Oisterwijk () (uitspraak: Oosterwijk) is een dorpANWB Topografische Atlas Noord-Brabant (2005) - kaart 70 142-400 . De plaats heeft in 1212 weliswaar stadsrechten verkregen, maar de gemeente noemt haar hoofdplaats in de Volkstelling van 1840 zelf een dorpwww.https://www.plaatsengids.nl/oisterwijk in Noord-Brabant en hoofdplaats van de gemeente Oisterwijk. In telde de plaats Oisterwijk inwoners.
Ligging Oisterwijk ligt tussen Tilburg en Boxtel. Nabijgelegen kernen zijn Berkel-Enschot, Moergestel, Udenhout, Haaren en Oirschot.
Streektaal In de gemeente Oisterwijk wordt Oisterwijks gesproken, een tot het Midden-Noord-Brabants behorend subdialect dat op zijn beurt deel uitmaakt van het Brabantse dialect. Het Oisterwijks verschilt in bepaalde dingen van het Tilburgs, waar het soms ten onrechte mee wordt vereenzelvigd. Al lijkt het Oisterwijks dialect en Tilburgs dialect wel op elkaar.
Etymologie De naam Oisterwijk betekent een ten oosten van Oost-Tilburg liggende wijk. Het woord wijk is afgeleid van het Latijnse vicus dat markt- of handelsplaats betekent. Met Oost-Tilburg was de nederzetting rond de kerk aan het Kerkplein in het huidige Oisterwijk bedoeld. Deze verklaring hangt samen met het feit dat de historische kern van Oisterwijk een samensmelting is van het dorpje Oost-Tilburg rond de kerk en het stadje Oisterwijk rond De Lind. Overigens werd met West-Tilburg het huidige Tilburg bedoeld.
Geschiedenis 150px|left|thumb|Oisterwijk in 1867 De oudste vermelding van de omgeving van Oisterwijk is in het Liber aureus uit 1191, waarin de tekst van een akte is opgenomen die uit 21 mei 709 zou stammen maar die niet meer bestaat. Hierin staat dat de heilige Willibrordus een domein te Alphen geschonken zou hebben gekregen en dat de akte in Tilburg zou zijn opgemaakt (actum publice Tilliburgis).
Later ontstonden in dit gebied twee parochies: West-Tilburg en Oost-Tilburg. Laatstgenoemde was aan Sint-Petrus gewijd. Tussen deze twee parochies was nog de parochie Enschot gelegen, terwijl in Berkel en Helvoirt, en later ook te Udenhout, kapellen werden gesticht. De Heer van Tilburg had een mottekasteel, Ter Borch geheten, dat waarschijnlijk lag bij de samenvloeiing van de Voorste Stroom en de Achterste Stroom. In de nabijheid hiervan bevond zich ook de Watermolen Ter Borch die in 1300 al bestond en in 1924 werd gesloopt.
Oisterwijk kreeg in 1212 van hertog Hendrik I van Brabant marktrechten en werd gesticht op het grondgebied van de parochie Oost-Tilburg. Dit verklaart ook de naam 'Oisterwijk'. De stichting van Oisterwijk en vier andere vrijheden (oppida libera que de novo feceramus) vond plaats om aldus de invloedssfeer van de hertog uit te breiden en vloeide voort uit een overeenkomst met de heer van Breda. De plaatselijke heren werden geleidelijk aan gedwongen om de hertog als hun leenheer te erkennen. In 1230 verleende de hertog het nieuwe dorp vrijheidsrechten. Deze hielden onder meer marktrechten en vrijstellingen van bepaalde belastingen in, maar niet het recht om de stad te ommuren en ook geen tolvrijheid op de Rijn. Van lieverlee nam de betekenis van de nederzetting Oisterwijk ten koste van die van de parochie Oost-Tilburg toe en werd 'Oisterwijk' de enige gehanteerde aanduiding voor het geheel van het oude dorp Oost-Tilburg rond de kerk en Oisterwijk rond De Lind. De nederzetting koos voor het recht van 's-Hertogenbosch en werd de hoofdplaats van het Kwartier van Oisterwijk, een van de vier kwartieren van de Meierij van 's-Hertogenbosch. In 1231 kwam het patronaatsrecht van de Sint-Petruskerk in handen van de Sint-Geertrui-abdij te Leuven. In 1259 was voor het eerst sprake van een schepenbank.
Tegen het einde van de 14e eeuw had Oisterwijk reeds zijn huidige hoofdstructuur, bestaande uit een brede, plein-achtige straat van bijna een kilometer lang, de Plaatse geheten, voortgekomen uit de oude marktplaats die in 1212 stadsrechten kreeg. Aan beide zijden lagen knooppunten van wegen. In het oosten waren wegen naar Oirschot, Boxtel, 's-Hertogenbosch, Haaren en Heusden. Vanuit het westen waren wegen naar Moergestel, Tilburg en Heukelom.
In en rond Oisterwijk stonden diverse kastelen. Kasteel Durendaal is gebouwd in de middeleeuwen maar werd in de 19e eeuw gesloopt. Van de Weijenberg zijn in 1999 nog restanten gevonden, waarna het kasteelterrein is overbouwd.
In de late middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen stond de stad bekend om zijn lakenindustrie en bierbrouwerijen en had mede daardoor zo nu en dan te lijden van vijandelijke aanvallen, onder meer van de 16e-eeuwse Gelderse veldheer Maarten van Rossum. Ook in de Tachtigjarige Oorlog was Oisterwijk meermalen inzet van gevechtshandelingen.
Van een kerk was reeds sprake in 1192 en 1214, en een pastoor werd genoemd in 1230. De Sint-Petruskerk stond vrijwel op dezelfde plaats als de huidige. In de nabijheid was een begijnhof en een nonnenklooster, Catharinenberg genaamd. Het oorspronkelijke Catharinenberg werd omstreeks 1440 gesticht en de zusters volgden de Derde regel van Sint-Franciscus. Tot 1731 woonden de zusters in Oisterwijk, daarna verhuisden ze naar Baarle-Hertog. De gotische kerk, die twintig altaren en een hoge toren bezat, werd op 11 juni 1587 verwoest tijdens een overval van Staatse troepen onder bevel van Filips van Hohenlohe-Neuenstein. Herstel volgde in de jaren 1608-1616, waaraan een balk met inscriptie herinnerde. In 1648 kwam de kerk echter in handen van de Hervormden. De katholieken betrokken enige decennia later een schuurkerk aan de Schijf. In 1722 splitste de parochie Berkel-Udenhout zich van Oisterwijk af en in 1851 werden Berkel en Udenhout beide zelfstandige parochies.
Ondertussen kregen de katholieken einde 18e eeuw hun kerk weer terug, die echter zwaar verwaarloosd was. Voor de Hervormden werd in 1810 een Napoleonskerk gebouwd. De katholieken sloopten in 1823 het dwarsschip van hun kerk en in 1895 werd de kerk gesloopt en vervangen door een nieuwe die in 1897 werd ingewijd. De tussenliggende jaren werd gekerkt in een houten noodkerk. De balk met inscriptie belandde uiteindelijk in het bejaardentehuis "Ter Perre". Het duurde tot 1928 alvorens er een tweede parochie in Oisterwijk kwam. Op 27 mei 1998 vond tijdens reparatiewerkzaamheden een felle brand plaats in de toren van de Sint-Petruskerk. De spits stortte in en delen kwamen op het dak terecht waarbij een kroonluchter neerstortte op de kerkbanken. De schade werd nadien hersteld.
In 1844 stichtten zusters Franciscanessen vanuit het Klooster Nazareth te Oirschot opnieuw een klooster op de plaats van het vroegere Catharinenberg. In de jaren 30 van de 20e eeuw verrees aan de huidige Schoolstraat een kloostercomplex met scholen en kapel. Nadat de zusters begin 21e eeuw vertrokken waren kregen de diverse onderdelen een verschillend gebruik, waaronder een muziekschool. De Joodse gemeente ontstond nadat er begin 18e eeuw joden in Oisterwijk kwamen wonen. In 1748 werd een Joodse begraafplaats in gebruik genomen en in 1758 werd een synagoge ingewijd. Aanvankelijk werden hier ook overledenen uit Tilburg begraven, maar aldaar stichtte men een eigen gemeente en de Oisterwijkse gemeente ging daar in 1908 volledig in op. De meeste joden trokken naar deze naburige stad.
In 1865 kwam er een spoorwegstation. De economische geschiedenis van Oisterwijk wordt hieronder verteld.
In 2012 vierde Oisterwijk dat het 800 jaar geleden was dat zij stadsrechten kregen. Er vonden diverse festiviteiten plaats.Oisterwijk 800
Economische geschiedenis Landbouw en textiel In Oisterwijk bestond vanouds enige met textiel verbonden nijverheid, gebaseerd op laken en linnen. Zo was er de textielververij van Arnold en Wouter Holleman, alwaar uit meekrap ook garancine geproduceerd werd. Dit gebeurde van 1852-1875. Hier werden ook weefsels vervaardigd. De Oisterwijkse textielindustrie was in 1870 vrijwel verdwenen door de opkomst van Tilburg als textielstad. De aardappelziekte omstreeks 1850 en de invoer van goedkoop graan uit de Verenigde Staten in het laatste kwart van de 19e eeuw zorgden voor een crisis in de landbouw. De boeren verenigden zich in de Coöperatieve roomboterfabriek "De Boterbloem". De groeiende bevolking kon voorts werk vinden in de opkomende nijverheid.
Schoenindustrie Schoenmakers waren er in de meeste Brabantse dorpen te vinden. Daarnaast werd de vervaardiging van schoeisel uitgeoefend als huisnijverheid. Gedurende de tweede helft van de 19e eeuw steeg het aantal schoenmakers. Er was, ook vanuit het leger, een groeiende vraag naar schoenen. In 1912 vond 70% van de Nederlandse schoenenproductie in Noord-Brabant plaats. Het aantal Oisterwijkse schoenmakers steeg in de periode 1860-1910 van 28 tot 347 en de laatsten waren uiteindelijk werkzaam in 5 grote en 15 kleine bedrijven. Pas omstreeks 1900 kwamen de eerste gemechaniseerde fabrieken op, daarvoor werd voornamelijk in manufacturen gewerkt. De eerste aanvraag voor een schoenfabriek was van J.P. van Arendonk (1899).
In het daaropvolgende decennium volgden er nog meer. In 1930 werkten bij NV Paijmans en Zonen schoenfabrieken (PAZO) al 310 mensen. Roosen-De Bakker telde toen 200 arbeiders en Stoomschoenfabriek La Hollande (fa. Larsen) had in 1927 meer dan 100 arbeiders in dienst. De oprichting van een Vakschool voor Schoenmakers en de mechanisatie zorgden voor een toename van productiviteit en kwaliteit. Uiteindelijk heeft Oisterwijk vele grote en kleine fabrieken gekend waar dames-, heren- en kinderschoenen werden vervaardigd, alsmede pantoffels (zie Lijst van Nederlandse schoenfabrieken voor een groot aantal van deze Oisterwijkse bedrijven). Na het topjaar 1965 begon de neergang, vooral door concurrentie, eerst van Italië en later van landen als Taiwan en China.
Lederindustrie Voor Oisterwijk was ook de leerlooierij van groot belang. Deze was toeleverancier voor onder meer de schoenindustrie. De aanwezigheid van stromend helder water en eikenschors was essentieel voor deze bedrijfstak. Ook deze vond oorspronkelijk plaats door tal van kleine familiebedrijfjes. In de Voorste Stroom werden tussen 1871 en 1878 wel 46.000 huiden gespannen. De beroepen van looier en schoenmaker, aanvankelijk gecombineerd, werden geleidelijk gescheiden specialismen. De looiers vervulden vaak ook openbare functies. Looier Hendrik van Beckhoven was omstreeks 1900 burgemeester van Oisterwijk. Ondertussen kwam vanuit Duitsland een modernere aanpak met chemische looistoffen en zeer grote fabrieken.
In navolging daarvan werd in 1916 de N.V. Lederfabriek Oisterwijk opgericht door C.J. Van der Aa die in 1920, via de in 1906 opgerichte Amsterdamsche Ledermaatschappij, opging in het concern Adler en Oppenheimer. De fabriek ging zich in kalfsleder specialiseren. Deze grootschalige fabriek leidde tot het verdwijnen van de kleinschalige looierijbedrijfjes. Gedurende de periode 1916-1930 steeg het aantal arbeiders in deze fabriek van 80 naar 850. In 1932 verkreeg ze het predicaat Koninklijke. Na de Tweede Wereldoorlog ging de fabriek rundleder produceren en in 1966 werd ze overgenomen door Hagemeyer. Het ging slecht met de leerindustrie en vele leerlooierijen sloten de poort. In 1970 werd de Koninklijke Chroomlederfabriek overgenomen en in 1974 ontstond aldus de Koninklijke Verenigde Leder (KVL). Dit was de grootste leerlooierij van Nederland. Niettemin ging het in de jaren 90 van de 20e eeuw steeds slechter met de lederindustrie. In 2000 werd bekend dat de fabriek zou moeten sluiten en in 2004 werd het faillissement uitgesproken.
In 2014 is begonnen met het renoveren van een groot deel van de complexen op wat bekend staat als het KVL-terrein. Menig gebouw kreeg daarbij een nieuwe bestemming. Onder andere het Europees Keramisch Werkcentrum is er gevestigd: een artistiek laboratorium waar nationale en internationale kunstenaars de mogelijkheden van keramische toepassingen onderzoeken, verbreden en herformuleren.
Sigaren thumb|left|Voorkant blikje De Huifkar