miniatuur|Het proces tegen Heinekenontvoerders Cor van Hout en Willem Holleeder illustreert de toepassing van strafrecht op georganiseerde misdaad, Het strafrecht is dat deel van het recht dat toepasbaar is als iemand verdacht is van het begaan van een strafbaar feit. Daarnaast zijn er nog bepaalde boetes (al of niet met een andere formele naam) die buiten het strafrecht vallen.
Materieel strafrecht In het strafrecht zijn de regels vastgelegd waaraan burgers zich moeten houden. Houdt iemand zich niet aan deze regels, dan pleegt hij een strafbaar feit en kunnen er straffen en/of maatregelen volgen, zie ook Openbaar Ministerie.
Er zijn twee soorten strafbare feiten: overtredingen en misdrijven. Overtredingen zijn relatief lichte vergrijpen, misdrijven zijn ernstigere feiten. Alle strafbare feiten staan in wetten, bijvoorbeeld in het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wegenverkeerswet.
Van een strafbaar feit is sprake als de gedraging valt onder de bestanddelen van de delictsomschrijving, het gedrag wederrechtelijk (in strijd met het recht) is en de dader verwijtbaar heeft gehandeld. Als de termen schuld of wederrechtelijkheid in de delictsomschrijving (de omschrijving van het strafbare feit) staan, dan worden dit bestanddelen genoemd. Zijn de termen wederrechtelijkheid en schuld niet als bestanddeel in de delictsomschrijving opgenomen, dan worden wederrechtelijkheid en verwijtbaarheid (de benaming voor schuld als element) aangemerkt als elementen.
Uitbreiding van de strafbaarheid Verder is niet alleen het plegen van een voltooid delict strafbaar, maar ook de poging tot en de voorbereiding van een misdrijf zijn strafbaar (respectievelijk art. 45 en art. 46 Wetboek van Strafrecht). Bij poging openbaart zich een begin van uitvoering van een misdrijf. Te denken valt aan de inbreker die probeert een deur te forceren en door de politie op heterdaad wordt betrapt. Bij strafbare voorbereiding moet men denken aan het aanschaffen van een vuurwapen om daarmee een misdrijf te plegen.
Als er echter sprake is van vrijwillige terugtred (art. 46b Wetboek van Strafrecht) van de dader en hij zijn handelingen uit eigen wil staakt, is hij niet strafbaar voor poging of voorbereiding. Het gaat dan om een situatie waarbij bijvoorbeeld een inbreker een deur probeert te forceren, maar al vóór het voltooien van de inbraak zich bedenkt en vertrekt.
Een andere vorm van uitbreiding van strafbaarheid is de deelneming aan een strafbaar feit door derden. Hier onderscheidt men vier soorten deelneming:
Doen plegen: iemand laat een strafbaar feit plegen door iemand anders, die hiervan niet op de hoogte is en een 'willoos werktuig' was. De eigenlijke uitvoerder van het delict is niet strafbaar. Uitlokking (art. 47 Wetboek van Strafrecht): dit is eveneens een soort 'doen plegen', maar hierbij is de eigenlijke uitvoerder eveneens strafbaar omdat hij wist van de strafbare handeling(en). Een voorbeeld hiervan is de huurmoord. Uitlokking wordt vaak gedaan door middel van giften (geld), beloften, geweld, bedreiging of misleiding. Medeplegen: Twee of meer personen plegen samen een strafbaar feit. Meestal wordt bij veroordeling aan beide daders een even hoge straf opgelegd, maar er wordt ook wel rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de afzonderlijke dader. Medeplichtigheid (art. 48 Wetboek van Strafrecht): medeplichtigen helpen opzettelijk bij het plegen van een misdrijf en/of verschaffen de uitvoerder inlichtingen/middelen/gelegenheid. Een voorbeeld van medeplichtigheid is, als iemand op de uitkijk staat bij een inbraak. Bij samenloop tussen medeplichtigheid en medeplegen, is het volgens vaste jurisprudentie vaak een veroordeling op basis van medeplegen.
Delicten in dronkenschap/onder invloed gepleegd Artikel 47 van het oorspronkelijk regeringsontwerp (ORO) inzake het Wetboek van Strafrecht uit 1881 bevatte nog de term bewusteloosheid. Dit is later geschrapt en niet teruggekeerd in het uiteindelijke art. 39 van het Wetboek van Strafrecht over ontoerekeningsvatbaarheid. Men ziet het plegen van een delict onder invloed van alcohol of drugs als een vorm van culpa in causa (schuld aan de oorzaak): men heeft weliswaar geen schuld aan het delict, maar wel aan het nuttigen van de alcohol of drugs en daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat men iets zou kunnen gaan doen waar men later spijt van zou krijgen. Een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid zal daarom falen.
In sommige wetsbepalingen is 'het onder invloed zijn' zelfs als een delictsbestanddeel opgenomen zoals het rijden onder invloed (art. 8 Wegenverkeerswet) en verkeersbelemmering/verstoring van de openbare orde onder invloed (art. 426 Wetboek van Strafrecht).
Ook kan het als strafverzwarende omstandigheid werken bij een veroorzaken van lichamelijk letsel of een overlijden bij een verkeersongeval (artikelen 6 en 175 lid 3 Wegenverkeerswet). De daarop gestelde gevangenisstraffen kunnen dan met de helft worden verhoogd.
Als men echter zonder dat men het weet, alcohol of een andere drug krijgt toegediend en vervolgens een strafbaar feit pleegt, zou men zich kunnen beroepen op de ongeschreven schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld (avas).
Daderschap van de privaatrechtelijke rechtspersoon Sinds 1976 is het in het algemene strafrecht in Nederland mogelijk om rechtspersonen strafrechtelijk te vervolgen. Het kreeg een plaats in art. 51 Wetboek van Strafrecht. Vóór 1976 was strafbaarheid van de rechtspersonen al mogelijk op grond van het destijds geldende art. 15 lid 2 van de Wet op de economische delicten en op grond van sommige belastingwetten. Sinds 1976 kunnen zowel natuurlijke personen als rechtspersonen dader zijn van een strafbaar feit. Het gaat in deze situatie om strafbare feiten die worden gepleegd door bijvoorbeeld een besloten vennootschap (B.V.).
Volgens art. 51 lid 3 Wetboek van Strafrecht gaat het niet alleen om rechtspersonen die strafbaar kunnen zijn, maar ook de maatschap, de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid en het doelvermogen kunnen dader zijn van een strafbaar feit.
Naast de rechtspersoon zelf kunnen de 'feitelijk leidinggevenden' en opdrachtgevers strafrechtelijk worden vervolgd (art. 51 lid 2 Wetboek van Strafrecht). Bij een directeur heeft het Openbaar Ministerie de vrijheid hem als natuurlijk persoon te vervolgen of hem als feitelijk leidinggevende van de rechtspersoon al dan niet samen met die rechtspersoon te vervolgen.
Er wordt vaak aansluiting gezocht bij het arrest van de Hoge Raad inzake Kleuterschool Babbel uit 1979 (gepubliceerd in NJ 1980, 34). Dit arrest ging over de toerekening van de onrechtmatige daad van een natuurlijk persoon aan een publiekrechtelijke rechtspersoon en het terrein van het civiel recht. Toch wordt binnen het strafrecht hierbij aansluiting gezocht in die zin dat het belangrijk is of de gedraging van een natuurlijk persoon binnen de rechtspersoon kan worden gezien als gedraging van die rechtspersoon. Er wordt dan ook niet snel daderschap van de rechtspersoon aangenomen wanneer de strafbare handeling van een aldaar werkzame natuurlijke persoon niet kan worden gezien als gedraging van die rechtspersoon. In praktijk blijkt het het bijna onmogelijk om aangifte tegen bijvoorbeeld een aannemer te doen. hierover wordt letterlijk geklaagd in een nederlands televisie programma genaamd "Opgelicht" van Avro/Tros waar letterlijk (kleine) aannemersbedrijven worden gevolgd tot AAN het politiebureau, waarna blijkt dat de aangifte geweigerd wordt door de dienstdoende officier van justitie.
De feitelijk leidinggevenden of opdrachtgevers kunnen pas worden vervolgd als ook de rechtspersoon kan worden vervolgd.
De opdrachtgevers hebben een nauwere band met het verboden gedrag van de rechtspersoon dan de feitelijk leidinggevenden. Bij opdracht geven gaat het immers om het initiatief nemen tot het verboden gedrag.
Bij een feitelijk leidinggevende gaat het om een persoon die incidenteel dan wel structureel een leidinggevende functie vervult binnen de rechtspersoon en de daarbij behorende verantwoordelijkheid draagt (of althans behoort te dragen) en die enigszins bij de bedrijfsvoering van de rechtspersoon is betrokken. Het is hierbij niet van belang of iemand in juridisch opzicht leidinggevende is (dat wil zeggen: ingeschreven staat als bestuurder/directeur), maar of die persoon feitelijk de leiding heeft.
In de uitspraken van de Hoge Raad rondom de Slavenburg's bank van respectievelijk 19 november 1985 (NJ 1985, 125 en 126) en het vervolg daarop van 16 december 1986 (NJ 1987, 321 en 322) werd aangegeven welke criteria gelden bij het aannemen van 'feitelijk leiderschap'. In de eerste twee uitspraken van 19 november 1985 oordeelde Hoge Raad nog dat de feitelijk leidinggevende op de hoogte moest zijn van de strafbare gedraging(en) en hij hoewel hij daartoe bevoegd was, niet had ingegrepen.
In de vervolg uitspraken van 16 december 1986 oordeelde de Hoge Raad, dat er sprake moest zijn van een voorwaardelijk opzet van de leidinggevende: sinds deze op de hoogte was van het strafbare feit, heeft hij nagelaten maatregelen hiertegen te nemen (hoewel hij daartoe bevoegd was) en daardoor bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen.
De leidinggevende hoeft niet dezelfde vorm van opzet te hebben die is vereist voor het toepasselijke strafbare feit van de rechtspersoon, maar voorwaardelijk opzet van de leidinggevende is voldoende.
Daderschap van de publiekrechtelijke rechtspersoon Bij publiekrechtelijke rechtspersonen gaat het om staten, openbare lichamen in de zin van hoofdstuk 7 van de Grondwet (zoals provincies, waterschappen en gemeentes) en de overige publiekrechtelijke rechtspersonen zoals de Raad van Arbeid en de Nederlandse Orde van Advocaten.
Vervolgbaarheid van de Nederlandse staat De staat zou zich in principe schuldig kunnen maken aan strafbare feiten zoals milieudelicten. Toch heeft de Hoge Raad in het Arrest Vliegbasis Volkel van 25 januari 1994 (NJ 1994, 598) inzake de Vliegbasis Volkel beslist dat de Nederlandse staat niet strafrechtelijk vervolgd kan worden.
Vervolgbaarheid van buitenlandse staten Er is tot op heden nog geen jurisprudentie over de mogelijkheid van strafbaarheid van buitenlandse staten. In het internationale recht is het wel mogelijk dat de ene staat de andere staat aansprakelijk kan stellen.
Vervolgbaarheid van de openbare lichamen in de zin van hoofdstuk 7 van de Nederlandse Grondwet Het gaat hierbij om de strafrechtelijke vervolging van provincies, waterschappen, gemeentes en overige openbare lichamen zoals de openbare lichamen voor beroep en bedrijf.
Over de vraag of andere overheden dan de Nederlandse staat strafrechtelijk vervolgd konden worden, gingen de twee Pikmeerarresten. Uiteindelijk oordeelde de Hoge Raad in het arrest Pikmeer II van 6 januari 1998 (NJ 1998, 367) dat wanneer de strafbare handeling als uitsluitend een overheidstaak kan worden gezien, een provincie/waterschap/gemeente/overig openbaar lichaam niet strafrechtelijk kan worden vervolgd. Voor een handeling die eventueel geprivatiseerd kon worden, zoals het storten van vervuild slib, kon deze openbare lichaam wel strafrechtelijk worden vervolgd.
Vervolgbaarheid van overige publiekrechtelijke rechtspersonen Het gaat hierbij om rechtspersonen die niet worden genoemd in het hiervoor aangehaalde hoofdstuk 7 van de Nederlandse Grondwet. Hierbij kan worden gedacht aan de Raad van Arbeid en de Nederlandse orde van advocaten. In de jurisprudentie is een voorbeeld bekend waarin de Rijksuniversiteit Groningen strafrechtelijk werd vervolgd wegens overtreding van de Monumentenwet. In het zogeheten Grafheuvel-arrest van 10 november 1987 (NJ 1988, 303) bepaalde de Hoge Raad dat de Rijksuniversiteit Groningen (universiteiten in het algemeen) zich niet kan beroepen op strafrechtelijke immuniteit.
De vervolgbaarheid van feitelijk leidinggevenden van een publiekrechtelijke rechtspersoon