Antieke filosofie of klassieke filosofie, is de aanduiding voor de filosofie van de klassieke Griekse, en enkele Romeinse filosofen. De periode van de antieke filosofie loopt van de zesde eeuw v.Chr. tot de vijfde eeuw n.Chr. en kan, enigszins schematisch, worden onderverdeeld in respectievelijk: de presocratische of wordingsperiode (zesde eeuw - vijfde eeuw v.Chr.), de bloeitijd (vijfde - vierde eeuw v.Chr.), en een post-klassieke periode (derde eeuw voor - vijfde eeuw na Chr.).

In de klassieke oudheid omvatte filosofie de onderwerpen die later zijn afgesplitst als aparte wetenschappen, zoals natuurkunde, psychologie, biologie, kosmogonie. Aanvankelijk hielden de Griekse filosofen zich vooral bezig met de vraag naar het ontstaan en bestaan van de wereld, waarbij de grote stap was dat men afstand nam van de traditionele mythen, die dit onderwerp ook behandelden. Met de sofisten en Socrates krijgt de filosofie een sociaal aspect, en komen vragen over menselijk gedrag in de belangstelling. Met Plato neemt de metafysica een hoge vlucht, maar hij incorporeert in zekere zin al het voorafgaande, en bereidt wat na hem komt voor. Zijn filosofie is één reusachtig bouwwerk waarbinnen alles met elkaar samenhangt, of hij zich nu bezighoudt met natuurfilosofie, met de vraag wat kennis is, wat liefde is, en hoe een samenleving eruit moet zien. Bij Aristoteles scheiden verschillende disciplines zich af, omdat voor hem niet alles met alles samenhangt. Hij is tevens de uitvinder van de logica. De hellenistische filosofie houdt zich vervolgens bezig met taalfilosofie en logica (de Stoïcijnen), en grijpt voor haar natuurverklaringen deels terug op de filosofen van vóór Socrates' tijd, maar tegelijkertijd komt de vraag op naar het menselijk geluk, naar hoe innerlijke rust te bereiken is. Met het neoplatonisme doet een mystiek element zijn intrede in de antieke filosofie. thumb|De Atheense school van Rafaël Santi, waarop tal van Griekse filosofen staan afgebeeld

Presocraten De vroegste periode is de presocratische. De westerse filosofie begint in Milete, en de allereerste Griekse denkers staan daarom bekend als de Milesische natuurfilosofen. Hun onderzoeksveld was geheel gericht op het uiterlijk waarneembare en het uiteindelijk vinden van de archè, het oerbeginsel. Het omvatte niet alleen wat tegenwoordig filosofie genoemd wordt, maar ook alles wat tegenwoordig wetenschap heet. Van geen van deze vroege schrijvers is een volledig werk bewaard gebleven. Alle Griekse filosofie van voor de tijd van Socrates staat bekend als de presocratische filosofie. Deze filosofie was hoofdzakelijk kosmologisch en kosmogonisch van aard. De presocraten zochten in de eerste plaats naar een fundamentele verklaring voor de natuurverschijnselen die zij om zich heen waarnamen, zoals zons- en maansverduisteringen en de jaarlijks terugkerende overstromingen van de Nijl nadat Sirius was opgekomen. Zij deden daarbij bewust geen beroep op de traditionele Oud-Griekse godsdienst.

De presocratische filosofen onderscheidden zich van hun voorgangers. Hun werken bevatten naast dogmatische beweringen over ontstaan en opbouw van de wereld namelijk ook beredeneerde argumenten voor verschillende wereldbeelden, verklaringen waarom iets niet alleen zo is, maar ook waarom het vreemd zou zijn indien het anders zou zijn. Volgens Thales drijft de aarde bijvoorbeeld op water. Dat verklaart niet alleen het zich voordoen van aardbevingen, maar maakt ze tot onvermijdelijke verschijnselen.

De methode die deze vroege Griekse filosofen hanteerden bij het opstellen van hun antwoorden was even belangrijk als de vragen (Waar komt alles vandaan, Waar gaat alles naartoe? Waarvan is alles gemaakt?) die zij zich stelden. De presocratische filosofen gebruikten de waarneming samen met de rede om de aard van de wereld om hen heen te verklaren. En hoewel latere filosofen uitvoerig hebben gedebatteerd over de relatieve waarde van beide, hebben ze zich na 2500 jaar fundamenteel verenigd in het gebruik van de methode die het eerst gebruikt werd door de presocraten.

Een probleem bij het preciseren van de ideeën van de presocraten is de gebrekkige overlevering van hun werken. We beschikken slechts over tekstfragmenten, samen met citaten en samenvattingen bij latere filosofen en schrijvers.

Sofisten Tevens waren er de sofisten. Van Protagoras (± 490 - 420 v.Chr.), de beroemdste sofistOns woord sofist in zijn negatieve betekenis van iemand die scherpzinnige drogredenen of schijngronden aanvoert (Van Dale) gaat terug op de negatieve schildering die Plato van de Sofisten gaf, als retorici die ieder standpunt verdedigden naargelang ze ervoor betaald werden. Zie ook de naam die Aristoteles gaf aan zijn werk over drogredenen: Sofistische weerleggingen. De sofistiek wordt normaliter niet als een filosofische stroming in de eigenlijke zin van het woord beschouwd, maar als een overgangsfase naar de opleving van de filosofie in Athene. Vergelijk de opmerking van R.J. Hankinson n.a.v. Gorgias' Helena (op blz. 513 van de Cambridge History of Hellenistic Philosophy): It is not serious philosophy, but it raises serious philosophical points. Het streven sofistische redeneringen te weerleggen is zowel voor Plato als voor Aristoteles een belangrijke inspiratiebron geweest., is de relativistische uitspraak: De mens is maat van alle dingen. Van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn.. Deze nogal duistere en voor vele verklaringen vatbare uitspraak is waarschijnlijk gericht tegen de pretentie van de natuurfilosofen op een boven-persoonlijke waarheid en/of benadrukt de subjectiviteit van oordelen. Het optreden van de sofisten maakte bij het (jonge) Atheense publiek ook in algemene zin anti-traditionele gevoelens los. De sofisten benadrukten in hun onderwijs het maatschappelijk optreden, met name het spreken in het openbaar. Zodoende is iemand als Gorgias (± 480 - 399 v.Chr.) eerder als redenaar dan als sofist de geschiedenis in kunnen gaan.

Bloeitijd van de antieke filosofie De nu volgende periode voltrok zich in Athene, culminerend in de Akademeia van Plato, het Lykeion van Aristoteles en de daar ontstane werken.

Socrates Socrates (470 - 399 v.Chr.) is een wat problematische figuur: zijn roem dankt hij aan zijn dood, veroordeeld tot het drinken van de gifbeker, en aan Plato, die hem als belangrijkste spreker in zijn dialogen op laat treden. Socrates zelf heeft niets geschreven, maar het staat vast dat hij in Athene een betwiste figuur was. Hij werd door veel tijdgenoten als een van de sofisten beschouwd, maar heeft ongetwijfeld stimulerend gewerkt op de intellectuele ontwikkeling van Plato en anderen. Zijn naam wordt in de latere klassieke filosofie door bijna alle stromingen gebruikt om de volmaakte wijze aan te duiden. Het is niet mogelijk definitief vast te stellen wat Socrates' opvattingen waren, omdat bijna alles wat aan Socrates wordt toegeschreven er op is terug te voeren wat Plato hem laat zeggen. Meningen verschillen in hoeverre Plato hier de historische Socrates aan het woord laat of dat hij Socrates alleen zijn eigen opvattingen laat verwoorden.

Plato thumb|Plato

Plato's (428 - 347 v.Chr.) werk is in zijn geheel overgeleverd en er is een ontwikkeling zijn werk te onderkennen. Hij roept in zijn eerste aporetische dialogen, vragen op waarop geen enkel antwoord als afdoende wordt erkend, brengt in zijn klassiek geworden werken als het Symposium, de Staat en de Phaedrus stelligere opvattingen naar voren, onder andere dat de ziel onsterfelijk is, geeft in zijn IdeeënleerVan het Griekse woord ἰδέα, idea, dat aanblik of vorm betekent. Plato gebruikte hiervoor ook het woord eidos, vorm, voor. Ons woord idee heeft zijn betekenis gekregen doordat binnen het neoplatonisme Plato's Ideeënleer als gedachten van een godheid werd gezien. eeuwige, immateriële, transcendente voorbeelden, waarvan alles dat in onze wereld bestaat alleen een afbeelding is, waar de dingen om ons heen pas worden wat ze zijn door er aan mee te doen en waar alles naar streeft als naar zijn vervolmaking, maar is in de beschrijving daarvan kritisch, en houdt zich in zijn latere werken als de Theaetetus en de Sofist, ook ten aanzien van de problemen beschreven in de Ideeënleer, bezig met ons kenproces.

Plato was niet alleen filosoof, maar ook schrijver. Zijn werk is goed te lezen, het verklaart waarom zijn hele werk is overgeleverd en waarom hij zo'n grote invloed op de hele verdere filosofie heeft uitgeoefend.

Aristoteles Aristoteles (384 - 322 v.Chr.) was een leerling van Plato. Alleen de werken van Aristoteles zijn overgeleverd die voor onderwijs en onderzoek binnen een kleine kring waren bedoeld. De stijl waarin deze werken zijn geschreven is dan ook minder 'literair' dan die van Plato, maar kenmerkt zich vooral door een zeer bondige stijl. Aristoteles deed veel onderzoek, bijvoorbeeld op het gebied van de biologie, de staatkunde en de literatuur, en betrok vaak alle hem bekende eerdere opvattingen over een onderwerp in zijn eigen onderzoek. Hij is de uitvinder van de logica, een inventarisatie van geldige redeneringen, los van hun inhoud, een discipline die voor hem geen deel uitmaakt van de filosofie maar eraan voorafgaat. Zijn categorieënleer, de uiteenrafeling van de betekenissen van het Griekse werkwoord 'zijn' is gebaseerd op de Sofist van Plato. Dat is er een voorbeeld van hoezeer hij op het werk van Plato heeft voortgebouwd, maar zonder dit altijd toe te geven.

Hij gebruikte voor het in kaart brengen van de wereld om ons heen de vormAristoteles gebruikte voor vorm zowel morfè als eidos. Plato gebruikte in zijn Ideeënleer ook eidos. Het verschil is dat deze vorm concreet is en niet transcendent. Dat onze indeling trouwens schematischer is dan de historische werkelijkheid blijkt er bijvoorbeeld ook uit dat Democritus zijn 'atomen' ook als vormen aanduidde, Grieks: atomoi ideai, ondeelbare vormen. en de materie: alles om ons heen bestaat uit deze twee elementen. De vorm is hierbij het wezenlijke, waarnaar een voorwerp wordt benoemd. Als een deur van hout is, is het in de eerste plaats een deur en geen hout. De dynamiek in zijn teleologische wereldbeeld wordt bepaald door actualiteit en de mogelijkheid: hout is geen deur, maar een deur kan daarmee wel worden gemaakt. Het teleologische zit hem hierin, dat bijvoorbeeld een eikel als doel, Grieks τέλος, telos, heeft een eik te worden.

Hellenistische filosofie De hellenistische filosofie is de antieke filosofie uit de periode van het hellenisme.

Epicurisme left|thumb|Epicurus

Anders dan bij de andere hellenistische stromingen, is de inhoud van het epicurisme goeddeels bepaald door zijn stichter Epicurus (341 - 270 v.C.). Hij heeft talloze werken geschreven over de wereld en de natuur, vreemd genoeg in de overtuiging dat het hierbij niet om de waarheid gaat, maar om het effect dat deze opvattingen kunnen uitoefenen op mensen. De filosofie heeft immers het menselijke geluk als enige doel. Epicurus grijpt in zijn natuurkunde terug op de atomisten, met dit verschil dat er bij hem sprake is van een clinamen: een onvoorspelbare zijwaartse beweging binnen de reguliere verticale beweging van de atomen, die op menselijk niveau correspondeert met de vrije wil, en algemener met de onvoorspelbaarheid van het bestaan. De beweging van de atomen door de lege ruimte heeft geen doel, er zit geen plan of hogere doelstelling achter waaraan men dient te gehoorzamen.

Afwezigheid van vrees en pijn garanderen ons geluk. Goed en kwaad meet het epicurisme dan ook af aan gewaarwordingen van genot en pijn. Hierbij is het veelal goed om af te zien van een klein genot, omdat te voorzien is dat het later gevolgd zal worden door onbehagen of wroeging. Het toppunt dat in deze te bereiken is, is de ataraxia: de toestand waarin we niet verstoord worden door enige angst of pijn, een toestand van innerlijke onverstoorbaarheid. De mens staat dan nog wel open voor de geneugten van de vriendschap.