Pieter Corneliszoon Hooft (Amsterdam, 16 maart 1581 – Den Haag, 21 mei 1647) was een Nederlandse dichter, toneelschrijver en historicus, alsmede drost van Muiden en baljuw van Naarden. Hooft werd de meest karakteristieke exponent van de renaissance in Nederland en introduceerde de renaissancistische vormen in de Nederlandse literatuur. In het eerste kwart van de zeventiende eeuw schiep Hooft zowel in de lyriek als in het drama de modelwerken waaraan de andere literatoren zich zouden optrekken.Lieven Rens, Acht Eeuwen Nederlandse Letteren. Van Van Veldeken tot vandaag. Tweede herwerkte uitgave. Antwerpen/Amsterdam: Uitgeverij De Nederlandse Boekhandel, 1975. Literatuurcriticus Kees Fens noemde hem 'de eerste moderne dichter' in de Nederlandse taal.Fens (1990), p. 8.

Voorzien van een gedegen opleiding reisde Hooft, die vermoedelijk dan al zijn eerste toneelstuk Achilles en Polyxena had voltooid, van 1598 tot 1601 door Frankrijk en Italië. Na terugkeer voltooide hij in 1606 zijn rechtenstudie en beleefde enkele amoureuze avonturen voordat hij in 1610 Christina van Erp huwde. Zijn benoeming tot baljuw van Gooiland in 1609 gaf hem de gelegenheid zich op het Muiderslot te vestigen, waarvan hij een intellectueel-artistiek centrum maakte, dat in de negentiende eeuw de Muiderkring genoemd werd. Ook werden de taalkundige kwesties die Hooft bezighielden besproken, zoals spelling, naamvalsleer, en een zuivere woordkeus. In 1615 overleed een van zijn vier kinderen; nadat in de jaren van 1620 tot en met 1624 ook zijn andere kinderen en zijn echtgenote overleden,Stamboom PC Hooft in Tricht Brieven van PC Hooft 1976 raakte Hooft in een diepe crisis, waaraan een einde kwam toen hij in 1627 een tweede huwelijk sloot, met weduwe Leonora Hellemans, die twee dochters meenam. Uit dit huwelijk werden een dochter en een zoon geboren. Zijn resterende jaren wijdde hij aan zijn bestuurlijke taken en het schrijven van zijn belangrijk, doch onvoltooid gebleven 27-delig geschiedkundig werk de Nederlandsche Historien, dat de geschiedenis van de Nederlandsen sinds 1555 en daarmee een groot deel van het verloop van de Tachtigjarige Oorlog beschrijft.

In het begin van de zeventiende eeuw schreef hij veel sonnetten en liefdesliederen, in 1611 verschenen in Hoofts debuutbundel Emblemata amatoria, waarmee hij die genres in het Nederlands introduceerde. Zij blinken uit door de combinatie van oorspronkelijkheid en beheersing van conventie, en frisheid aan diepgang. De verbinding van volkse kracht met het vermogen om schoonheid te scheppen stempelen hem tot 'onze renaissancist bij uitstek'.Rens (1975), p. 44. Hooft baseerde zich op Italiaanse modellen. In 1605 schreef hij de pastorale tragedie Granida, naar de herdersspelen van Guarini en Tasso. Met zijn Senecaanse tragedie Geeraerdt van Velsen uit 1613 introduceerde hij de eenheid van plaats in het Nederlandse drama.Smit, W.A.P. (1959). 'Hoofdstuk II: Lucifer 1654.' Van Pascha tot Noah. Een verkenning van Vondels drama's naar continuïteit en ontwikkeling in hun grondmotief en structuur door – Deel 2: Salomon – Koning Edipus. Eerste druk 1959. Tweede druk, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle 1970, p. 87. De komedie Warenar uit 1616, zijn bekendste werk, is gebaseerd op Aulularia van Plautus. In 1618 begon Hooft aan zijn eerste historische werk, de biografie van Hendrik IV van Frankrijk: Hendrik de Groote, zijn leven en bedrijf verscheen in 1626 en leverde hem in 1639 een Franse riddertitel op. Van 1629 tot 1636 vertaalde hij Tacitus, bij wijze van vingeroefening voor de Nederlandsche Historien, het grote geschiedwerk waaraan hij in 1628 was begonnen. De eerste twintig boeken daarvan waren in 1638 voltooid en verschenen in 1642. Ten tijde van zijn overlijden in 1647 waren nog eens zeven boeken van dit project gereed.

thumb|Het Muiderslot thumb|Werkkamer van P.C. Hooft op het Muiderslot

Levensloop Jeugd (1581-1598) Pieter Corneliszoon Hooft werd op 16 maart 1581 in Amsterdam geboren als oudste kind van de koopman en schepen Cornelis Pieterszoon Hooft en Anna Jakobsdochter Blaeu. Zijn ruimdenkende vader was niet aangesloten bij een kerkgenootschap en beleed een onleerstellig christendom, zijn moeder kwam uit een familie van doopsgezinden.Haasse (1981), p. 8.Van Tricht (1951), p. 8-9. Zes jaar bleef hij enig kind, toen kwamen eerst twee zusters en daarna twee broers.Van Tricht (1951), p. 9Haasse (1981, p. 10) noemt geen vier maar vijf kinderen: Jakob, Hendrik, Agatha, Margriet en Johanna. In 1588 werd zijn vader Cornelis gekozen in het college van vier burgemeesters.Haasse (1981), p. 19. Hoofts geboortehuis, de burgemeesterswoning, stond op de Nieuwendijk bij de Haarlemmersluis. Hij groeide op in het haringpakkerskwartier aan de IJ-kant. Zijn overgrootvader was nog schipper, maar veertien van Hoofts ooms en neven waren koopman, waarvan elf in Amsterdam. Van vaderskant zaten er zes in raad of vierschaar.Van Tricht (1951), p. 8. Hooft werd opgevoed in een tolerant humanistisch milieu. Als burgemeesterszoon raakte hij al jong op de hoogte van de stedelijke en landelijke politiek, en van de tegenstellingen op godsdienstig terrein.Duits (2005), 205.

Over zijn vroegste scholing is niets bekend. Biograaf Hella Haasse suggereert dat deze begonnen moet zijn rond 1585, het jaar dat de naburige Herengracht gegraven werd, en dat Hooft wellicht onderricht werd door een van de uit Antwerpen afkomstige intellectuelen die een goede onderwijsreputatie hadden omdat ze ook Frans en geschiedenis op het lesrooster hadden staan. Zijn vader wilde Hooft zo goed mogelijk op de Latijnse school voorbereiden.Haasse (1981), p. 13.

Wanneer Hooft de Latijnse school begon te doorlopen, is niet bekend. De school was gevestigd aan een veertiende-eeuws pand aan de Oudezijds Voorburgwal en omdat dat onderkomen te klein geworden was, verhuisde de school in 1594 naar de Agnietenkapel. Het vertalen van klassieke schrijvers als Homerus, Cicero, Seneca en Tacitus leidde tot een eerste creatieve impuls: het toneelstuk Achilles en Polyxena moet Hooft op veertien- tot zestien-jarige leeftijd geschreven hebben.Haasse (1981), p. 15. Het werd opgevoerd in de rederijkerskamer waarvan zijn vader lid was, 'In Liefde bloeyende'.Haasse (1981), p. 16. Hoofts eerste biograaf Gerard Brandt vermeldt dat Hooft nog voor 1600 'ettelijke jaren' studie in Leiden volbracht. Veel kenners zijn van mening dat Brandt zich in de datering vergist,Van Tricht (1951, p. 9): De 'goed ingelichte biograaf Brandt liet Hooft tien jaar te vroeg naar Leiden gaan'; 'op een gewichtig punt is hij er tien jaar naast' (p. 19) maar volgens Haasse is dit plausibel, omdat het ongebruikelijk was na het vijftiende nog op de Latijnse School te zitten en de in 1575 opgerichte universiteit van Leiden in 1592 een academisch toelatingsexamen verplicht stelde waarop Hooft zich wellicht wilde voorbereiden.Haasse (1981), p. 20. Mogelijk ging het om een internaat, waar Frans en Italiaans, naast een cultuurtaal ook de belangrijkste internationale taal van het bankwezen. In elk geval kon Hooft in 1598 sonnetten van Petrarca uit het Italiaans vertalen en was hij op de hoogte van de eigentijdse Franse literatuur. Als Hooft inderdaad al voor 1600 in Leiden onderwijs volgde, zou dit ook Brandts mededeling verklaren dat Hooft in Leiden met Hugo de Groot bevriend raakte.Haasse (1981), p.21.

Verblijf in Italië (1598-1601) Na de Latijnse School werd hij door zijn vader, zoals gebruikelijk was met zonen uit gegoede families, een educatieve reis naar Frankrijk en Italië gestuurd, de zogeheten grand tour. Deze reis zou drie jaar duren en ving aan toen Hooft zeventien was. Op 4 juni 1598 vertrok hij per schip naar La Rochelle in de Golf van Biskaje, waar hij vermoedelijk bij zijn neef Pieter Jansz. Hooft op het handelskantoor werkte.Haasse (1997), 26 Op vier februari 1599, zo begint hij zijn Reisheugenis, trok hij verder naar Italië en ging via Marseille naar Genua en vandaar naar Padua, waar hij een maand verbleef. Vervolgens bracht hij drieënhalve maand in Venetië door, waar zijn vader vermoedelijk handelsbelangen had, en daarna een maand in Rome en nog een maand in Napels. Hoewel hij een omweg maakte om in Livorno te geraken, bleef hij er slechts één dag, en daarna zeven maanden in Florence en nog eens vijf maanden in Venetië. In zijn Reis-heuchenis noteert hij bezienswaardigheden, zij het nauwelijks iets over de beeldende kunsten en helemaal niets over het landschap. Ook maakt hij aantekeningen over de bestuurlijke inrichting van de regio, maar noteert helemaal niets over de handel. Naar Hoofts biograaf H.W. van Tricht vermoedt, moet Hooft zich tijdens de reis bewust zijn geworden van het verschil tussen de actieve handelsgeest van zijn familieleden en zijn eigen studieuze, contemplatieve natuur.Van Tricht (1951), p. 12-13

De reis eindigde met zijn thuiskomst op 8 mei 1601.Koppenol (2004), p. 108-109. De bedoeling was dat hij zich zou voorbereiden op een toekomstige handelscarrière door het leggen van contacten. De jonge Hooft raakte tijdens zijn reis echter dermate gefascineerd door de kunst van de Italiaanse renaissance, dat hij de rest van zijn leven hoofdzakelijk aan het beoefenen van kunst zou wijden. Zijn eerste toneelstuk Achilles en Polyxena moet reeds rond 1598 geschreven zijn.Knuvelder (1971), p. 231.

De Eglentier Hooft was lid van de Amsterdamse rederijkerskamer de Eglentier, die In Liefde bloeyende als zinspreuk had. Ook daar drongen de vernieuwingen van de literaire renaissance door. Hooft zal er ongetwijfeld toen al mee in aanraking zijn gekomen. Maar pas tijdens zijn grand tour leerde hij de nieuwe poëzie echt kennen. Na zijn terugkeer vond zijn talent in de kamer ruimte voor ontplooiing. In 1602 nam hij de leiding over van de naar Alkmaar verhuisde Hendrik Laurensz. Spiegel. In de loop der jaren kwamen mede door de professionalisering van de kamers spanningen op tussen de traditionele amateuristische leden en de moderne toneelauteurs. Hooft probeerde deze te verzoenen, maar verliet de kamer in 1617, met onder meer Bredero.Duits (2005), 206

Hooft ambieerde niet het koopmanschap van zijn vader, maar eerder een bestuursambt. Ter voorbereiding daarop studeerde hij twee jaar, van 1606 tot 1607, rechten en letteren aan de universiteit van Leiden, een studie die hij voor zover bekend niet afmaakte omdat het slechts om het praktisch nut te doen was.Koppenol (2004), p. 109. In deze jaren maakte hij onder meer Ida Quekels het hof met gedichten.

Benoeming tot drost van Muiden (1609) In de eerste helft van 1608 verbleef Hooft in Parijs en in 1609 als eerste niet-edele aangesteld als drost van Muiden en baljuw van het Gooiland. Hooft vertegenwoordigde het gezag en was verantwoordelijk voor de openbare orde: 'Hij moest leiding geven aan de rechtsprekende instanties, bovendien ging hij over zaken als houtvesterij en jachtrecht en was hij dijkgraaf.' Ook trad hij bij conflicten op als bemiddelaar. In 1610 trouwde hij Christina van Erp, met wie hij op het Muiderslot ging wonen. Vanwege de kou overwinterden ze aan de Amsterdamse Keizersgracht.Koppenol (2004), p. 110.

In 1615 verloren Hooft en zijn vrouw hun vier weken oude dochtertje Geertruid. In al deze jaren was Hooft actief als (toneel)dichter, maar in 1618 begon de geleidelijke overgang naar het proza toen hij begon aan de biografie van Hendrik IV. In 1620 stierf hun nog geen twee jaar oude tweede zoon Arnout, waarna ze in 1621 hun volgende zoon weer Arnout noemden. In 1623 stierf hun oudste zoon Cornelis. In 1624 stierf ook Arnout en eveneens Hoofts drieëndertigjarige echtgenote Christina. Hoofts ouders overleden in 1626 en 1627.Koppenol (2004), p. 111.