gevoelens te beteugelen.

Een in afzondering levende monnik wordt heremiet, kluizenaar of anachoreet genoemd.

Oorsprong Het christelijke kloosterwezen is ontstaan uit de heremieten die zich in de tweede en derde eeuw vestigden in de Egyptische woestijn in de omgeving van Wadi Natroen. Zij waren nogal eens voor de christenvervolgingen gevlucht die regelmatig in het Romeinse Rijk plaatsvonden, en hadden ontdekt dat stilte, eenzaamheid en matigheid in voedsel, drank en slaap een vruchtbare basis voor het gebed konden vormen. De beroemdsten van deze kluizenaars zijn de heilige Paulus van Thebe en de heilige Antonius van Egypte. In het tijdperk na de christenvervolgingen werd het voor deze monniken mogelijk om hun levenswijze gezamenlijk gestalte te geven onder leiding van een ervaren geestelijke, die abt werd genoemd. Dit gezamenlijke monnikendom heet coenobitisme.

De eerste kloosterregel De vierde-eeuwse gewezen Romeinse soldaat Pachomius wordt beschouwd als degene die de eerste regels voor het kloosterleven opstelde. Basilius introduceerde deze regels in aangepaste vorm in Klein-Azië en staat daarom bekend als de vader van het oostelijke kloosterleven. Augustinus bracht het kloosterleven naar Noord-Afrika. In Ierland ontwikkelde het Keltische kloosterleven zich tot de uitvalsbasis van het missiewerk in het nog heidense Noord-Europa en de (her-)bekering van Brittannië en de grensgebieden van het vroegere Romeinse Rijk. Die waren tijdens de Grote Volksverhuizing veelal teruggevallen in heidendom.

Doordat er in het Westen verschillende regels en tradities voor het kloosterleven ontstonden was er al snel sprake van diverse onafhankelijke kloosterordes. In het Oosten is er nooit een dergelijke ontwikkeling geweest. Dit heeft geleid tot verschillende situaties in de tegenwoordige Rooms-Katholieke Kerk en de Oosters-orthodoxe kerken.

Ontwikkeling in het christelijke Westen Het rooms-katholieke kloosterwezen bestaat tegenwoordig uit een aantal grote families die onderverdeeld zijn in zogenaamde orden van contemplatieve of actieve dan wel gemengde snit. Dit is voor een groot deel de uitkomst geweest van een cyclus van idealisme en verwereldlijking. Vaak werd een kloosterorde gesticht door idealistische monniken, die in alle eenvoud het samenleven van de eerste christenen zoals beschreven in het Nieuwe Testament probeerden na te volgen. Door het succes van deze ordes groeiden ze soms uit tot grote en welvarende instellingen waar de idealen van het begin nogal eens verwaterden. Na een paar eeuwen lokte dit dan een tegenreactie uit van hervormers die terugkeerden naar de idealen van de eerste stichter(s). Vervolgens werd zo'n hervorming op haar beurt ook weer zo succesvol dat de principes waarop de gemeenschap gegrond was weer verwaterden, wat dan weer een nieuwe hervorming uitlokte. Dit proces herhaalde zich keer op keer in de loop van de geschiedenis. Zo'n zuiveringsbeweging noemt men een observantiebeweging.

Van Columbanus naar Benedictus De oudste familie in het Westen, die tegenwoordig uitgestorven is, is de familie van kloosters die leefden volgens de Ierse monnikenregels (Keltische christendom). De bekendste daarvan is de regel van Columbanus geweest. Deze kloosters lagen meestal op onherbergzame en eenzame plaatsen zoals op kleine eilandjes in de Atlantische oceaan of in onbewoonde bergstreken en kenmerkten zich door een grote nadruk op de ascese. De rigoureuze spiritualiteit van versterving maakte het leven in deze kloosters zo hard dat er behoefte kwam aan een meer gematigde variant. Die tweede familie in de westerse geschiedenis, tegenwoordig nog de grootste en bekendste, is de benedictijnse familie van kloosters die leven volgens de Regula Benedicti van de heilige Benedictus van Nursia. Hiertoe behoren de benedictijnen, de cisterciënzers, de trappisten, de camaldulenzers, de olivetanen en nog enkele kleinere gemeenschappen. De kloosters van de Ierse regels zijn grotendeels in deze familie overgegaan.

Vanaf circa 600 groeide de kloosterregel van Benedictus uit tot de overheersende in het westerse christendom. De taken van een benedictijner monnik konden worden samengevat in het motto 'ora et labora' - 'bid en werk' - dat vaak boven de hoofdingang van een klooster is aangebracht. Met 'werk' werden lichamelijke arbeid en eenvoudig handwerk bedoeld.

Onder Karel de Grote werd de regel van Benedictus de enig geldende in het Westen. Zo stichtte de Ierse monnik Bonifatius zelf op zijn zendingsreizen tot in het Rijnland de nodige benedictijner kloosters en maakte hij voor de missie effectief gebruik van het zich uitbreidende kloosternetwerk. De kloostergemeenschappen speelden vaak ook een belangrijke rol in het ontginnen van woeste gronden.

Daarnaast stuurden welgestelden, bij gebrek aan onderwijsinstellingen, hun kroost vaak een aantal jaren als oblaten het klooster in om intellectuele bagage op te doen. De kloosters werden culturele centra die een rol vervulden voor de hele gemeenschap. Hun culturele succes kon op gespannen voet komen te staan met het regiem van bidden en werken.

Abdij van Cluny Er werden hervormingspogingen ondernomen om het benedictijnse ideaal te herstellen. Deze pogingen sorteerden pas merkbaar effect toen de kloosters bij het uiteenvallen van het Frankische Rijk meer en meer in verval raakten.

De Abdij van Cluny (gesticht rond 909) was toonaangevend in deze herbezinning op de door Benedictus opgestelde regel. Tijdens de Cluniacenzische Hervorming werden de banden tussen de diverse kloosters stevig aangehaald. Niet elk klooster had in het vervolg een abt: kleinere kloosters werden geleid door een prior die verantwoording schuldig was aan de abt van de Abdij van Cluny. De abt op zijn beurt viel onder het gezag van de paus. De kloosters werden hiermee onafhankelijk van bisschoppen of plaatselijke adel: ze hadden een eigen organisatie waarop ze hun macht konden baseren. De kloosters gingen een politieke rol spelen in de voortdurende strijd tussen paus, lokale geestelijkheid en adel, zodat er van bidden en werken weer steeds minder terechtkwam.

De inrichting van cluniacenzerkloosters was ter ere van God gedrenkt in een cultuur van schoonheid. Toen vanaf 1100 de economie in West-Europa opbloeide kreeg dit streven zijn beslag in steeds overdadiger vormen van versiering. Omdat Jezus, volgens Matteüs 10:9, over vrijwillige armoede van zijn apostelen had gesproken, ontstond tegen deze toestand protest.

Cisterciënzers en kartuizers Robert van Molesme kreeg van Paus Gregorius VII de taak enkele kloosters te hervormen en stichtte in 1075 de Abdij van Molesmehttps://www.newadvent.org/cathen/13097d.htm. Gearchiveerd op 3 juli 2025. In 1082 kreeg hij het bezoek van Bruno van Keulen, die in 1084 het klooster La Grande Chartreuse, de bakermat van de kloosterorde, de kartuizers stichtte. Deze monniken leven als kluizenaars in een (zeer beperkte) vorm van gemeenschap. Zij hebben nooit enige hervorming van betekenis doorgemaakt omdat zij sinds hun stichting altijd aan hun onverkorte regel hebben vastgehouden. Zelfs het Tweede Vaticaans Concilie heeft bij hen nauwelijks verandering teweeggebracht.

In 1098 stichtte Robert van Molesme in Cîteaux de belangrijkste orde die protesteerde tegen de exuberante levensstijl en de bouw van Cluny III. Naar de Latijnse naam voor Cîteaux – Cistercium – werden deze kloosterlingen cisterciënzers genoemd. De toonaangevende geestelijke Bernard van Clairvaux kwam uit hun midden voort.

In de sober ingerichte kloosters van de cisterciënzers heerste stilte. Ze waren veelal gevestigd in onherbergzame streken, zodat de monniken zich met zwaar handwerk moesten bezighouden om te kunnen overleven. Er werd land ontgonnen. De kloosters groeiden uit tot succesvolle boerderijen, schapenfokkerijen, bierbrouwerijen enz. Het handwerk werd meer en meer verricht door ongeletterde lekenbroeders, die niet als volwaardige monniken werden beschouwd. Door dit economische succes kwam van bidden en werken steeds minder terecht.

Ridderordes Met de kruistochten werd ook het verschijnsel van de ridderordes geïntroduceerd. Dergelijke ordes probeerden de gedrevenheid van monnik en soldaat te verenigen. Bijvoorbeeld: Tempeliers Hospitaalridders Duitse Orde.

Bedelorden

De bedelordes ontstonden vrijwel tegelijkertijd in de 13e eeuw. Hoewel het hier niet om strikt contemplatieven gaat, worden franciscanen en dominicanen soms toch monniken genoemd. Wel zijn er altijd onder de franciscanen broeders geweest die zich terugtrokken als heremiet. Als laatste voorbeeld in Nederland is de kluis in Neerlangel een tijdlang bewoond geweest door een heremiet uit de franciscaanse traditie. Alleen de vrouwelijke takken van de verschillende bedelorden zijn strikt genomen comtemplatief.

Minderbroeders of franciscanen - In 1209 gesticht door Franciscus van Assisi. Clarissen - In 1212 door Franciscus van Assisi gestichte orde voor vrouwen. Clara van Assisi was de eerste die de kloostergeloften aflegde en wordt daarom als medestichter beschouwd. Dominicanen - In 1216 gesticht door Dominicus de Guzmán. Karmelieten - Ontstaan uit een laura van Westerse kluizenaars of heremieten die leefden op de berg Karmel in Palestina, maar in de tijd van de kruistochten werden ze door de Saracenen van de berg verdreven.

Parallel met de grote benedictijnse beweging ontstonden andere monastieke takken met een vaak uitgesproken eigen spiritualiteit. Een tweede grote familie met zeer uiteenlopende kinderen bestaat uit kloostergemeenschappen met de regel van Augustinus. Hiertoe behoren de augustijner heremieten, de augustijner koorheren, de norbertijnen, de predikheren of -broeders, de birgittinessen en birgittijnen, de visitandinnen en enkele kleinere gemeenschappen. Een hele serie congregaties uit de 19e eeuw leeft wel volgens de regel van Augustinus, maar wordt niet tot de orden gerekend.

Trappisten