Homoseksualiteit is seksuele gerichtheid op mensen van hetzelfde geslacht. De term homoseksualiteit wordt vaak synoniem gebruikt voor mannelijke homoseksualiteit, mede omdat ook vanuit de geschiedschrijving de nadruk op homoseksualiteit tussen mannen ligt.; ; (2017) Een vrouw met een romantische en seksuele voorkeur voor andere vrouwen wordt doorgaans lesbisch genoemd en de voorkeur zelf lesbianisme.
Homoseksueel gedrag is bij meer dan 1.500 diersoorten geconstateerd.
De exacte oorzaak van de seksuele oriëntatie is niet bekend, maar vermoed wordt dat ze voortkomt uit een complex samenspel van genetische, hormonale en omgevingsafhankelijke invloeden. (2004): 'Sexual orientation and adolescents' in Pediatrics, Volume 113, Issue 6, p. 1827–1832. Gearchiveerd op 24 september 2022.; (2014): Marriages, Families, and Relationships. Making Choices in a Diverse Society, Cengage Learning, p. 82 (2014): Principles and Practice of Psychiatric Nursing, Elsevier Health Sciences In de loop van de geschiedenis zijn veel theorieën over de oorzaak van seksuele geaardheid voorgesteld, maar tot dusver wordt geen hiervan breed geaccepteerd. Desondanks zijn er sterke aanwijzingen dat niet-sociale, biologische oorzaken van groot belang zijn bij de totstandkoming van de seksuele oriëntatie.; ; ; ; ; 'Sexual Orientation, Controversy, and Science' in Psychological Science in the Public Interest, Volume 17, Issue 21, p. 45–101. Gearchiveerd op 11 juni 2023. (2017): Gay, Straight, and the Reason Why. The Science of Sexual Orientation, Oxford University Press Er is geen bewijs voor het idee dat opvoeding of ervaringen uit de vroege jeugd hierbij een rol spelen.
Hoewel homoseksualiteit van alle tijden is, werd en wordt het in veel culturen afgekeurd, waardoor homoseksuelen slachtoffer zijn geworden van achterstelling, discriminatie of vervolging. Sinds de negentiende eeuw hebben in de westerse wereld homo's en lesbiennes zich hiervan proberen te bevrijden door middel van een emancipatiebeweging die in diverse landen veel van haar doelstellingen heeft weten te realiseren. Daarnaast is er een kleine, maar kenmerkende homocultuur ontstaan.
Terminologie thumb|Brochure van het NWHK uit 1912 met de termen uranisme en homosexualteit. De term homoseksualiteit is een hybride samenstelling van het Griekse ὅμοιος (homoios), dat gelijk betekent, en sexus, Latijn voor geslacht. Homo-seksueel wordt dan het best vertaald met gelijk-geslachtelijk (vergelijk de hybride samenstelling auto-mobiel, van Grieks αὐτός: zelf en Latijns mobilis: bewegend). De veel gebruikte afkorting homo is dus een Griekse ontlening en heeft derhalve etymologisch niets uit te staan met Latijns homo (mens, zoals in homo sapiens, de denkende mens, in de paleontologie).
Het woord homoseksueel werd in 1869 bedacht door de Hongaarse journalist Karl Maria Kertbeny. Seksuele voorkeur voor de andere sekse wordt sinds het begin van de twintigste eeuw heteroseksualiteit genoemd. Aantrekking tot beide seksen (in meer of mindere mate) heet biseksualiteit. Deze woorden worden ook nog weleens foutief gespeld als homo-, hetero-, en bisexueel, dus met x in plaats van met ks.x of ks Woordenlijst Nederlandse Taal, Leidraad hoofdstuk 3.5 Het woord wordt vaak in verkorte vorm, homo, gebruikt voor een homoseksuele man.
Al wat eerder (in 1864) had de Duitse jurist Karl Heinrich Ulrichs de term uranisme bedacht als een neutraler alternatief voor het tot dan toe gangbare woord sodomie, waarmee homoseksuele handelingen als zondig werden bestempeld. Een homoseksuele man duidde Ulrichs aan als 'urning' (in het Nederlands ook wel 'uraniër') en een lesbische vrouw als 'urninde'. Na 1900 vonden deze termen ook in Nederland ingang, onder meer via de schrijver Arnold Aletrino en emancipator Jacob Schorer, maar na de Eerste Wereldoorlog werd homoseksualiteit geleidelijk aan algemeen gangbaar.
Totaan de Tweede Wereldoorlog werd de terminologie op dit gebied vaak uit het Duits en Frans overgenomen, nadien kwamen en komen ze vrijwel uitsluitend uit het Engels. Zo werd in de jaren tachtig het Engelse woord 'gay' ook in Nederland gangbaar, dat hier een meer eufemistische en trendy klank heeft dan homo. Gay betekende oorspronkelijk 'blij', 'vrolijk' of 'uitgelaten', maar werd in de jaren zestig in de Verenigde Staten een term om homoseksuelen aan te duiden die trots voor hun geaardheid uitkomen.Thijs Bartels en Jos Versteegen, "Homo Encyclopedie van Nederland", Amsterdam 2005, p. 88-90.
Voor het verlangen van man of vrouw naar een geslachtsgenoot, maar niet speciaal een seksuele gedraging, werd in Nederland en België ook wel de term homofilie gebruikt. Dit woord werd in 1949 door homobelangenorganisatie COC geïntroduceerd om het seksuele aspect van homoseksualiteit te verhullen en gold tot in de jaren 1970 als meer beschaafd, maar tegenwoordig wordt 'homofiel' doorgaans als denigrerend ervaren.
Iemand die louter sociale contacten met mensen van hetzelfde geslacht verkiest, is homosociaal. Andere nieuwe woorden zijn 'homosueel', een eufemisme dat door de schrijver Gerard Reve bedacht werd, en 'hotero', een door de zanger Jan Rot gepopulariseerde term voor homo en hetero samen.
Vanaf midden jaren negentig werd 'homo' ook opgenomen in bredere termen. Eerst in Vlaanderen, maar ook wel in Nederland kwam het assemblagewoord holebi (homo, lesbisch, bi) in gebruik, met samenstellingen als holebiseksueel, holebiseksualiteit. Internationaal worden de verschillende niet-heteroseksuele voorkeuren doorgaans samengevat met de Engelstalige afkorting LGBT (lesbian, gay, bisexual, transgender), hoewel transgenders niet noodzakelijk homoseksueel zijn.
Binnen de medische wetenschap en de gezondheidszorg wordt de term 'mannen die seks hebben met mannen' (MSM) en 'vrouwen die seks hebben met vrouwen' (VSV) gehanteerd. Deze termen worden gebruikt om iemands seksuele gedrag te beschrijven, onafhankelijk van de seksuele identiteit.medicinfo.nl - MSM: mannen die seks hebben met mannen
Geuzennamen Voor mannelijke homoseksuelen ontstonden in de loop der tijd verschillende scheldwoorden. Deze refereren vaak aan vrouwelijkheid, overeenkomstig de 19e eeuwse theorie van de seksuele inversie, waarin homoseksualiteit werd gezien als het hebben van een "vrouwelijke ziel in een mannelijk lichaam" en men vond dat een homo geen echte man was.Gert Hekma, Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd, Amsterdam 2004, p. 47. Toen de homobeweging in de jaren zeventig activistischer en radicaler werd ging zij dergelijke scheldwoorden als geuzennaam gebruiken, enerzijds als uiting van assertiviteit en zelfverzekerdheid, anderzijds om de buitenwereld te confronteren met de discriminatie waar die woorden blijk van geven.Rob Tielman: Homoseksualiteit in Nederland. Studie van een emancipatiebeweging, Uitg. Boom, Amsterdam 1974, p. 256. De bekendste scheldwoorden die tot geuzennamen werden zijn: Flikker: Nederlands scheldwoord voor een homoseksuele man, waarvan de herkomst niet duidelijk is. Een waarschijnlijke verklaring is dat het een verkorting is van sodeflikker, wat van flikkeren in de zin van 'onrustig fladderen' komt.Thijs Bartels en Jos Versteegen, "Homo Encyclopedie van Nederland", Amsterdam 2005, p. 89. Flikker werd door strijdbare homo's als geuzennaam gebruikt, onder meer door organisaties als het Flikkerfront, de Roze Flikkers en de Rooie Flikkers. Ook was er de punkband Tedje en de Flikkers en werd van 1980 t/m 1999 de Flikkeragenda uitgegeven. Janet of jeannet: in Vlaanderen het meest gebruikelijke scheldwoord voor een (verwijfde) homoman, mogelijk afgeleid van Jeanette, zoals veel hoeren zich al in de 15e eeuw noemden. De term komt in diverse samenstellingen voor, zoals kantjanet (een homo aan de zelfkant) en janettenkot (voor een homocafé) en werd als geuzennaam gevoerd, bijvoorbeeld in de leus "potten en janetten tegen de raketten" tijdens vredesdemonstraties in de jaren tachtig.Marc de Koster, Groot scheldwoordenboek: jeannet, janet, 2007.Roze Aktiefront: Holebi’s aanwezig in de Sociale Strijd Mietje: scheldwoord voor een vermeend slappe en zwakke homoseksuele man, afgeleid van sodomie. Verder verkort tot 'mie' werd het in de jaren zeventig gebruikt in samenstellingen om diverse soorten homo's ('mieën') mee aan te duiden: kantoormie, relmie, kunstmie, en er was het adjectief 'mieus' voor verwijfd.Thijs Bartels en Jos Versteegen, "Homo Encyclopedie van Nederland", Amsterdam 2005, p. 92. De term werd ook als geuzennaam gebruikt, zo was Mietje bijvoorbeeld de titel van het tijdschrift van de Rooie Flikkers. Nicht: in Nederland geaccepteerde benaming tussen homo's onderling, maar vaak afkeurend bedoeld door buitenstaanders om er het vrouwelijke van homo's mee aan te duiden. De term 'nigt' werd reeds begin 18e eeuw door sodomieten onderling als codewoord gebruikt. Samenstellingen met dit woord zijn onder meer: leernicht (van leerfetisjisme), Reguliersnicht (van Reguliersdwarsstraat), relnicht, roddelnicht en nichtenkit (voor homokroeg). Poot: scheldwoord voor homo's, vermoedelijk afgeleid van 'ruigpoot', de behaarde, ruige kant van de hand, verwijzend naar de rug, oftewel de "verkeerde kant" van de sekspartner. Ook gebruikt als geuzennaam en in samenstellingen als potenrammen (voor antihomoseksueel geweld) en broodpoot (voor homoseksuele prostitutie). Bij het COC traden twee decennia lang de "Freules van Pothoven tot Ruigenhoek" op met travestiecabaret en toneelvoorstelligen vol dubbelzinnige woorden uit de homoseksuele subcultuur.Thijs Bartels en Jos Versteegen, "Homo Encyclopedie van Nederland", Amsterdam 2005, p. 92 & 154. Utrechtenaar: in Nederland een tijd lang een scheldwoord voor een homoseksuele man, verwijzend naar de Utrechtse sodomieprocessen. De term werd vooral door mensen van buiten de stad Utrecht gebruikt. Zo werden in het Utrechtsch Nieuwsblad aanvankelijk zowel 'Utrechtenaar' als 'Utrechter' gebruikt, maar vanwege de negatieve connotatie van 'Utrechtenaar' besloot de redactie rond 1947 om voortaan alleen 'Utrechter' te schrijven. Utrechtse homoseksuelen gebruiken het woord als geuzennaam.Queer U Stories: ‘Utrechtenaar’ in de ban
Lesbische vrouwen Voor homoseksuele vrouwen bestaan in het Nederlands de volgende woorden: Lesbische vrouw: nu gangbare aanduiding voor homoseksuele vrouwen, ook door henzelf gebruikt. Lesbienne: verouderde term voor homoseksuele vrouwen en destijds gebruikt als tegenhanger van homo(seksueel). Vergelijk de in onbruik geraakte aanduiding homofiel. Lesbo: steeds vaker voorkomende inkorting van lesbische vrouw of lesbienne, met een wat stoerdere klank, ook als tegenhanger van homo. Pot: van lollepot afgeleid scheldwoord voor lesbiennes, maar door hen zelf ook als geuzennaam gebruikt, onder meer tijdens demonstraties, maar bijvoorbeeld ook bij "potten- en flikkerdiscotheek" De Trut. Tribade: ouderwets woord voor lesbische vrouw. Sapphiste: een archaïsch woord dat naar Sappho verwijst, hoewel zij mogelijk een wijdere seksualiteit (wat we heden ten dage biseksueel of panseksueel zouden noemen) had dan het gebruik van dit woord suggereert.
Daarnaast bestaan er in de seksuele volkstaal nog een hele reeks andere (scheld)woorden voor homoseksuelen en homoseksualiteit.
Algemeen thumb|Een lesbisch stel in Zuid-Afrika thumb|Een homoseksueel stel kijkt samen een film
Percentages Mensen met een min of meer sterke homoseksuele voorkeur en activiteiten vormen een minderheid van de totale bevolking. In de twintigste eeuw werd de grootte van deze minderheid geschat op waarden uiteenlopend van 1% en 37% van de bevolking, maar doordat het onderwerp nog steeds moeilijk ligt in de samenleving, is het moeilijk de aantallen in harde cijfers uit te drukken. In doorsnee lijken de onderzoekingen in zowel de Verenigde Staten als Europa aan te geven dat 10% of meer van de mensen ooit een homoseksueel contact heeft gehad, en dat 2% tot 5% van de mensen daar een sterke voorkeur voor heeft.