GaasvliegenNederlands Soortenregister - Gaasvliegen (Chrysopidae) - Website. Gearchiveerd op 8 januari 2014. (Chrysopidae), ook wel bruinoogjes of goudoogjes genoemd, zijn een familie van insecten uit de orde van de netvleugeligen (Neuroptera).

De verschillende soorten bereiken een lichaamslengte tot ongeveer twee centimeter en een vleugelspanwijdte van ongeveer drie centimeter. Alle soorten hebben verhoudingsgewijs grote en transparante vleugels met enigszins gelijkvormige vleugelcellen waaraan de Nederlandse naam te danken is. Ondanks de grote vleugels zijn alle soorten slechte vliegers die een fladderende vlucht hebben. Het borststuk en het achterlijf worden in rust geheel onder de vleugels geborgen maar aangezien de vleugels transparant zijn is het lichaam altijd goed zichtbaar. Gaasvliegen bezitten relatief grote, bolle ogen die vaak een metaalachtige glans hebben.

Wereldwijd zijn er ongeveer 1200 soorten gaasvliegen bekend, waarvan er ongeveer 20 in België en Nederland voorkomen. Regelmatig wordt een nieuwe soort ontdekt of wordt de indeling (taxonomie) van de gaasvliegen aangepast aan recente inzichten. Verschillende bronnen geven betreffende de taxonomie van de gaasvliegen soms verouderde informatie.

De volwassen gaasvliegen eten zowel bladluizen als nectar en stuifmeel van planten. De wormachtige larven leven voornamelijk van bladluizen. Gaasvliegen worden hierdoor gezien als zeer nuttige insecten, zowel de larven als de volwassen insecten. Sommige soorten worden wereldwijd ingezet als biologisch bestrijdingsmiddel in kassen.

Naamgeving en taxonomie Gaasvliegen werden voor het eerst beschreven als Chrysopidae in 1851 door Wilhelm Gottlieb Schneider. De wetenschappelijke naam verwijst naar de goudkleurige ogen van een groot aantal soorten. "Chrysos" (χρυσος) betekent 'goud' en "ops" (ωψ) betekent 'oog'. thumb|De naam "goudoogjes" is afgeleid van de glanzende ogen. De Nederlandstalige naam "gaasvliegen" slaat op de fijne vleugeladering die doet denken aan horrengaas. Gelijksoortige afleidingen worden ook in andere talen gebruikt. In het Duits wordt de naam Florfliegen gebruikt, wat vertaald kan worden als 'kant(textiel)vliegen'. In het Engels wordt de naam lacewings gebruikt, wat 'kantvleugeligen' betekent (lace of lacework = kant) en verwijst naar de aparte vleugeladering die lijkt alsof deze geweven is. In andere talen, zoals in het Noors en het Zweeds, wordt de groep "goudoogjes" genoemd, respectievelijk gulløyer en guldögonsländor.

Gaasvliegen behoren tot de netvleugeligen of Neuroptera en zijn bekend vanaf het Krijt. In tegenstelling tot andere netvleugeligen hebben gaasvliegen geen kleine bij-oogjes of ocelli. De voorouders van de groep bezaten deze wel, maar gaasvliegen zijn deze structuren in de loop der evolutie verloren.

Gaasvliegen worden verdeeld in vier onderfamilies, waarvan er één is uitgestorven: Apochrysinae; een kleine groep waarvan de soorten vaak grote, ronde vleugels hebben. Chrysopinae; de meeste soorten behoren tot deze groep. Mesochrysinae†; alle soorten uit deze groep zijn alleen bekend als fossiel. De groep is al lang geleden verdwenen en is bekend uit het onderkrijt. Nothochrysinae; deze soorten verschillen van andere gaasvliegen door het ontbreken van een gehoororgaan.

Er zijn ongeveer 1200 verschillende soorten gaasvliegen bekend die vandaag de dag voorkomen. Regelmatig wordt een nieuwe soort ontdekt, zoals de pas in 2012 wetenschappelijk beschreven soort Semachrysa jade. Deze gaasvlieg werd beschreven door de biologen Winterton, Guek & Brooks en is endemisch in Maleisië.

Verspreiding en habitat Gaasvliegen komen als groep wereldwijd voor, behalve in heel koude gebieden. Sommige soorten gaasvliegen komen als soort zelfs wereldwijd voor omdat ze als bestrijdingsmiddel tegen bladluis worden gekweekt. De meeste gaasvliegen hebben echter een gespecialiseerde levenswijze en zijn hierdoor gebonden aan een bepaald gebied.

In gematigde gebieden zoals België en Nederland ontwikkelen zich verschillende generaties. De laatste generatie van het jaar moet de koude winter zien door te komen. Gaasvliegen overwinteren niet als ei of als larve maar als pop of volwassen insect. De gaasvlieg trekt zich terug in spleten en scheuren in bomen, maar de hoekjes en kieren van menselijke bebouwing zijn ook zeer geschikt. Gaasvliegen zijn meestal nachtactief en ze worden door licht aangetrokken zodat huizen een grote aantrekkingskracht uitoefenen op gaasvliegen. Omdat ze hierdoor 's winters vaak binnenshuis worden aangetroffen zijn het vrij bekende insecten. Gaasvliegen die binnenshuis geraken, zullen proberen via de ramen te ontsnappen.

In westelijk Europa komen meer dan vijftig verschillende soorten gaasvliegen voor. In Nederland komen 22 soorten voor, in België 18 soorten.Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen - Belgische soortenlijst - Website Deze soorten zijn onderstaand in de uitklapbare tabel weergegeven. De meest algemene soort is de groene gaasvlieg (Chrysoperla carnea). Andere soorten komen minder algemeen voor.

Uiterlijke kenmerken thumb|Lichaamskenmerken van de voor alle gaasvliegen representatieve soort Chrysoperla mediterranea. Gaasvliegen blijven meestal klein. De meeste soorten bereiken een lichaamslengte van een à twee centimeter en een vleugelspanwijdte of vlucht die ongeveer de helft groter is. Sommige soorten worden langer en bereiken een vleugelspanwijdte tot 65 millimeter. In westelijk Europa echter, zoals België en Nederland, blijven gaasvliegen kleiner en bereiken een vleugelspanwijdte van ongeveer 20 tot 30 millimeter.

Gaasvliegen hebben in vergelijking met andere insecten zeer grote vleugels die in rust over elkaar worden gevouwen en als een afdakje over het achterlijf worden geborgen. De vleugels zijn voorzien van een fijnmazig netwerk van aderen, de zogenaamde vleugeladeren. De vleugeladering doet denken aan gaas en hieraan is de Nederlandstalige naam van het insect te danken. Gaasvliegen lijken sterk op elkaar, waardoor ze gemakkelijk als zodanig te herkennen zijn. Het op naam of sekse brengen van een exemplaar is echter niet eenvoudig. De vorm van de vleugels en het patroon van de vleugeladering kunnen in combinatie met de kleurpatronen op de kop en het borststuk een onderzoeker een eind op weg helpen. Een definitieve determinatie - met name van het geslacht - is vaak alleen mogelijk door de geslachtsorganen aan de achterlijfspunt te bestuderen.

Gaasvliegen hebben meestal een groene tot bruine kleur. Een aantal soorten heeft een afwijkende kleur zoals zwart, grijs of blauw. Een opmerkelijke eigenschap van gaasvliegen is echter dat ze van kleur kunnen veranderen. Ze kunnen dit niet heel snel, zoals kameleons, maar kleuren als het koeler wordt langzaam om naar bruin. Deze kleurschakeling vindt plaats als de gaasvlieg in winterslaap gaat en later als het insect weer actief wordt. Het insect valt met een bruine kleur minder op als het tijdens de winter schuilt in spleten in boomschors. Een groene kleur zou hierop meer afsteken. Zodra de gaasvlieg in de lente weer ontwaakt, kleurt het dier langzaam weer terug naar groen. De bruine kleur wordt veroorzaakt door een concentratie van rode kleurstoffen in het lichaam van de gaasvlieg, als gevolg van de verlaagde stofwisseling. Exemplaren die worden opgeprikt in een insectenverzameling worden geelachtig van kleur.

Kop thumb|left|Onderdelen en aanhangsels van de kop. De kop van gaasvliegen is relatief klein en de kop is wat naar beneden gekromd. De kop van de meeste insecten is voornamelijk te onderscheiden aan de antennes, maar bij de gaasvliegen zijn het ook de ogen die opvallen.

De ogen zijn relatief zeer groot en puilen duidelijk uit, de ogen bestaan uit vele individuele lensjes die de ommatidiën worden genoemd. De ogen zijn sterk bolvormig en vallen met name op door de kleur. Gaasvliegen worden soms wel 'goudoogjes' genoemd doordat de verschillende soorten in de regel groene tot bruine, iriserende kleuren hebben zodat de ogen een metaalglans krijgen. Vooral onder een vergroting door bijvoorbeeld een loep is te zien dat de ogen van levende exemplaren een opvallende gouden tot groene metaalkleur hebben, bij opgeprikte gaasvliegen verdwijnt de glans echter. De ogen worden samengestelde ogen genoemd omdat ze bestaan uit vele kleine sub-oogjes die de ommatidia worden genoemd.

Gaasvliegen hebben nooit ocelli, dit is een groepje van drie kleine oogjes die bestaan uit een enkele lens en boven op de kop gepositioneerd is. Ocelli komen wel voor bij een aantal verwante insecten zoals de kameelhalsvliegen.

De antennes zijn lang en dun, de vorm van de antennes wordt ook wel draadvormig of filiform genoemd. De antennes zijn bijna net zo lang als het lichaam. Het gedeelte van de kop tussen de antennes wordt de clypeus genoemd. Aan de voorzijde van de kop zijn de monddelen gelegen. Hiervan zijn de eigenlijke kaken moeilijk te zien. Wel duidelijk zichtbaar zijn de twee paar tasters die een verschillende vorm hebben. Aan de bovenzijde zijn de grote kaaktasters gelegen en aan de onderzijde de kleinere maxillaire palpen.

Borststuk thumb|De vleugels van gaasvliegen zijn voorzien van zeer kleine haartjes. Het borststuk van gaasvliegen bestaat uit drie delen waarvan het voorste deel enigszins verlengd is. Ieder deel draagt een paar poten aan de onderzijde en de achterste twee delen dragen ieder één paar vleugels aan de bovenzijde.

De poten van gaasvliegen zijn vergelijkbaar met die van de meeste andere insecten en zijn niet gespecialiseerd. De poten bestaan uit verschillende delen en het uiteinde van iedere poot draagt kleine klauwtjes, de tarci, waarmee een gaasvlieg zich vasthoudt aan het substraat.

De vleugels bestaan uit een paar voorvleugels aan de voorzijde en een paar achtervleugels aan de achterzijde. Als de vleugels in rust over het borststuk en het achterlijf worden geplaatst, zijn de voorvleugels aan de bovenzijde gepositioneerd en de achtervleugels aan de onderzijde. De vleugels zijn volledig transparant op de meestal groene vleugeladering na. De vleugeladering van gaasvliegen is zeer fijnmazig, en wat direct opvalt is een zigzaggend patroon van vleugeladeren.

Een verschil tussen de gaasvliegen uit de familie Chrysopidae en de sterk gelijkende soorten uit de familie bruine gaasvliegen (Hemerobiidae), is het verschil in vleugeladering. Gaasvliegen hebben nooit gevorkte af anderszins vertakte vleugeladeren in het costaalveld, een langwerpige cel aan de bovenste vleugelrand. De aderen zijn evenwijdig aan elkaar en zijn nooit gevorkt waar dit bij andere netvleugelige insecten juist altijd het geval is.

Achterlijf Het achterlijf bevat het spijsverteringskanaal, de voortplantingsorganen en de ademhalingsorganen. Het achterlijf is gesegmenteerd en wordt beschermd door verstevigde platen. Aan de bovenzijde zijn de rugplaten of tergieten gelegen die de dorsale zijde beschermen en aan de onderzijde wordt de buikzijde bedekt door de buikplaten of sternieten. De vorm en het kleurpatroon van het achterlijf kunnen een rol spelen bij de determinatie. Het is echter met name de achterlijfspunt die verschilt per soort; ook het verschil tussen een mannetje en een vrouwtje is te bepalen door naar de achterlijfspunt te kijken.

Het achterlijf wordt gebruikt om met soortgenoten te communiceren, er worden trommelende geluiden gemaakt om een partner te lokken. Een aantal soorten kent stridulatie, waarbij een verhard deel van de vleugel langs een rij richels op het achterlijf wordt gestreken. De geluiden zijn soortspecifiek en soms kan een soort op naam worden gebracht door het geluid te onderzoeken.

Onderscheid met andere insecten