Vlinderhaften, ook wel bastaardlibellen of libelgaasvliegen (Ascalaphidae) zijn een familie van insecten uit de orde netvleugeligen (Neuroptera). Er zijn ongeveer 430 soorten bekend, verdeeld in drie onderfamilies.
Vlinderhaften worden in vergelijking met andere vliegende insecten vrij groot en hebben lange vleugels waarmee ze snel kunnen vliegen. Tropische soorten lijken vaak op libellen vanwege de smalle en transparante vleugels. Deze zijn bij sommige soorten driehoekig van vorm en hebben gekleurde vlakken zodat de haften aan vlinders doen denken. Veel Europese soorten hebben dergelijke bonte kleuren en worden hier beschouwd als de mooiste netvleugelige insecten.
Vlinderhaften leven in warme gebieden en zijn als volwassen insect alleen actief in de zomer. De larven en de volwassen exemplaren zijn carnivoor en jagen op andere insecten. De volwassen dieren zijn goede vliegers die hun prooien in de lucht vangen en opeten. Ze worden beschouwd als nuttige insecten omdat ze veel planteneters opruimen. Vlinderhaften zijn in Europa aangetroffen tot in delen van zuidelijk Duitsland, ze komen niet voor in België en Nederland.
Naamgeving Vlinderhaften hebben een verwarrende naam: ze behoren niet tot de vlinders en eveneens niet tot de haften, en zijn daar ook helemaal niet aan verwant. Ook de Nederlandstalige namen libelgaasvliegen en bastaardlibellen worden wel gebruikt, maar ook de libellen zijn niet direct verwant. Vlinderhaften behoren net zoals de gaasvliegen en mierenleeuwen tot de netvleugeligen (Neuroptera).
Van alle voornoemde groepen zijn vlinderhaften eenvoudig te onderscheiden door naar de antennes te kijken; deze zijn relatief zeer lang en dun en eindigen altijd in een knots. Mannetjes zijn van de vrouwtjes te onderscheiden door twee verlengde achterlijfsaanhangsels of cerci.
Ook in de Duitse taal wordt de naam vlinderhaften gebruikt; schmetterlingshafte. In andere talen staan de vlinderhaften onder verschillende namen bekend. In de Engelse taal worden ze aangeduid met 'owl flies', dat uil-vliegen betekent. In het Zweeds wordt de naam 'Fjärilsländor' gebruikt, dat vlinder-libellen betekent.
Verspreiding en habitat thumb|260px|Europese soorten hebben vaak bonte kleuren, afgebeeld is Libelloides macaronius. De meeste soorten leven in tropische gebieden. Vlinderhaften zijn sterk warmteminnend, ze zijn alleen te zien gedurende de zomer. In veel noordelijk gelegen werelddelen komen ze alleen zuidelijk voor, zoals in Noord-Amerika. Ook in Europa komen vlinderhaften vooral voor in het zuiden rond het Middellandse Zeegebied. In Europa komen sommige soorten voor tot in zuidelijk Duitsland. Van de gewone vlinderhaft (Libelloides coccajus) zijn geïsoleerde populaties rond de Franse stad Parijs bekend. In België en Nederland komen geen soorten voor.
In sommige landen is het onduidelijk of vlinderhaften voorkomen. Van de gewone vlinderhaft bijvoorbeeld zijn in het verleden waarnemingen uit Slowakije bekend, maar het is onwaarschijnlijk dat de soort hier tegenwoordig nog voorkomt. Ook in Polen zijn vroeger wel vlinderhaften beschreven maar tegenwoordig komen zij hier niet meer voor.
Wereldwijd leven er ongeveer 430 bekende soorten, die soms alleen in een bepaald gebied voorkomen. In Australië komen ongeveer 40 soorten voor.
Vlinderhaften leven in warme, begroeide gebieden en komen vooral voor in bossen en in graslanden. De soort Libelloides longicornis is sterk warmteminnend. Enkele soorten prefereren andere biotopen, zoals Libelloides coccajus, die een voorkeur heeft voor stenige berghellingen.
Uiterlijke kenmerken thumb|260px|Belangrijkste lichaamsdelen van een vlinderhaft, afgebeeld is de soort Suhpalacsa barrowensis. Vlinderhaften kunnen relatief groot worden, het lichaam bereikt vaak een lengte van ongeveer 40 millimeter. De voorvleugellengte loopt uiteen van ongeveer 15 tot 60 millimeter.
Het lichaam van een vlinderhaft bestaat uit drie delen, die in tegenstelling tot andere insectengroepen makkelijk te onderscheiden zijn. De kop is altijd sterk behaard en draagt twee duidelijke antennes. Het borststuk draagt de poten en vleugels, en het achterlijf is het grootst.
Kop thumb|left|240px|Detail van de kop van Ascalaphus sinister, de rand door de ogen is duidelijk te zien. De antennes zijn erg lang, bijna net zo lang als het lichaam zelf. De antennes zijn ook zeer dun, dit antennetype wordt wel filiform (draadvormig) genoemd. Aan het uiteinde van de antenne is een knotsvormige verdikking aanwezig. Bij sommige soorten valt het antenne-uiteinde goed op vanwege een afwijkende kleur. De soort Albardia furcata is een uitzondering, deze soort is de enige uit de onderfamilie Albardiinae en heeft vrij korte antennes met een relatief groot knotsvormig uiteinde. De antennes spelen een belangrijke rol bij het waarnemen van soortgenoten.
De facetogen van vlinderhaften zijn relatief groot en rond en bestaan uit kleine deeloogjes ( ommatidiën). Bij de meeste vlinderhaften hebben de ogen een gekromde, op een rimpel gelijkende rand dwars door het oog zodat het oog in tweeën wordt verdeeld. De enige uitzonderingen zijn de soorten uit de onderfamilie Haplogeniinae en de enige soort uit de onderfamilie Albardiinae. Veel insecten waaronder ook veel netvleugeligen waartoe de vlinderhaften behoren, hebben drie kleine oogjes (ocelli) boven op de kop. Bij de vlinderhaften ontbreken deze altijd.
Vlinderhaften kunnen ultraviolet licht waarnemen en anticiperen hierop.
Borststuk thumb|260px|Het borststuk draagt de poten en de vleugels. Het borststuk draagt de poten aan de onderzijde en de vleugels aan de bovenzijde. Het borststuk is sterk behaard, aan de bovenzijde wordt het beschermd door een verharde plaat.
De poten zijn relatief kort en dik, en sterk behaard. De poten zijn voorzien van kleine uitsteekseltjes die de sporen worden genoemd. Aan de scheen (tibia) zijn vergrote sporen aanwezig. Aan het uiteinde van de poten zijn de tarci aanwezig, dit zijn kleine klauwtjes die dienen om zich vast te hechten. De tarsi van de vlinderhaften zijn zeer krachtig.
De vleugels zijn meestal doorzichtig, vooral bij nachtactieve soorten. Dagactieve soorten hebben soms gekleurde vleugels, vaak komen gele en bruine kleuren voor. In westelijk Europa zijn veel dagactieve soorten voorzien van karakteristieke, zwavelgele kleuren. De vleugels zijn nooit helemaal gekleurd maar vooral aan de vleugelbasis of juist de vleugelpunt. De kleuren worden veroorzaakt door kleine haartjes, en niet door schubben zoals bij vlinders het geval is. De voorvleugel is altijd langer en smaller dan de achtervleugel. Iedere vleugel draagt een gekleurde cel aan de buitenrand, deze vlek wordt het pterostigma genoemd. Het pterostigma is wat zwaarder dan de omliggende vleugelcellen en dient als balans; het vervult een rol bij het vliegen. Vlak bij het pterostigma is de hypostigmatische cel gelegen, dit is een wat langere vleugelcel. In vergelijking met andere netvleugeligen is het hypostigma echter relatief kort. Net als de meeste netvleugeligen zijn de vleugeladers dik en zijn de aders gevorkt aan de rand van de vleugel.
In de rustpositie worden de voorvleugels over de achtervleugels gebracht aan de bovenzijde van het achterlijf. Het achterlijf wordt zo beschermd door de vleugels. De achtervleugels van een vlinderhaft worden in rust slechts op de rugzijde gebracht en worden niet gevouwen. Soorten die overdag actief zijn spreiden hun voorvleugels in rust om te zonnebaden. Hierdoor wordt het lichaam opgewarmd en kunnen de insecten sneller vliegen.
De meeste netvleugeligen zijn aan te merken als zeer slechte vliegers. Ze maken onregelmatige fladderbewegingen en bewegen zich daarbij vrij langzaam, waardoor ze gemakkelijk uit de lucht kunnen worden geplukt. Vrijwel alle netvleugeligen zijn daarnaast niet in staat om snelle manoeuvres uit te voeren om bijvoorbeeld prooien te grijpen.
Achterlijf thumb|260px|Het achterlijf wordt in rust schuin gehouden zodat het dier lijkt op een takje, afgebeeld is een onbekende soort in Bangalore, India. Het achterlijf is groot en het is rond en langwerpig van vorm. Het achterlijf van de vrouwtjes is vaak dikker, zeker als ze eitjes dragen. Het achterlijf is duidelijk gesegmenteerd, ieder segment heet een buikplaat of sterniet aan de onderzijde en een rugplaat of tergiet aan de bovenzijde. Het achterlijf is relatief zacht en buigzaam. Bij de mannetjes is op de eerste, tweede of derde tergiet een uitsteeksel aanwezig, dat zowel enkelvoudig als gevorkt kan zijn. Bij de vrouwtjes ontbreken dergelijke structuren altijd. De achterlijfspunt is het laatste lichaamssegment, hier zijn de geslachtsorganen gelegen. Bij mannetjes van een aantal soorten is de achterlijfspunt voorzien van twee kleine achterlijfsaanhangsels, de cerci. Bij de vrouwtjes ontbreken deze structuren.
Veel soorten vertonen een karakteristieke lichaamshouding in de rustpositie, het achterlijf wordt hierbij schuin omhoog gehouden. Dit doet enigszins denken aan de obeliskhouding die veel libellen vertonen als ze zich in de volle zon bevinden. De vleugels worden hierbij tegen de ondergrond gehouden, de vlinderhaft lijkt hierdoor enigszins op een takje.
Onderscheid met andere insecten Vlinderhaften zijn van alle vlinders te onderscheiden doordat ze vaak doorzichtige vleugels hebben. Vlinders hebben vrijwel altijd geheel gekleurde vleugels, waarbij de vleugels gepigmenteerde schubben dragen. Daarnaast hebben alle vlinderhaften zeer lange antennes en relatief grote ogen. Vlinderhaften hebben nooit een roltong of proboscis zoals vlinders. Van libellen zijn de vlinderhaften eenvoudig te onderscheiden omdat libellen borstelachtige antennes hebben die zeer klein zijn. De lange antennes van vlinderhaften vallen juist goed op. Daarnaast houden libellen hun vleugels gespreid in rust en hebben ze nooit een gespleten oog zoals de meeste vlinderhaften.
Gaasvliegen zijn aanmerkelijk kleiner dan de vlinderhaften en hebben altijd kraalachtige, ronde ogen die nooit gedeeld zijn. De vleugels worden in rust altijd boven het achterlijf gevouwen.
Van de haften (orde Ephemeroptera) zijn vlinderhaften het gemakkelijkst te onderscheiden. Haften hebben altijd langwerpige, draadachtige achterlijfsaanhangsels die bij de vlinderhaften ontbreken. Haften hebben ook zeer korte antennes en kleine, ongedeelde ogen.
Voortplanting en ontwikkeling thumb|260px|Paring van de soort Libelloides coccajus. Vlinderhaften zijn vaak 's nachts actief, maar er zijn wel uitzonderingen. Alle soorten zijn goede vliegers, alle belangrijke levensstadia van de volwassen exemplaren vinden plaats terwijl ze vliegen. Zowel het vangen van een prooi als het opeten van de prooi vinden al vliegend plaats. Zelfs de paring vindt plaats in de lucht.
Sommige soorten vlinderhaften vormen groepen, ze komen in grote aantallen bij elkaar op planten. De verschillende individuen verplaatsen zich van groep naar groep maar vertonen een voorkeur voor een bepaalde groep. Dergelijk gedrag is binnen de insecten vooral bekend van sommige vlinders, kevers en wantsen maar niet van carnivore roofinsecten zoals de vlinderhaften. Groepsvorming dient binnen de insecten om de predatiedruk te verlagen of om waterverlies te beperken, de reden van de groepsvorming van de vlinderhaften is echter niet precies bekend. De meeste roofinsecten gaan elkaar juist uit de weg. Naast het vormen van groepen op planten is ook zwermgedrag bekend.
Vlinderhaften planten zich voort in de lente en zomer, de mannetjes en vrouwtjes paren al vliegend. Van soorten uit het geslacht Haploglenius waargenomen dat ze een soort baltsgedrag vertonen. Ze laten een flapachtig uitsteeksel aan het achterlijf afwisselend op- en neer bewegen waardoor een lichtere vlek aan het achterlijf als een soort morse-apparaat kan worden gebruikt om visueel te communiceren.
Ei thumb|260px|Eieren van een vlinderhaft.