Het Verdrag van Moskou (Russisch: , , Georgisch: , ) was een verdrag dat op 7 mei 1920 gesloten werd tussen bolsjewistisch Rusland en de Democratische Republiek Georgië, waarbij Georgië de jure erkend werd als een onafhankelijk land in ruil voor de belofte om geen troepen op Georgisch grondgebied toe te laten die vijandig waren jegens Sovjet-Rusland.
Achtergrond miniatuur|Grigol Oeratadze, de Georgische afgezant in Moskou en ondertekenaar van het verdrag De Democratische Republiek Georgië verklaarde zich op 26 mei 1918 onafhankelijk van de Transkaukasische Democratische Federatieve Republiek, die zich op zijn beurt een maand eerder onafhankelijk had verklaard van Sovjet-Rusland. De Georgische republiek werd geleid door de mensjewistische Sociaaldemocratische Partij en werd op dat moment niet erkend door de bolsjewieken, die in Rusland de macht hadden overgenomen. De Georgische regering slaagde er in de winter van 1920 in de facto erkenning te krijgen van de geallieerden.
Sovjet-erkenning In april 1920 vond succesvolle bolsjewistische staatsgreep in Bakoe plaats. Enkele dagen daarna vond een soortgelijke poging tot een bolsjewistische staatsgreep in Tbilisi plaats, gecombineerd met een poging van eenheden van het Rode Leger op 2 mei 1920 Georgië binnen te dringen. Beiden mislukten door Georgische weerstand, waarna de Russische regering van Vladimir Lenin ermee instemde een verdrag met Georgië te ondertekenen en de onafhankelijkheid de jure van Georgië te erkennen. Het Rode Leger had het in deze periode zwaar in de Pools-Russische Oorlog, waardoor de Sovjets zich genoodzaakt zagen hun ambities voor de verovering van Transkaukasië bij te stellen.
De Georgische prijs voor de erkenning van de republiek was dat zij geen onderdak mochten verlenen aan buitenlandse strijdkrachten die vijandig stonden tegenover Sovjet-Rusland. Het gevolg was dat de Britten hun militaire aanwezigheid in het land moesten beëindigen. Daarnaast moesten de Georgiërs de bolsjewistische communistische partij volledig legaliseren en moesten ze alle communistische gevangenen vrijlaten. miniatuur|Lev Karachan, de Russische vice-minister van buitenlandse zaken en ondertekenaar van het verdrag Veel Georgische politici, waaronder de minister van Buitenlandse Zaken Evgeni Gegetsjkori, beschouwden deze clausules als een inbreuk op de Georgische soevereiniteit en wezen de Russische voorwaarden af. De Georgische premier Noë Zjordania wilde vooral de internationale erkenning van Georgië veiligstellen en stemde in met de voorwaarden. Het verdrag werd op 7 mei 1920 in Moskou ondertekend door de Georgische vertegenwoordiger in Moskou, Grigol Oeratadze, en de Russische vice-volkscommissaris (vice-minister) van buitenlandse zaken Lev Karachan.
Verdragsartikelen De belangrijkste verdragsbepalingen gingen over het erkennen van de republiek als onafhankelijke soevereine staat, het Russische afstand doen van territoriale claims op Georgisch territorium, de voorlopige bepaling van de Russisch-Georgische grens, de territoriale omvang van de republiek, het verbod op buitenlandse Rusland-vijandige troepen op Georgisch grondgebied en de legalisering en amnestie van bolsjewieken in Georgië.
Artikel 1: erkenning van de Georgische soevereiniteit
Artikel 2: binnenlandse aangelegenheden Dit artikel bepaalde dat Rusland zich niet in de binnenlandse aangelegenheden van Georgië zou mengen:
Artikel 3: voorlopige gedemilitariseerde Russisch-Georgische grens
Artikel 4: Georgische gebieden Dit artikel definieerde Georgische gebieden en verklaarde dat Rusland elk gebied dat Georgië bij verdrag van zijn buren zou kunnen verwerven, als behorend tot Georgië zou erkennen.
Artikel 5: buitenlandse troepen in Georgië Dit artikel legde de Georgische belofte vast om alle militaire eenheden die de Russische regering en onafhankelijkheid vijandig gezind waren te ontwapenen en te interneren en daarbij desnoods geweld toe te passen (artikel 5.11).
Artikel 10: vrijlating communistische vervolgden
Geheim supplement Het geheime supplement bevatte een clausule over het legaliseren van de communistische partij:
Nasleep miniatuur|Door het verdrag kwam een einde aan de Britse aanwezigheid in Batoemi Ondanks de blijdschap over het diplomatieke succes hekelde de publieke opinie in Georgië het verdrag als een “verhulde onderwerping van Georgië aan Rusland”, toen details van de voorwaarden naar buiten kwamen. De Britse hoge vertegenwoordiger Harry Luke schreef in juni 1920 daarover in zijn dagboek na de publicatie van het verdrag. Hij constateerde ook dat de kleine geallieerde troepenmacht, die in oblast Batoemi aanwezig was, zich mogelijk zou moeten terugtrekken omdat hun aanwezigheid tegen het verdrag kon worden beschouwd.
Het verdrag loste het conflict tussen Rusland en Georgië niet op. Sovjet-Rusland had weliswaar de onafhankelijkheid van Georgië erkend, de uiteindelijke omverwerping van de Georgische mensjewistische regering was zowel bedoeld als gepland. Het verdrag was slechts een vertragingstactiek van de kant van de bolsjewieken. Het Rode Leger moest in 1920 de capaciteiten inzetten in de moeizaam verlopende Pools-Russische Oorlog.
De Georgische autoriteiten lieten ongeveer 900 bolsjewieken vrij uit de gevangenis in overeenstemming met het verdrag. De Communistische Partij van Georgië werd nieuw leven ingeblazen en stond onder de coördinatie van het Kaukasusbureau van de Russische Communistische Partij. De partij begon meteen een activistische campagne tegen de mensjewistische regering door het organiseren van lokale opstanden. Rusland had intussen een diplomatieke missie in Tbilisi geopend met 300 werknemers met diplomatieke onschendbaarheid, die zich bezighielden met ondermijnende activiteiten. De bolsjewistische activisten werden geregeld gearresteerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken onder leiding van Noë Ramisjvili, wat leidde tot protesten van de Russische ambassadeur Sergej Kirov.
In mei en juni 1920 vonden er verschillende door de communisten georganiseerde incidenten plaats in Batoemi. In juni kwam het tot een grote Ossetische bolsjewistische opstand in het noorden van het hedendaagse Zuid-Ossetië. Russische milities uit de noordelijke Kaukasus trokken de bergen over, maar werden door de Georgische krijgsmacht tegengehouden. Negen maanden na het verdrag lanceerde het Rode Leger in februari 1921 een offensief tegen Georgië, nadat in het aan Armenië grenzende Bortjsalo boerenopstanden waren georganiseerd.
Zie ook Verdrag van Poti (1918) - Georgisch-Duits verdrag voor de erkenning van de Georgische onafhankelijkheid. Verdrag van Batoemi (1918) - Georgisch-Ottomaans verdrag voor de erkenning van de Georgische onafhankelijkheid.
Bronnen
Categorie:1920 Moskou en Georgië (1920) Moskou (1920) Categorie:Geschiedenis van Rusland Categorie:Geschiedenis van Georgië Categorie:Democratische Republiek Georgië