thumb|Pokkenvaccin bereid via kalveren. Speciale naald, 2002. thumbtime=51|thumb|Waarom zijn vaccins zo belangrijk? - Universiteit van Vlaanderen thumb|Het voorkomen van pokken, polio en mazelen voor en nadat er een vaccin beschikbaar werd. Een vaccin zorgt voor een vermindering van het aantal besmettingen in een populatie, en draagt bij aan het verminderen van het aantal doden.

Een vaccin of entstof is geen geneesmiddel, maar een preventief middel tegen ziekte. Na toediening van een vaccin of inenting, zijn mens of dier min of meer langdurig beschermd tegen een infectieziekte door een specifiek schadelijk micro-organisme of pathogeen. Het gaat daarbij hoofdzakelijk om virussen en sommige bacteriën. Een vaccin kan bestaan uit een biologisch (natuurlijk) of genetisch gemanipuleerd antigeen (eiwit), of uit genetische fragmenten (DNA of mRNA), met eventueel daaraan toegevoegd virale vectoren uit de gedode of verzwakte pathogeen. Een toegediend vaccin wekt bij mensen (of dieren) een immuunrespons op zonder hen ziek te maken. De gevaccineerde is door de vaccinatie bestand tegen de gevolgen van een eventuele latere infectie door de betreffende pathogeen. Het door het vaccin getrainde immuunsysteem, meer speciaal het verworven of specifieke immuunsysteem, dat wordt gevormd door speciale witte bloedcellen (B-geheugencellen en T-geheugencellen), zal de binnengedrongen pathogeen herkennen en uitschakelen. Zo wordt een verdere verspreiding van de pathogeen door de lichaamsweefsels (een infectieziekte) van het organisme voorkomen.

Vaak dient een vaccin ter preventie van verschillende infectieziektes tegelijk en worden combinaties van entstoffen toegepast. Zo kent men voor de mens het DKTP-vaccin dat tegelijkertijd beschermt tegen difterie, kinkhoest, tetanus en poliomyelitis. Dit noemt met een combinatievaccin.

Een nieuwe, onbekende pathogeen kan leiden tot een landelijke epidemie, of zelfs een pandemie, omdat er nog geen vaccin beschikbaar is: de populatie is niet ingeënt en heeft geen immuniteit kunnen opbouwen. Een voorbeeld hiervan is de coronapandemie die in 2020 uitbrak. Het ontwikkelen en produceren van vaccins is essentieel voor de volksgezondheid en wordt in veel landen gefinancierd en uitgevoerd via een vaccinatieprogramma door de overheid.

Etymologie Vaccineren komt van het Latijnse woord vaccinia, de Latijnse medische naam voor het koepokkenvirus, vaccus is Latijn voor koe. Het stamt uit het einde van de 18e eeuw en verwijst naar de door Edward Jenner ontwikkelde methode om mensen met het koepokkenvirus te besmetten, waardoor ze ook weerstand kregen tegen het nauw verwante gewone pokkenvirus, dat gevaarlijk is voor mensen.

Soorten vaccins Er zijn verschillende soorten vaccins in gebruik:

Antigeenbevattende vaccins 'klassieke' vaccins die volledige, whole micro-organismen bevatten, hetzij in verzwakte of geïnactiveerde vorm (bijvoorbeeld sommige poliovaccins, het buiktyfusvaccin dat ingeslikt kan worden en het Sanofi-GSK COVID-19-vaccin dat nog in ontwikkeling is) geïnactiveerde vaccins worden gemaakt door het virus te behandelen met chemicaliën (bijvoorbeeld formaldehyde) of met behulp van irradiatie of UV-stralen. Zij zijn over het algemeen niet zo efficiënt en vergen herhaalde toediening ("booster"). levende vaccins of levend verzwakte vaccins zijn vaccins waarin de ziektekiem nog levend maar in sterk verzwakte vorm aanwezig is. Men zorgt bijvoorbeeld dat het virus thermosensitief wordt, waardoor het zich niet bij een normale lichaamstemperatuur zal kunnen vermenigvuldigen. Daardoor is zijn ziekmakend vermogen veel kleiner dan de natuurlijke ziektekiem. De meeste levende vaccins zijn virusvaccins. Levende vaccins zijn efficiënter dan geïnactiveerde vaccins maar kunnen een bepaald risico inhouden bij verzwakte personen of zwangere vrouwen. vaccins die bestaan uit gezuiverde macromoleculen anatoxines subunit-vaccins geconjugeerde vaccins Antigeencoderende vaccins virale-vectorvaccins – vaccins op basis van recombinante virussen RNA-vaccins

Experimentele soorten vaccins bacteriële-vectorvaccins DNA-vaccins Inverse vaccins Virus-like particles-vaccins

Toediening van vaccins

Vaccins worden intramusculair, subcutaan of intracutaan als een injectie toegediend. Sommige levende, maar verzwakte, vaccins kunnen worden geslikt, of in een op de huid aangebracht krasje gewreven. Het poliovaccin van Albert Sabin wordt middels een suikerklontje toegediend. Er wordt geëxperimenteerd met toediening via de neus (intranasaal). Bij de meeste vaccinaties is er na een maand een tweede, boosterdosis nodig, en soms, na enige maanden, nog een derde.

Geschiedenis

Athene in 430 voor Christus De Griekse historicus en generaal Thucydides beschreef in zijn Geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog (Ἱστορίαι) de plaag van Athene, de epidemie die in 430 v.Chr. in Athene uitbrak. In dit werk, een van de eerste wetenschappelijke geschiedenisboeken, beschreef hij verworven immuniteit. Hij zag onder andere dat de slachtoffers vooral vielen in de dichtstbevolkte wijken van Athene en dat artsen het grootste risico liepen om besmet te worden. Verder stelde hij vast dat de epidemie niet alleen in Athene woedde, maar door soldaten tot ver buiten de stad verspreid werd.

Zijn belangrijkste ontdekking was dat men niet opnieuw ziek werd (of minder ernstig ziek) als men de plaag had overleefd (zoals hijzelf). Deze immune patiënten konden de zieken blijven verzorgen.

In het oude Rome dacht men algemeen - dankzij Hippocrates - dat miasmen (te vertalen als verontreinigde lucht) besmettelijke ziekten veroorzaakten en verspreidden. Organisch materiaal veroorzaakte giftige dampen die de lucht verontreinigden en de mens ziek maakten. Mensen in dichtbevolkte gebieden werden dus massaal ziek.Malaria ontleent zijn naam aan het Latijnse mala aria of slechte lucht. De oorzaak van miasmen zocht men ook in zonsverduisteringen, vulkanische uitbarstingen, kometen en bovennatuurlijke verschijnselen.

Thucydides bedacht een theorie die revolutionair was in zijn tijd, zonder enig besef van bacteriën of virussen. Hij zag de besmettelijkheid van de plaag (menselijk contact en niet het inademen van dezelfde besmette lucht) en vond dat het doormaken en overleven van de plaag bescherming bood tegen een volgende besmetting. Hiermee legde hij het fundament voor de moderne epidemiologie en immunologie. miniatuur|Samuel Freeman naar Godfrey Kneller: Lady Mary Wortley Montagu (1689 – 1762)

Ontdekking van variolatie Het pokkenvirus of variola was een ernstige infectieziekte, meestal opgelopen door inademing van vochtdruppeltjes van besmette personen. Na het verschijnen van symptomen die lijken op griep ontstaat een typische huiduitslag met vochtblaasjes, die leidt tot etterende zweren. Hierna drogen deze pokken op en vallen de korstjes af, vaak met blijvende littekens.

De Chinezen wisten al vóór de 15e eeuw dat wie de pokken overleefde, de ziekte geen tweede keer meer kon krijgen. Men trachtte kinderen te beschermen tegen de pokken door ze bewust hiermee in aanraking te brengen. De kenmerkende korsten van besmette personen droogde men en injecteerde ze dan met een pijpje in de neus van jonge kinderen. Ze kregen hierdoor een mildere vorm van de besmetting die hen beter beschermde tegen een volgende infectie. Een kleine incisie (snee) in de arm met korsten gaf nog betere resultaten.

Deze techniek, genaamd variolatie of inoculatie, verspreidde zich door het Midden-Oosten. Ook in Groot-Brittannië kreeg men aan het begin van de 18e eeuw interesse, dankzij de Britse Lady Mary Wortley Montagu, de vrouw van de Britse ambassadeur in Constantinopel. Tijdens haar tijd in het Ottomaanse rijk leerde zij deze techniek kennen en liet vervolgens in 1718 haar zoon varioleren onder toezicht van Charles Maitland, een Schotse arts die op de Britse ambassade werkte.

miniatuur|Meisje met pokken sinds 1973 in Bangladesh, 1975. In december 1977 was Bangladesh volgens een Commissie van de WHO vrij van pokken.

Van variolatie naar vaccinatie De Engelse arts John Fewster begon in 1768 zijn patiënten te varioleren tegen de pokken, maar zonder veel resultaat. Het bleek dat zij allemaal reeds besmet waren geweest met een andere, mildere variant van de pokken, de koepokken, een virale huidziekte bij runderen, waarbij besmette dieren vaak zweren op hun uier ontwikkelen. Wie koeien melkt kan via kleine wondjes op zijn handen besmet worden door het virus, dat een plaatselijke ontstekingsreactie geeft. Deze ontsteking geneest spontaan na enkele weken. De nauwe verwantschap van koepokken met de echte pokken zorgde voor de immuniteit tegen de echte pokken. Mensen op het platteland wisten dat, maar artsen deden dit af als kletspraat.

De Engelse arts Edward Jenner verzamelde hier bewijs voor en publiceerde als eerste een beschrijving van het beschermende effect van vaccinatie. Benjamin Jesty, een Engelse boer, vaccineerde voor het eerst zijn vrouw en kinderen maar interesseerde zich verder niet voor het verkennen en verspreiden van deze techniek.

Jenner had amper zelf variolatie overleefd. Het trauma dat hij hier aan had overgehouden was zijn motivatie om een beter alternatief te vinden. Hij ontmoette in 1796 Sarah Nelms, een melkmeisje met zweren op haar handen, veroorzaakt door koepokken. Jenner dacht aan wat Fewster had geobserveerd en nam wat vocht af uit een van haar wonden. Hij kraste dit in de arm van James Phipps, het achtjarig zoontje van zijn tuinman. James werd ziek van de koepokken, met milde symptomen, maar hij herstelde volledig. Toen Jenner de jongen na twee maanden opnieuw varioleerde, dit keer doelbewust met de echte pokken, bleef James gezond en kon Jenner de conclusie trekken dat het kind immuun was voor de pokken.

miniatuur|James Gillray: The Cow-Pock .... Spotprent op de inenting in een ziekenhuis in St. Pancras, Londen. Koeien duiken op uit neuzen, billen en dijen. Aan de muur een afbeelding van het Gouden kalf, 1802.

Jenner wist de gevaren van variolatie te omzeilen door de mildere koepokkenvariant te gebruiken. Hij noemde zijn techniek vaccinatie, naar vacca, het Latijnse woord voor 'koe'.

Omdat hij zijn werk niet gepubliceerd kreeg, gaf hij het in 1798 zelf uit. Veel enthousiasme lokte dat in het begin niet uit. Men vond het niet logisch: een besmetting oplopen via een ziek dier om zelf niet ziek te worden. Jenner kon ook niet uitleggen wat koepokken waren en waardoor ze tegen pokken bescherming boden.

Het staat vast dat zijn onderzoek talloze levens heeft gered. In de 20e eeuw stierven om en bij 300 miljoen mensen aan pokken. In 1980 werd deze ziekte officieel als uitgeroeid verklaard door de Wereldgezondheidsorganisatie. Dat was het resultaat van een wereldwijde vaccinatiecampagne die dertien jaar duurde.

Experimenten van Louis Pasteur Het duurde tot aan het einde van de 19e eeuw vooraleer de kiemtheorie officieel de miasmatheorie verving. De kiemtheorie stelde dat de oorzaak voor ziekten onzichtbare micro-organismen zijn. Henry Toussaint, een Franse microbioloog, stuurde zijn collega Louis Pasteur een bacterie toe. Het was de Pasteurella multicoda, de veroorzaker van dodelijke cholera bij pluimvee. Een assistent van Pasteur, Émile Roux, liet bij toeval of niet een cultuur van deze bacterie enkele weken in het laboratorium staan, niet afgeschermd van de lucht. Geïnjecteerd bij kippen veroorzaakte die wel kort ziekte, maar zonder dodelijke afloop. Als er een verse cultuur bacteriën enige tijd later bij dezelfde kippen werd geïnjecteerd, bleven ze gezond.

Pasteur realiseerde zich snel dat hier opvallend veel overeenkomsten waren met de koepokkenvaccinatie van Jenner. Injectie van een verouderde en daardoor verzwakte vorm van de bacterie leidde tot bescherming tegen een volgende infectie met de verse en dus gevaarlijkere bacterie.