Het Despotaat Arta (Albanees: Despotati i Artës) (1367-1415) was een Albanees vorstendom geregeerd door het huis Shpata. Het despotaat kwam geografisch overeen met het noordwesten van Griekenland en ontstond nadat twee afzonderlijke Albanese entiteiten werden ondergebracht als geheel. Het strekte zich uit van de Ionische Zee in het westen tot Ioannina in het oosten, en van de Golf van Korinthe in het zuiden tot de Acheron in het noorden. Arta was de hoofdstad.

Geschiedenis Het Despotaat Arta ontstond als gevolg van de Albanese machtsuitbreiding in Epirus, Aetolië en Acarnanië. De opkomst van de Albanese heersers vond plaats tijdens een periode van grote politieke verdeeldheid in Zuid-Griekenland. Het voormalige Despotaat Epirus was verzwakt en verschillende Griekse, Servische en Albanese machthebbers streden om de controle over de regio. Een belangrijk keerpunt was de Slag bij Achelous in 1359. De Albanese krijgsheer Pjetër Losha en zijn bondgenoot Gjin Shpata versloegen daar de Epirotische heerser Nikephoros II Orsini. Nikephoros sneuvelde tijdens de veldslag, waarna de politieke machtsverhoudingen in Epirus sterk veranderden. De Albanese troepen namen grote delen van het gebied in en vestigden er verschillende politieke machtscentra.

Pjetër Losha vestigde zijn machtsbasis in Arta, terwijl Gjin Shpata zijn machtsgebied vanuit Angelokastro bestuurde. De twee Albanese heersers vormden geen volledig gecentraliseerde staat, maar waren verbonden door hun gemeenschappelijke afkomst, militaire samenwerking en belangen. Arta werd het belangrijkste politieke centrum van de Albanese heerschappij in Epirus. De Albanese machtsuitbreiding werd aanvankelijk geaccepteerd door Simeon Uroš, de Servische heerser van Thessalië en delen van Zuid-Griekenland. Simeon Uroš koos ervoor de Albanese vorsten niet rechtstreeks uit hun gebieden te verdrijven. De erkenning van hun machtspositie gaf Losha en Shpata de mogelijkheid hun gebieden verder te organiseren en hun positie tegenover de omliggende Griekse en Servische machthebbers te versterken.

Na de dood van Pjetër Losha in 1374 kwam zijn gebied rond Arta onder het gezag van Gjin Shpata. Hierdoor werd een groot deel van de Albanese gebieden in Epirus onder één heerser verenigd. Gjin Shpata groeide uit tot de machtigste Albanese vorst in Zuid-Griekenland. Zijn machtsgebied omvatte grote delen van Epirus, Aetolië en Acarnanië en bereikte daarmee het grootste territoriale bereik van de Albanese heerschappij in Zuid-Griekenland. De staat bleef echter politiek gedecentraliseerd. Naast de Shpata's waren verschillende lokale machthebbers actief en moesten de Albanese vorsten voortdurend rekening houden met de belangen van de Epirotische Grieken, Servische machthebbers, de Republiek Venetië en later de Tocco-dynastie. De Albanese heerschappij berustte daardoor in belangrijke mate op militaire macht, lokale allianties en het vermogen van de vorsten om hun gebieden persoonlijk te controleren. thumb|Fresco van Shpata-telgen in de Parigoritissa-kerk, Arta, Griekenland De belangrijkste tegenstander van de Shpata's werd uiteindelijk de Tocco-dynastie, die vanuit Kefalonia en Leukada haar invloed over West-Griekenland uitbreidde. De Tocco's probeerden de Albanese gebieden in Epirus en Aetolië opnieuw onder hun gezag te brengen. Hierdoor ontstonden langdurige oorlogen tussen de Albanese en Tocco-heersers. Na de dood van Gjin Shpata in 1399 verzwakte de Albanese machtspositie aanzienlijk. Zijn opvolgers konden de gebieden van de voormalige staat niet met dezelfde kracht bijeenhouden. De politieke verdeeldheid onder de Albanese heersers maakte het voor de Tocco's mogelijk om steeds verder in Epirus door te dringen.

Een van de laatste Albanese heersers van Arta was Jakub Shpata. Tijdens de toenemende Ottomaanse expansie probeerde hij zijn positie te behouden door steun bij de Ottomanen te zoeken. Zijn bekering tot de islam versterkte zijn banden met de Ottomanen en leverde hem militaire steun van sultan Mehmet I op. Tegelijkertijd veroorzaakte zijn bekering weerstand onder een deel van de christelijke bevolking en de lokale adel. De Ottomaanse aanwezigheid vormde echter niet de directe oorzaak van het einde van de Shpata-heerschappij. De beslissende verovering kwam vanuit de Tocco-dynastie. In 1416 viel Carlo I Tocco Arta binnen en versloeg hij de laatste Albanese machthebbers. Hiermee kwam een einde aan de zelfstandige Albanese heerschappij in Arta. De stad en omliggende gebieden werden opgenomen in het rijk van de Tocco's.

Despoten Pjetër Losha (1367–1374) Gjin Shpata (1374–1399) Skurra Shpata (1400–1401) Muriq Shpata (1401–1415) Jakub Shpata (1415–1416) Kaarten

Categorie:Historisch land op de Balkan Categorie:Geschiedenis van Albanië