De Ierse opstand van 1798 (Iers: Éirí Amach 1798) was een opstand tegen de Britse regering in Ierland. De United Irishmen, een republikeinse revolutionaire groep beïnvloed door de ideeën van de Amerikaanse en Franse revoluties, vormde de voornaamste organisator van de opstand. De organisatie werd geleid door presbyterianen die woedend waren dat ze buitengesloten waren van de macht door de anglicaanse machthebbers. Ze kregen tijdens de opstand hulp van katholieken, die het grootste deel van de bevolking vormden. Een Frans leger dat in County Mayo aan land kwam ter ondersteuning van de rebellen werd verslagen door Britse en loyalistische troepen. De opstand werd neergeslagen door Britse regeringstroepen met een dodental van tussen de 10.000 en 30.000.
Achtergrond thumb|upright|left|Wolfe Tone, leider van de United Irish Sinds het einde van de Williamitische Oorlog in Ierland in 1691 werd Ierland geregeerd door een anglicaans-protestantse elite, die bestond uit leden van de Church of Ireland, dat loyaal was aan de Britse kroon. Deze elite regeerde via een vorm van geïnstitutionaliseerd sektarisme, dat was vastgelegd in de , die discriminerend waren voor zowel de katholieke bevolking als niet-anglicaanse protestanten, zoals presbyterianen. Eind 18e eeuw raakten liberale elementen binnen de elite geïnspireerd door het voorbeeld van de Amerikaanse Revolutie (1765-1783) en wilden ze samen met de katholieke bevolking hervormingen invoeren en meer autonomie van Groot-Brittannië verkrijgen. Net als in Engeland hadden de meeste protestanten, net als alle katholieken, geen stemrecht, omdat ze niet genoeg bezit op hun naam hadden. Ondanks dat Ierland formeel een soeverein koninkrijk was dat werd geregeerd door de koning en het Ierse parlement, had het eiland dankzij een serie Engelse wetten in werkelijkheid minder autonomie dan de Britse koloniën in Noord-Amerika.
Toen Frankrijk zich aansloot bij de Amerikanen in hun Onafhankelijkheidsoorlog, riep Londen vrijwilligers op om zich aan te melden voor dienst in milities die Ierland moesten verdedigen in het geval van een Franse invasie, omdat de reguliere Britse troepen naar Amerika waren gestuurd. Duizenden Ieren sloten zich aan bij deze milities, die bekend stonden als de Irish Volunteers. In 1782 gebruikten ze hun nieuw verworven macht om de kroon te dwingen de anglicaans-protestantse elite zelfbestuur te schenken en akkoord te gaan met een meer onafhankelijk parlement. De Irish Patriot Party, geleid door Henry Grattan, wilde bovendien het stemrecht verder uitbreiden. In 1793 nam het parlement wetten aan waarmee rijke katholieken passief stemrecht kregen, maar ze mochten nog steeds niet gekozen worden of benoemd worden tot regeringsfunctionarissen. Liberale elementen binnen de elite, die het stemrecht wilden uitbreiden en een einde wilden maken aan religieuze discriminatie, werden ook geïnspireerd door de Franse Revolutie, die had plaatsgevonden in een katholiek land.
Society of United Irishmen thumb|Symbool van de United Irishmen. De mogelijkheid voor verdere hervormingen bracht een kleine groep protestantse liberalen uit Belfast ertoe in 1791 de Society of United Irishmen op te richten. De organisatie overbrugde de religieuze kloof met een ledenbestand van katholieken, presbyterianen, methodisten en andere protestantse groeperingen, waaronder enkele anglicanen. De Society deed openlijk voorstellen voor verdere democratische hervormingen en katholieke emancipatie, hervormingen die het Ierse parlement gedeeltelijk en met tegenzin in 1793 invoerde. Het uitbreken van de oorlog met Frankrijk eerder in 1793, na de executie van Lodewijk XVI, dwong de Society haar activiteiten ondergronds door te zetten en daar bewoog ze steeds meer in de richting van een gewapende opstand met Franse steun. Het doel van de United Irishmen was “het verbreken van de band met Engeland”; de organisatie verspreidde zich steeds meer over Ierland en had tegen 1797 zeker 200.000 leden. Slechts een klein aantal hiervan nam deel aan de opstand van 1798, wat erop wijst dat de hoewel de meeste leden haar doelen steunden, zij niet bereid waren zonder provocatie tot geweld over te gaan. De Society legde contacten met katholieke, agrarische verzetsbewegingen, bekend als de Defenders, die begin 1793 begonnen waren met het stelen van wapens uit huizen.
Om hun toenemende omvang verder aan te vullen, besloot de leiding van de United Irishmen militaire hulp te vragen aan de Franse revolutionaire regering en de opstand uit te stellen totdat Franse troepen in Ierland geland waren. Theobald Wolfe Tone, leider van de United Irishmen, reisde in 1796 vanuit zijn ballingschap in de Verenigde Staten naar Frankrijk om een interventie te bepleiten.
Ondertussen had de Rooms-Katholieke Kerk in Ierland zich tegen de United Irishmen gekeerd, omdat zij bang waren voor een herhaling van de seculariseringspolitiek die sinds 1789 in Frankrijk werd uitgevoerd, en dit leidde tot een afname van steun. In 1796-97 versloeg het Franse leger de Kerkelijke Staat en in februari 1798 vestigde het Franse republikeinse regime de kortdurende ‘Romeinse Republiek’. De katholieke kerkleiders vreesden dat een republikeinse opstand onder leiding van protestantse nationalisten in het geval van succes zou leiden tot de vestiging van nog een zusterrepubliek van Frankrijk.
Afgelaste invasie (1796) thumb|left|Met End of the Irish Invasion ;– or– the Destruction of the French Armada (1797), tekende James Gillray een spotprent over de mislukking van de Franse invasie. Tone’s pogingen om de Fransen tot actie over te laten gaan hadden succes met het sturen van de Expédition d’Irlande, en hij vergezelde een troepenmacht van 14.000 ervaren soldaten onder generaal Hoche, dat in december 1796 aankwam voor de kust van Ierland bij Bantrybaai, na de Royal Navy ontlopen te hebben. Niet aflatende stormen, besluiteloosheid onder de leiders en slecht zeemanschap voorkwamen dat er een landing plaatsvond. De wanhopende Wolfe Tone merkte op: “Engeland heeft haar meest gelukkige ontsnapping gehad sinds de Armada.” De Franse vloot was gedwongen huiswaarts te keren en het ervaren leger dat bedoeld was voor de invasie van Ierland werd opgesplitst en naar andere strijdtonelen van de Franse Revolutionaire Oorlogen gestuurd.
Onderdrukking Op 2 maart 1797 reageerden de autoriteiten op de toenemende onrust door een staat van beleg af te kondigen. Het zette brandstichting, marteling van gevangenen en moord in om opstand voor te zijn. Het zwaartepunt van deze activiteiten lag in Ulster, waar grote groepen katholieken en protestanten (voornamelijk presbyterianen) de handen ineen hadden geslagen. In mei 1797 sloot het leger in Belfast op gewelddadige wijze de krant van de United Irishmen, de Northern Star.
De Britse autoriteiten zagen in sektarisme een handig werktuig om in te zetten tegen de protestantse United Irishmen in Ulster en de ‘verdeel-en-heers' politiek van koloniale onderdrukking werd officieel aangemoedigd door de regering. Brigadegeneraal C.E. Knox schreef aan generaal Lake (die verantwoordelijk was voor Ulster): “Ik heb de spanningen tussen de protestanten en de United Irishmen weten te verhogen. Op deze spanningen rust de veiligheid van het noorden.”
In juni 1798 schreef de Graaf van Clare, de Lord Chancellor van Ierland, aan de Raad van State: “In het noorden houdt niets anders de rebellen rustig dan de overtuiging dat de opstand van paapse origine is,” waarbij hij de hoop uitsprak dat de presbyteriaanse republikeinen niet in actie zouden willen komen als zij dachten dat de opstand enkel door katholieken gesteund werd.
Verspreid over Ierland hadden loyalisten zich georganiseerd om de regering te helpen. Veel zorgden voor rekruten en belangrijke inlichtingen via de oprichting van de Oranjeorde in 1795. De stichting van het katholieke Maynooth College in datzelfde jaar door de regering en de Franse verovering van Rome in 1798 versterkte het verzet van de Rooms-Katholieke Kerk jegens een opstand. Enkele uitzonderingen daargelaten, stond de Kerk aan de kant van de Britse kroon gedurende de volledige periode van onrust.
In maart 1798 bracht informatie van informanten binnen de United Irishmen de regering ertoe om de meeste leiders in Dublin te arresteren. De staat van beleg werd afgekondigd in grote delen van het land en diens niet aflatende wreedheid zette de Unitied Irishmen onder druk om in actie te komen voordat het te laat was. Hiertoe brak er een opstand uit in Cahir, County Tipperary, maar deze werd snel neergeslagen door de lokale sheriff, kolonel Thomas Judkin-Fitzgerald. Na de arrestaties van maart 1798 werd de leiding van de United Irishmen gedomineerd door militanten zoals Samuel Neilson, Lord Edward FitzGerald en Edmund Gallagher. Zij besloten de opstand te plannen zonder Franse steun. Deze opstand zou op 23 mei moeten plaatsvinden.
Opstand Het oorspronkelijke plan omvatte de inname van Dublin, waarbij de omliggende gebieden in opstand zouden komen en zo de komst van versterkingen voorkomen, gevolgd door de rest van het land dat de overige garnizoenen zou vastpinnen. Het signaal om in opstand te komen werd verspreid door het onderscheppen van postkoetsen uit Dublin. Op het laatste moment ontving de regering van informanten de locaties van de verzamelplekken in Dublin en een groot aantal militairen wist deze een uur voor de start van de opstand te bezetten. Het leger arresteerde vervolgens de meeste rebellenleiders in de stad. Afgeschrikt door het leger verspreidden de groepen rebellen zich, waarbij ze de geplande verzamelplekken verlieten en hun wapens dumpten in de omliggende steegjes. Bovendien mislukte ook het plan om de postkoetsen te onderscheppen; enkel de koets met de bestemming Munster werd tijdens de eerste nacht van de opstand onderschept in Johnstown, nabij Naas.
Hoewel de geplande kern van de opstand geïmplodeerd was, kwamen de omliggende districten van Dublin volgens planning in opstand en zij werden in korte tijd gevolgd door de meeste gemeenten in de regio rondom Dublin. De eerste gevechten van de opstand vonden kort na zonsopgang op 24 mei plaats. De gevechten verspreidden zich snel door heel Leinster, waarbij de zwaarste gevechten plaatsvonden in County Kildare, waar, ondanks dat het leger vrijwel elke aanval van de rebellen had afgeslagen, de rebellen het grootste deel van de regio in handen kregen nadat het plaatselijke garnizoen het bevel had gekregen zich terug te trekken op Naas uit angst voor een verdere omsingeling en vernietiging. Nederlagen van de rebellen bij Carlow en de heuvel van Tara in County Meath bracht de opstand in die regio nagenoeg ten einde. In County Wicklow zorgde nieuws van de opstand voor paniek en angst onder de loyalisten. Zij reageerden door vermeende rebellen die gevangen zaten in Dunlavin Green en Carnew te doden. Een baronet, Sir Edward Crosbie, werd schuldig bevonden aan het leiden van de opstand in Carlow en werd geëxecuteerd wegens hoogverraad.
De opstand verspreidt zich In County Wicklow kwamen grote hoeveelheden rebellen in opstand en leverden ze een bloedige guerrillastrijd tegen het leger en de loyalisten. Generaal Joseph Holt leidde duizend van zijn mannen naar de Wicklow Mountains en dwong de Britten grote hoeveelheden soldaten in te zetten tot zijn capitulatie in oktober.
In het noordoosten kwamen op 6 juni de voornamelijk presbyteriaanse rebellen onder Henry Joy McCracken in opstand in County Antrim. Zij wisten korte tijd het grootste deel van het gebied in handen te krijgen, maar de opstand stortte ineen na een nederlaag bij Antrim. Na vroege successen bij Saintfield, werden de rebellen in County Down onder Henry Munro verslagen tijdens de slag bij Ballynahinch, het meest langdurige gevecht van de opstand.