thumb|Het Osebergschip in het Vikingskipshuset-museum in Oslo (Noorwegen) Een vikingschip is een houten schip dat door de Vikingen werd gebruikt gedurende de periode van circa 789Anglo-Saxon Chronicle, eerste aanval op Portland tijdens koningschap van Beorhtric van Wessex tot 1100. Verschillende vikingschepen zijn het langschip, de knarr en de karve. Andere gebruikte benamingen voor een langschip zijn drak(k)ar en snek. Het vikingschip speelde een cruciale rol in de maatschappij en economie van de Vikingen. Het werd gebruikt voor transport, handel, oorlogsmissies, plunderingen en ontdekkingsreizen. Ook in de kunst en cultuur van de Vikingen speelde het schip een belangrijke rol.

Bekende vikingschepen Er zijn vikingschepen teruggevonden in scheepsgraven, als scheepswrakken en als afgezonken schepen op de zeebodem. De bekendste archeologische vondsten zijn het tussen 1867 en 1904 in Noorwegen in scheepsgraven ontdekte Gokstadschip, Osebergschip en Tuneschip.Vikingschipmuseum, Oslo (Noorwegen)

Ook bekend zijn de vijf Skuldelevschepen die rond 1960 op de bodem van het Roskildefjord werden teruggevonden bij Skuldelev in Denemarken.Vikingschipmuseum, Roskilde (Denemarken) De vondsten laten een goede reconstructie toe.

Kenmerken Het vikingschip kende een voor die tijd hoge graad van perfectie en was superieur in vaarsnelheid. Het gehele schip was in zijn bouw sterk, licht en flexibel geconstrueerd. De voor- en achterzijde van het schip kenden een gelijke vorm met een scheepshuid gemaakt van overnaads geklonken planken. Het grootspant vertoonde daarbij een zuivere accoladevorm. Door de geringe diepgang kon het op nagenoeg iedere rivier varen en door de vrij vlakke bodem op veel plaatsen landen. Het was zodanig zeewaardig dat het op de Noord-Atlantische Oceaan een storm kon doorstaan. Verder was de vorm van het vikingschip vloeiend.

Alle in dit artikel genoemde schepen hebben een lange romp met een scherpe voor- en achtersteven. Bij de karveelgebouwde schepen van de Middellandse Zee en de Indische Oceaan lagen destijds de huidgangen met de randen tegen elkaar, in tegenstelling tot de overnaads geklonken vikingschepen.

330px330pxGrootspant van een langschip (niet op schaal onderling)Grootspant van een knarr

Hoofdverdeling vikingschepen Langschip thumb|Havhingsten fra Glendalough, reconstructie van het langschip de Skuldelev 2. Vikingschipmuseum Roskilde (Denemarken) Het type dat als oorlogs- en transportschip werd gebruikt, was het langschip dat gezeild en geroeid kon worden.

Het langschip vertoont een lichte constructie met een lengte-breedteverhouding van circa 10:1 tot 5:1 en een beperkte diepgang. Een langschip kon gemakkelijk worden geroeid en een forse snelheid ontwikkelen. Het werd gezeild met een dwarsgeplaatst zeil.

Omdat intimidatie en uitstraling belangrijk waren, was het langschip vaak versierd met houtsnijwerk op de boorden en de stevens. Het snijwerk op de stevens was vaak een slangenkop of een draak. Hierdoor is de naam drak(k)ar ontstaan voor deze schepen.

Een bekend teruggevonden langschip is de Skuldelev 2. Dit schip was circa 30 meter lang, bijna 4 meter breed en had een diepgang van 0,9 meter bij een volgeladen gewicht van 25 ton. Het kon een topsnelheid bereiken van 15 tot 20 knopen (27 tot 36 km/u) en een bemanning voeren tot circa 80 mensen, van wie 60 roeiers. In 1997 werd in de Deense stad Roskilde het grootste langschip teruggevonden. Dit langschip, de Roskilde 6, was circa 36 meter lang, 3,5 meter breed en bood vermoedelijk plaats aan 78 roeiers en in totaal 100 bemanningsleden.Navis I: Roskilde 6

Snek De snek was het kleinste schip onder de langschepen. Het werd veel gebruikt. Een doorsnee snek wordt geschat op een lengte van 17 meter, 2,5 meter breed, 0,5 meter diepgang en vol geladen 6 ton zwaar. Het voerde dan een bemanning van 30 mensen, van wie 26 roeiers. Vermoedelijk was de Skuldelev 5, die een topsnelheid van 15 knopen kon halen, van het type snek.

Knarr thumb|Schaalmodel van een knarr, Vikingmuseum Haithabu (Duitsland) De knarr werd veel gebruikt als zeegaand vrachtschip en werd meestal gezeild. De knarr was functioneel gebouwd en had dus geen overbodige zaken zoals houtsnijwerk. Dit in tegenstelling tot langschepen zoals de snek, die ook voor oorlogsdoeleinden dienden en dus moesten imponeren. De knarr was de voorloper van de kogge.

Tussen een langschip en een knarr bestonden aanzienlijke verschillen: de knarr was breder (3:1) en had voor en achter een halfdek met faciliteiten voor roeiers en midscheeps ruimte voor lading. Een knarr was ook hoger van bouw dan een langschip en bezat een doorlopend, laag geplaatst dek met gaten in de bovenste huidgang om riemen door te steken.

Men vermoedt dat de 12 ton zware Skuldelev 1 van het type knarr is. Dit teruggevonden schip was 16 meter lang bij 5 meter breed. Volgeladen kon het 24 ton lading hebben en kreeg het een diepgang van 1,3 meter met een bemanning van 6 tot 8 personen.

Karve De karve was een klein vracht- of oorlogsschip om vooral langs de kust te varen, hoewel het ook zeewaardig was. De karve was een kleine uitvoering van het langschip met een lengte-breedteverhouding van circa 5:1. Met zijn geringe diepgang kon het overal komen. Het circa 23 meter lange Gokstadschip en het Osebergschip zijn karven.

Boten Ook boten die onder meer dienden voor de visserij worden weleens tot de vikingschepen gerekend. Teruggevonden vissersboten hadden een lengte vanaf 6 meter. F.D. Logan (1992), The Vikings in History, Routledge, p. 29 e.v. Verder werden in het Gokstadschip drie kleinere roeiboten teruggevonden, die vermoedelijk ook gezeild konden worden. Ze dienden als sleepbootje achter het schip, mogelijk om lading aan boord mee af te dekken en als pendelbootje van het schip naar de wal. Een van die drie teruggevonden boten was 6,5 meter lang en had 4 roeiriemen. Dit type heet ook wel faering. P. Johnstone e.a (1989), The Sea-craft of Prehistory, Routledge, p. 116 De tweede was groter; dit 10 meter lange type heet ook wel seksring. Deze benamingen typeren het aantal roeiriemen, dus vier of zes.

Bouwtechniek Om een compleet vikingschip te bouwen, waren drie verschillende grote werkzaamheden nodig. De grootste was de houtbouw met vooraf bomen kappen en het hout bewerken voor de vele houten onderdelen van het schip. Verder moest het zeil met het touwwerk gemaakt worden en moest het ijzer gesmeed worden, zoals voor de klinknagels.

Houtbouw thumb|Detail: steven van het Osebergschip uit circa 820 met de klinknagels en fraai houtsnijwerk thumb|Gereconstrueerde Skuldelev 2 in aanbouw Bij de kapplaats of werf A. Forte e.a. (2005), Viking Empires, Cambridge University Press, p. 137-138 werden de, veelal eikenhouten, boomstammen met wiggen gespleten tot ruwe balken of kwartierse planken (kwartiers = hout met jaarringen haaks op de breedte van de plank, waardoor het hout nauwelijks werkt). Vervolgens werden de ruwe balken en planken voornamelijk met bijlen op maat en glad gemaakt. De eerste fase van het bouwproces was het leggen van de T-vormige kielbalk(en). Daarna volgde de onderste rij huidplanken en deze werd aan de kielbalk(en) en stevens geklonken. Door de onderliggende rij huidplanken met de daarboven komende rij overnaads aan elkaar te bevestigen, verkreeg een vikingschip over de lengte een uitwendige skeletstructuur met een grote sterkte en een relatief laag gewicht.

Plankenrij boven plankenrij werd overnaads, met soms extra inzetdelen bij de stevens, naar boven toegewerkt om de romp te bouwen. Daarbij werden na het klinken van de eerste rijen huidplanken op regelmatige afstanden de V-vormige spanten binnenin de romp aangebracht. Onderling en bij de stevens werden de huidplanken bevestigd door ze in voorgeboorde gaten van buitenaf te klinken met onverwarmde smeedijzeren klinknagels, circa om de 2 à 6 duim. Om het loswerken van de klinkverbinding tegen te gaan, werd aan de binnenzijde van het schip over de klinknagel een ijzeren sluitplaatje geschoven, waarna de punt van de klinknagel deels werd afgeknipt en het overige gedeelte werd afgeplat.

Huidplanken die stuitend (met het uiteinde) op dezelfde rij aansloten op elkaar of op de steven, werden verjongd (afgeschuind) om een betere naadafdichting en een groter bevestigingsoppervlak voor de klinkers te krijgen. Tevens werd deze naad net voor het plaatsen van de aansluitende huidplank reeds gebreeuwd. Het overige breeuwsel tussen de rijen huidplanken werd achteraf aangebracht. Tezamen met een gebrande boomteerolie die tussen en op de houten onderdelen werd gesmeerd, ontstond een goede waterdichte en duurzame romp. Hierna kon het schip verder opgebouwd worden.

De kolsem was een speciaal groot liggend eiken onderdeel dat bij langschepen, het Gokstadschip en het Osebergschip midscheeps binnenin was aangebracht. De onderzijde van de kolsem sloot passend aan op de V-spanten. Het was bevestigd met extra houten onderdelen en door te klinken. Op de kolsem kon de onderkant van de houten mast worden gezet, waarna de mast nog extra onderdelen kreeg om deze staande te houden.

De houten onderdelen van het schip die een speciale vorm hadden, zoals de stevens, V-spanten en de kolsem, werden in zijn geheel uit delen van eikenbomen gehaald die van nature reeds in die vorm waren gegroeid. In een aantal gevallen is bekend dat een vikingschip (groten)deels van een andere houtsoort dan eiken was gemaakt, zoals bij de Skuldelev 1 en 6 die deels van grenenhout waren gemaakt. Ook is door de archeologische vondsten bekend dat er naast eiken- en grenenhout, voor onderdelen hout werd gebruikt van de es, els en linde.

Een belangrijk laatste onderdeel om het schip betere vaareigenschappen en diepgang mee te geven, was om het te verzwaren met ballast in de vorm van het plaatsen van stenen (keien) op de bodem van het schip. Per schip, met ieder zijn specifieke bouw, lengte, aantal bemanningsleden en eventuele vracht, kon het ballastgewicht verschillen. Bij het grootste gereconstrueerde schip, het 30 meter lange langschip de Skuldelev 2, werd een gewicht aan ballaststenen geplaatst van ruim 5 ton.

Ook bleek bij het reconstrueren van deze Skuldelev 2, dat om het geheel met de middelen van toen na te kunnen maken er, inclusief het maken van de zeilen met het touwwerk, het ijzerwerk en de boomteerolie, tussen het jaar 2000 en 2004 40.000 werkuren nodig waren. Voor alleen de houtbouw waren 27.000 werkuren nodig. Naar schatting werd in de Vikingtijd met een vakkundige bouwploeg van een bouwmeester, tien bootbouwers en een grote werkploeg in het bos, de bouw van dit schip in zeven maanden voltooid.

Tuigage Van een vikingschip is nooit een compleet zeil met touwwerk teruggevonden. Naar aanleiding van onder andere onderzoek, oude verhalen en afbeeldingen, zoals op het tapijt van Bayeux, zijn er wel vermoedens hoe het zeil en het touwwerk er destijds uitzagen. De schepen van het tapijt van Bayeux lijken echter al zwaarder en minder slank dan de oorspronkelijke vikingschepen. In ieder geval konden alle vikingschepen worden gezeild met vermoedelijk een uiterst sterk gemaakt rechthoekig wollen zeil met een bovenra. Het zeil was waarschijnlijk gemaakt van, een soms dubbeldikke, geweven schapenwol en ingeolied of gewaxt om het beter te beschermen tegen het water en weersinvloeden. Ter voorkoming van het uitzakken van het zeil was dit vermoedelijk uitgevoerd met een kruislings diagonaal verstevigingswerk van touw of dunne leren stroken. Het maken van een zeil was arbeidsintensief, maar een zeil kon 35 tot 50 jaar meegaan. R. Chartrand e.a. (2006), The Vikings. Voyagers of Discovery and Plunder, Osprey Publishing, p. 162 thumb|Tapijt van Bayeux uit 1068 Het touwwerk werd door de touwmaker vervaardigd uit de bast van de linde of van paardenhaar. Ook wilgentwijgen werden wel gebruikt bij de vervaardiging van de touwen.A. Forte, p. 158 Voor een groot langschip als deSkuldelev 2 was totaal 2 kilometer touw benodigd.