De geschiedenis van de elektriciteit beschrijft de indruk die de elektrische en magnetische verschijnselen hebben achtergelaten op de mens in de historie. Al sinds de oudheid hebben vele mensen en instanties nagedacht over de elektrische fenomenen zoals bliksem, die ze waarnamen maar niet konden verklaren. Vanaf de 19e eeuw werd de bestudering meer theoretisch van aard terwijl vanaf de 20e eeuw de praktische toepassing een grote vlucht nam.

Oudheid Tijdlijn van elektriciteit Het fenomeen van magnetisme en statische elektriciteit is bekend bij de oude Grieken. De Griekse filosoof Thales houdt zich bezig met statische elektriciteit. In China noteert de Meester uit het Demonendal dat zeilsteen ijzer aantrekt. Eerste vermelding van de sinan, een naar het zuiden wijzende lepel die gebruikt wordt voor geomantiek (opgetekend in de Hanfeizi Youdu, gecompileerd door Liu Xiang) Elektrische verschijnselen waren in de oudheid nog onverklaard en wekten daarom vaak angst op bij de mens. De meest voorkomende uiting van elektrische krachten was in die tijd ongetwijfeld het soms verwoestende natuurverschijnsel onweer.

De oude Egyptenaren beschreven al rond 2750 voor Christus de schokken van elektrische vissen (bijvoorbeeld siddermeervallen), die ze de "donders van de Nijl" noemden en die ze als de beschermers van alle andere vissen zagen.

Maar ook statische elektriciteit was geen onbekend verschijnsel. Beïnvloed door Mesopotamische culturen beschreef de Griekse filosoof Thales van Milete reeds de elektrostatische eigenschappen van barnsteen – versteend hars van bomen – in de 6e eeuw voor Christus. Hij merkte, dat als er over een voorwerp van barnsteen werd gewreven, dit lichte voorwerpen als haar aantrok, en als er lang genoeg werd gewreven, er zelfs een vonk oversprong.

Het magnetisme wordt voor het eerst beschreven in de 4e eeuw voor Christus door de Chinezen in het "boek van de heerser van de duivelvallei" (鬼谷子), waarin magnetiet beschreven wordt als materiaal dat ijzer doet komen of aantrekken.Li Shu-hua, Origine de la Boussole 11. Aimant et Boussole, Isis, Vol. 45, No. 2. (Jul., 1954), p.175 De Grieken gaven het fenomeen de naam "magnetisme", naar het mineraal magnetiet, wat veelvuldig voorkwam nabij de stad Magnesia in Klein-Azië.

Middeleeuwen Tijdlijn van elektriciteit 1088 Shen Kuo beschrijft als eerste een navigationeel naaldkompas. 1187 Alexander Neckham maakt melding van een beschrijving van een kompas. 20 jaar later verschijnt een boekwerk van hem: De natura rerum. Hierin staat een beschrijving van een magnetisch kompas. 1269 Petrus Peregrinus vermeldt zijn experimenten met magnetische stenen in zijn boek: Epistola de Magnete. 1550 Girolamo Cardano maakt onderscheid tussen elektrische en magnetische krachten. Gedurende de Middeleeuwen veranderde het magnetisme van een onbegrepen filosofisch concept tot een instrument waarmee de nieuwe wereld kon worden ontdekt. De Chinees Shen Kuo beschreef in 1088 in zijn Meng Xi Bi Tan (Mandarijn: 夢溪筆談 – droom-poel-verhandelingen) als eerste een magnetische kompasnaald, die voor navigatie gebruikt kon worden (deze werd in Europa pas in 1187 door Alexander Neckam beschreven).Bowman 2000, p. 599; Mohn 2003, p. 1 De theorie achter het magnetisme werd in de loop van de eeuwen verder verfijnd door onder andere de Fransman Petrus Peregrinus. Ook vermeldt hij het feit dat er twee specifieke uiteinden aan een magneet zitten, de magneetpolen.

In 1550 werd door de Italiaanse wetenschapper Girolamo Cardano in het werk De Subtilitate Rerum betoogd dat elektrische en magnetische aantrekkingskrachten twee verschillende krachten zijn. Dit baseerde hij op het feit dat barnsteen alle soorten lichte voorwerpen aantrok, maar magneetsteen alleen ijzer.

17e eeuw Tijdlijn van elektriciteit 1600 William Gilbert legt een verband tussen elektriciteit en magnetisme. 1629 Niccolò Cabeo beschrijft elektrische afstoting. 1646 Thomas Browne gebruikt voor het eerst het woord elektriciteit in een publicatie. 1650 Otto von Guericke vindt de elektriseermachine uit. 1675 Robert Boyle deelt mee dat elektrische aantrekking en afstoting ook in vacuüm optreedt. De Engelse natuurwetenschapper William Gilbert, lijfarts van koningin Elizabeth I, borduurde verder op het werk van Cardano. Zo ontdekt hij dat ook andere stoffen, zoals glas, zwavel, bijenwas en edelstenen, gelijke eigenschappen hebben als barnsteen. Omdat de Griekse benaming van barnsteen "elektron" is, besloot hij deze stoffen elektrika te noemen.

Zijn belangrijkste werk is De Magnete, Magneticisque Corporibus, et de Magno Magnete Tellure, een verhandeling over magnetisme uit 1600. In dit boek beschreef Gilbert de relatie tussen statische elektriciteit van barnsteen en magnetische effecten. Dit was het begin van de wetenschappelijke studie naar de samenhang tussen magnetisme en elektriciteit.

Hierbij maakte Gilbert onderscheid tussen 'elektrische' en 'niet-elektrische' lichamen. De eerste konden door wrijving elektrisch geladen worden, doordat deze overvloedig voorzien waren van een onzichtbaar fluïdum dat vrijkwam bij wrijving. Dat dit niet gebeurde bij niet-elektrische lichamen kwam doordat ze dit fluïdum niet bevatten. Deze visie op elektriciteit zou tot ver in de 18e eeuw dominant blijven. Elektriciteit is afgeleid van het Neolatijnse woord electricus, wat "van barnsteen" betekent – dat zelf weer van ήλεκτρον [èlektron] komt, het Griekse woord voor "barnsteen".

In 1646 werd voor het eerst het Engelse woord electricity gebruikt door de Britse schrijver Thomas Browne in zijn werk Pseudodoxia Epidemica. Een andere pionier was Robert Boyle, wiens belangrijkste ontdekking was dat elektrisch geladen objecten ook in een vacuüm lichte voorwerpen aantrekken. Dit gaf aan dat het elektrisch effect niet van lucht als medium afhankelijk was.

Enkele jaren later ontdekte de Duitse natuurkundige Otto von Guericke dat bollen met een elektrische lading elkaar afstoten. In 1650 bouwde hij in Maagdenburg een primitieve elektrostatische generator in de vorm van een ronddraaiende zwavelbol die met handwrijven geladen werd.Wayenburg, blz. 31 Door de uitvinding van de elektriseermachine werd de weg vrijgemaakt om elektriciteit wetenschappelijk te bestuderen. Vele wetenschappers, onder wie Francis Hauksbee en Jesse Ramsden, verbeterden deze machine verder in de 18e eeuw. Zo werd de zwavelbol vervangen door een glazen bol, later glazen schijf. Met influentiemachines, zoals die van Wilhelm Holtz en James Wimshurst, verscheen er een nieuwe generatie, krachtige elektriseermachines.

18de eeuw Tijdlijn van elektriciteit 1729 Stephen Gray ontdekt dat sommige materialen geleidende eigenschappen hebben. 1733 Charles du Fay maakt onderscheid tussen positieve en negatieve elektrische lading. 1746 Benjamin Franklin doet onderzoek naar elektriciteit aan de hand van een zogenaamde elektrische buis, die hij gekregen had van een collega. 1752 Benjamin Franklin voert zijn bliksemexperiment uit. 1753 Georg Wilhelm Richmann vindt de dood bij proeven met onweer. 1759 Elektriciteit wordt wiskundig beschreven door Franz Aepinus, hierdoor kan men elektriciteit "zien" door middel van berekeningen. 1770 Alessandro Volta vindt de elektrofoor uit en verbetert de elektroscoop. 1774 Georges-Louis Le Sage bouwt een elektrostatische telegraaf. 1785 Charles-Augustin de Coulomb maakt zijn bevindingen bekend aan de hand van zijn onderzoek naar aantrekkende en afstotende eigenschappen van elektrisch geladen lichamen. 1791 Luigi Galvani ontdekt in ontlede kikkerpoten dierlijke elektriciteit. 1800 Alessandro Volta vindt de elektrische batterij uit. 1800 William Nicholson en Anthony Carlisle ontleden water in waterstof en zuurstof.

Natuurwetenschap De 18e eeuw was de periode waarin de wetenschap, en dan met name de natuurwetenschap in de mode is. Vooral onder de adel en de betere burgerij nam de belangstelling snel toe.

Tijdens zijn onderzoek naar statische elektriciteit ontdekte de Engelse wetenschapper Stephen Gray in 1729 dat 'niet-elektrische' lichamen weliswaar niet door wrijving geladen werden, maar wel de elektrische eigenschappen konden doorgeven indien ze in verbinding stonden met een elektrisch geladen lichaam. Daarmee had hij ontdekt dat sommige materialen geleidende eigenschappen hebben, terwijl andere materialen die niet hebben. Hij was de eerste die onderscheid maakte tussen geleiders en isolatoren. Via een metalen draad opgehangen aan draden van zijde wist hij elektriciteit over een afstand van 900 voet te verplaatsen.

In zijn boek Six mémoires sur l'Électricité uit 1733 maakte de Franse natuurkundige Charles du Fay onderscheid tussen twee soorten ladingsfluïdum: vitreuse (glasachtig) en resineuse (harsachtig). Deze termen werden later door William Watson en Benjamin Franklin vervangen door termen "negatieve" en "positieve" elektriciteit. Jean-Antoine Nollet, die met Du Fay samenwerkte en later hoogleraar werd aan de universiteit van Parijs, interpreteerde deze soorten elektriciteit als twee soorten elektrische vloeistof.

In 1745 ontdekten de Nederlandse wetenschapper Pieter van Musschenbroeck en de Duitser Ewald Georg von Kleist onafhankelijk van elkaar, dat lading bewaard kon worden. De opgewekte lading van een elektriseermachine sloegen zij op in een zogenoemde Leidsche fles, een toestel dat we nu condensator noemen.

In tegenstelling tot Du Fay geloofde Van Musschenbroeck (en ook FranklinWayenburg, blz. 35) dat er maar één soort elektriciteit bestond. Op basis van proeven met de Leidse fles, waarmee hij vonken onttrok aan proefpersonen, kwam hij met de suggestie dat één enkel soort elektrische fluïdum werd overgebracht van fles naar persoon als de één een overschot en de andere een tekort aan elektriciteit bezat. Overdracht gebeurde via elektrische effluvia of 'uitvloeisels'.Lang, blz. 46

Franklin, Coulomb & Volta In 1752 legde de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin de link tussen bliksem en elektriciteit en vond hiermee de bliksemafleider uit. Hij neutraliseerde hiermee de gevaarlijke effecten van de bliksem. De bliksem was toen de enige krachtige vorm van elektriciteit. Hij slaagde er niet in om deze vorm van elektriciteit te beheersen. Franklin maakte voor het eerst onderscheid tussen positieve en negatieve lading. Tevens was hij de eerste die het tot dan toe onbegrepen fenomeen sint-elmsvuur zag als een vorm van natuurlijke elektriciteit. Ongevaarlijk waren deze experimenten met bliksem trouwens niet: de natuurkundige Georg Wilhelm Richmann werd in Sint-Petersburg geëlektrocuteerd toen de bliksem insloeg in zijn vliegertouw.

In 1780 ontdekte de Italiaanse anatoom Luigi Galvani, dat hij de poot van kikkers kon laten bewegen met behulp van elektriciteit. Hij meende ten onrechte daaruit te concluderen, dat hij de zogenoemde dierlijke elektriciteit had ontdekt. Dit zou volgens hem de levenskracht zijn, die alles zou laten bewegen. Deze ontdekking leidde begin 19e eeuw tot een nieuwe vorm van amusement. Onder grote publieke belangstelling werden lichamen van opgehangen misdadigers met elektriciteit weer in beweging gebracht.

thumb|De torsiebalans waarmee Coulomb de elektrostatische wet van de omgekeerde evenredigheid met het kwadraat van de afstand verifieerdeFregonese, blz. 25 In zeven brieven gericht aan de Franse wetenschapsacademie publiceerde de Franse natuurkundige Charles-Augustin de Coulomb tussen 1785 en 1791 de wetten van elektrostatica. Deze wetten beschrijven de interactie van twee of meerdere elektrostatische ladingen – gelijke ladingen stoten elkaar af terwijl ongelijke ladingen elkaar aantrekken. Bij iedere halvering van de afstand neemt de kracht met een factor vier toe.