De Tachtigjarige Oorlog was de opstand van de Zeventien Provinciën tegen drie opeenvolgende koningen van het Spaanse Rijk: Filips II, Filips III en Filips IV. Het conflict begon als een bestorming van katholieke gebouwen door protestantse groepen: de Beeldenstorm (1566). Filips II stuurde de hertog van Alva naar de Nederlanden, om de rust terug te brengen en het katholicisme op te leggen als staatsgodsdienst. Edellieden zoals Willem van Oranje vluchtten naar het Heilige Roomse Rijk om van daaruit het verzet te organiseren. De eerste offensieven waren Oranjes eerste invasie (1568) en Oranjes tweede invasie (1572). Toch kon alleen het graafschap Holland onafhankelijk blijven, mede dankzij het gebruik van inundaties. Dit zelfstandige gebied kon zich langzaam uitbreiden, waarna het uitgroeide tot de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Na decennia van strijd moest Spanje de onafhankelijkheid van de Republiek erkennen, terwijl de Zuidelijke Nederlanden onder Habsburgs gezag bleven (Vrede van Münster, 1648).
Voorgeschiedenis
thumb|De bezittingen van het Huis van Habsburg in Europa (1547). De benaming "Nederlanden" of "Lage Landen" is een aardrijkskundige benaming voor het gebied waarin nu Nederland, België, Luxemburg en (het voormalige) Nord-Pas-de-Calais liggen. Omstreeks 1500 was er omtrent de Nederlanden nog geen sprake van zoveel staatkundige eenheid; destijds bestonden er een twintigtal "Nederlanden" die elk hun eigen instellingen en wetgeving hadden. Men was voornamelijk trouw aan zijn eigen stad, streek of gewest. Wel waren de landsheren erin geslaagd bepaalde gewesten in een personele unie te brengen: de Bourgondische Nederlanden en later Habsburgse Nederlanden. Om de personele unie te kunnen omvormen tot een staatkundig geheel betekende dat de regionale overheden hun macht zouden moeten afstaan aan een centrale overheid. Reeds in de Bourgondische periode waren die pogingen zonder succes gebleven, wegens felle protesten van de bestaande instellingen en van de adel. Ook het invoeren van een centrale belasting leek onmogelijk; de landsheer moest telkens aan de regionale overheden vragen om geld. Wel werden in 1531 de Collaterale Raden opgericht, als adviserend orgaan voor de landsheer van de Nederlanden.
Omstreeks 1550 behoorden zeventien gewesten tot de personele unie, vanwaar de benaming "Zeventien Provinciën". De personele unie bestond toen in hoofde van Karel V, de koning van het Spaanse Rijk, keizer van het Heilige Roomse Rijk en heer der Nederlanden. Met de Pragmatieke Sanctie van 1549 trachtte de keizer de Nederlanden een en ondeelbaar te maken. In die tijd werd enkel de katholieke belijding van het christendom beoefend in West-Europa. Door buitensporigheden van de Heilige Stoel en haar bisschoppen werd steeds meer om hervorming gevraagd. Geleerden als Erasmus uitte straffe kritieken op de Kerk en haar wereldlijke hebzucht en lustigheid. Gedurende de 16e eeuw kwam daarom de Reformatie op in navolging van Maarten Luther, die niet slechts wilden hervormen, maar van de Kerk wilden afscheiden. Het katholicisme verloor verder aan terrein door de verspreiding van het humanisme. De gevestigde Kerk werd steeds verder ondermijnd. De landsheren in Europa beseften dat het wegvallen van "de enige Kerk" zou leiden tot een verminderde maatschappelijke hiërarchie, en dat er conflicten konden ontstaan tussen religieuze groeperingen. Dat tezamen met Karels ambitie zijn keizerschap en het pausdom te doen versmelten, stortte Europa in roer. Hoe meer de Reformatie opkwam, hoe harder de vervolging werd. In de Nederlanden kreeg de Reformatie vooral na 1550 aanhang, niet alleen onder de bevolking, maar ook binnen de adel, die hun vrijheden zagen verdwijnen.
Oplopende spanningen thumb|Filips II, koning van Castilië en Aragon (Spanje) en heer der Nederlanden.
In de jaren 1520 kwam in de Zuidelijke Nederlanden een nieuwe christelijk-religieuze stroming tot bloei: het anabaptisme (doopsgezinden). Vooral in het Westkwartier van het graafschap Vlaanderen kreeg deze overtuiging steeds meer voet aan de grond, onder meer omdat er een proletariaat was ontstaan (hoofdzakelijk in de steden Hondschote, Armentiers, Valencijn en Ieper). Vanwege de onzekere politieke (Oorlog van de Liga van Cognac, 1526-1530) en religieuze woelingen van die dagen was de aanvoer van wol vanuit Engeland opgedroogd, waardoor de lakenindustrie in het slop was geraakt. De afwezigheid van de gildenstructuur, zoals die bestond in steden als Brugge en Gent, leidde tot onvrede bij het proletariaat. De sociale ideeën van de anabaptisten, zoals de herverdeling van goederen, spraken velen aan. Omdat de onderdrukking van wederdopers toenam, vluchtten ze vanaf 1530 naar Antwerpen, Engeland en Friesland. De repressie nam toe nadat wederdopers in 1534 in Münster de bisschop hadden verdreven. Toen de dopersopstand in Münster rampzalig afliep in 1535 en de overheid streng optrad, verloren zij hun revolutionaire karakter en werden vreedzamer onder leiding van Menno Simons en daardoor mennonieten genoemd.
In het zuiden begon vervolgens de populariteit van een nieuwe protestantse stroming die was overgewaaid uit Frankrijk, het calvinisme, toe te nemen. De repressie richtte zich nu op deze stroming, die vooral opdook vanaf 1540 rond Doornik, Valencijn en Rijsel, later volgden de lakennijverheidscentra Hondschote, Sint-Winoksbergen en Duinkerke in de Vlaamse Westhoek en tot slot enkele 'gemeenten onder het kruis': schuilkerken in steden zoals Gent ('Het Zwaard'), Brussel ('De Zon') en Antwerpen ('De Wijnstok'). Vanaf 1540 weken de protestanten ook uit naar Duitsland om te ontkomen aan geloofsvervolging. De overheid in de Nederlanden vaardigde daarop steeds strengere edicten uit en in 1545 werd de inquisitie in de Nederlanden uitgebreid en gereorganiseerd met provinciale inquisiteurs (zoals Pieter Titelmans in Vlaanderen). In 1550 kondigde Karel V het Bloedplakkaat af tegen de ketters.
De harde aanpak van protestanten, de toenemende centralisatie, bureaucratisering, economische achteruitgang onder delen van de bevolking en de Spaanse staatsbankroetverklaring van 1557 zorgden voor toenemende onvrede in de Zeventien Provinciën. Door de economische malaise in de tweede helft van de zestiende eeuw en de afkeer tegen het katholicisme groeide het calvinisme. Filips II reageerde door het nog harder laten aanpakken van deze 'ketters'. Volgens de beste schattingen lag het aantal terechtstellingen om geloofsredenen in de Nederlanden in de periode 1523-1566 tussen de 1000 en de 1500. (2021): De Zwijger. Het leven van Willem van Oranje blz. 330
Na het beëindigen van de Italiaanse Oorlogen met de Vrede van Cateau-Cambrésis tussen het koninkrijk Frankrijk en Spanje, keerde Filips in augustus 1559 voorgoed terug naar Spanje en benoemde zijn halfzus Margaretha van Parma tot landvoogdes van de Nederlanden. De landvoogdes liet zich adviseren door een paar vertrouwelingen, waaronder kardinaal Granvelle. De normaal zo invloedrijke hoge edelen uit de Raad van State, zoals Willem van Oranje en Egmont, zagen hun macht ingeperkt worden. Zij waren ontevreden over het gevoerde beleid, omdat dat veel onrust veroorzaakte in de gewesten. Granvelle werd verantwoordelijk gehouden voor dit beleid en in 1561 verenigden de hoge edelen zich om de kardinaal weg te krijgen – wat in 1564 ook lukte. Nu zij de invloed weer terug dachten te hebben, wilden zij zich inzetten voor een ander beleid. Egmont vertrok naar Spanje om de wensen mondeling toe te lichten, maar Filips wilde niet van de genomen besluiten afwijken.
De winter van 1564-1565 was extreem koud en de daaropvolgende zomer bracht een graanmisoogst die leidde tot speculatie, sterk stijgende prijzen en de hongerwinter van 1565-1566. Dit verhoogde de spanningen in de Lage Landen.Erich Kuttner, Het hongerjaar 1566 (1949).
Naast de hoge edelen waren ook de lage edelen, waaronder zich aanhangers van het calvinisme bevonden, ontevreden. Zij verenigden zich in het Eedverbond der Edelen in 1566 en middels een smeekschrift der Edelen, dat door een paar honderd edelen was ondertekend en onder leiding van Hendrik van Brederode werd op 5 april aangeboden aan de landvoogdes, pleitten zij voor de afschaffing van vervolgingen op calvinisten. Bij die gelegenheid zou raadsman Karel van Berlaymont tegen Margaretha de beroemde woorden N'ayez pas peur Madame, ce ne sont que des gueux ("Wees niet bang mevrouw, het zijn slechts bedelaars") gezegd hebben, waarna de edelen dit overnamen als erenaam en geuzenpenningen en bedelnappen gingen dragen. Margaretha schortte de vervolgingen op, in afwachting van een reactie van Filips. Calvinisten, die eerder nog in het geheim samenkwamen, gingen zich nu openlijk manifesteren. De geest was uit de fles en zou er niet meer in gaan. De polarisatie nam toe en hagenpreken ontaardden in augustus 1566 in de Beeldenstorm.
Opstand Traditioneel wordt de Slag bij Heiligerlee op 23 mei 1568 gezien als startpunt van de Opstand, maar eigenlijk hadden vanaf 1566 al meerdere gebeurtenissen plaatsgevonden, zoals de Slag bij Oosterweel op 13 maart 1567, die ook als beginpunt kunnen worden gezien. Vanaf 1588 was het karakter van een opstand veranderd naar een geregelde oorlog.
Beeldenstorm en eerste gewelddadigheden thumb|left|Vernieling van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen op 20 augustus 1566. (gravure gemaakt door Frans Hogenberg)
De ontevredenheid onder de calvinisten kwam tot uitbarsting met de Beeldenstorm. Het geweld begon op 10 augustus 1566 in Steenvoorde door arme textielarbeiders die werden aangespoord door calvinistische predikanten. In grote delen van de Nederlanden werden hierop vernielingen aangericht in kerken en kloosters door rondtrekkende groepjes. Het vandalisme was gericht tegen de rijkdom van de katholieke kerk en de beeldenverering. Vooral heiligenbeelden, altaren en monstransen moesten het ontgelden. De golf van geweld verspreidde zich door Vlaanderen, Artesië en Brabant naar Holland en Zeeland en Utrecht.
Willem van Oranje en zijn medestanders, waaronder de hoge edelen Egmont en Horne, veroordeelden het geweld. Zij hadden een gematigd beleid en gewetensvrijheid voor ogen in de Zeventien Provinciën. De steun van de gematigde katholieken voor het idee van gewetensvrijheid kwam door de beeldenstorm in gedrang. Oranje en zijn medestanders beloofden Margaretha van Parma de rust te herstellen in ruil voor het toestaan van het protestantisme in gebieden waar deze voor de Beeldenstorm voorkwam. Margaretha had geen andere mogelijkheden dan instemmen. Hendrik van Brederode, eerder woordvoerder van het Eedverbond der Edelen, zocht steun voor een gewapend oproer in het noorden, maar slaagde er niet in.
Margaretha, gesteund door Oranjes tegenstanders in de Raad van State, Mansveld, Aerschot, Berlaymont en Megen, liet in de tussentijd een leger oprichten om de protestanten te bestrijden. Van december 1566 tot maart 1567 werd de Henegouwse stad Valencijn door het regeringsleger belegerd. Een geuzenleger wilde Valencijn (Valenciennes) te hulp schieten, maar werd bij Slag bij Oosterweel op 13 maart 1567 vernietigend verslagen. Het calvinistenbolwerk Doornik was al begin januari gevallen en Valencijn viel tien dagen na de slag. De rust was hersteld en van godsdienstvrijheid kon geen sprake meer zijn.
Egmont en Horne legden Margaretha de eed van trouw af. Oranje, Brederode en andere vooraanstaande edelen voorzagen dat zij als een opstandeling gezien zouden worden en om streng optreden te voorkomen, weken zij uit naar Duitsland. Voor even leek het alsof de opstand voorbij was.
Onderdrukking onder Alva thumb|Fernando Álvarez de Toledo, hertog van Alva, landvoogd van de Nederlanden en kapitein-generaal, door Willem Key.