Een godsbewijs of godsargument is een redenering waarbij het bestaan van God of meerdere goden wordt afgeleid uit waarnemingen, ervaringen of filosofische uitgangspunten. Zo wordt het bestaan van God onder meer beargumenteerd vanuit de oorsprong en orde van het heelal, het bestaan van bewustzijn en moraal, of door zuiver filosofische redeneringen zoals het ontologisch godsbewijs.

Godsbewijzen spelen al sinds de Oudheid een belangrijke rol in de godsdienstfilosofie en theologie.

De term bewijs betekent hierbij niet altijd een bewijs in strikt wetenschappelijke zin. Veel hedendaagse godsargumenten zijn redeneringen die het bestaan van God waarschijnlijker of rationeel aannemelijk proberen te maken.

Godsbewijzen Hieronder volgt een niet-volledige opsomming van bekende godsargumenten met voor- en tegenargumenten.

Fine-tuning Het fine-tuningargument of fijnafstemmingsargument komt voort uit bevindingen uit de natuurkunde en kosmologie dat complex leven alleen mogelijk is binnen beperkte natuurconstanten van het heelal.

De elementen waaruit complex leven is opgebouwd is gevoelig voor veranderingen in de natuurkrachten. In berekeningen van Heinz Oberhummer, Attila Csótó en Helmut Schlattl leidde een verandering van ongeveer 0,5% in de sterkte van de sterke kernkracht, of ongeveer 4% in de elektromagnetische kracht, ertoe dat sterren 30 tot 1000 keer minder koolstof of zuurstof produceerden.

Een ander voorbeeld is het kleine massaverschil tussen een neutron en een proton. Als, bij gelijkblijvende proton- en elektronmassa, de massa van het neutron ongeveer 0,08% lager zou zijn, zou een gewoon waterstofatoom energetisch instabiel worden. Gewone waterstof zou dan niet mogelijk zijn.

Het godsbewijs stelt vervolgens dat deze zeer nauwe levensvatbare waarden waarschijnlijker is wanneer het heelal door een intentionele oorzaak, dus een scheppende god, is voortgebracht dan wanneer deze zonder bedoeling tot stand kwam.

Pro

Volgens filosofen zoals Richard Swinburne, Emanuel Rutten en astrofysicus Luke Barnes is een heelal met natuurwetten die het ontstaan van complexe wezens zoals mensen mogelijk maken waarschijnlijker wanneer God bestaat. Barnes formuleerde later ook expliciet een Bayesiaanse versie van het fine-tuningargument voor het bestaan van God.

Contra

Een alternatieve verklaring is het multiversum. Als zeer veel universums bestaan waarin natuurconstanten en beginvoorwaarden verschillende waarden aannemen, wordt het minder opmerkelijk dat minstens één universum omstandigheden bevat waarin leven mogelijk is. Tegen deze verklaring zijn verschillende bezwaren ingebracht. Zo zou een mechanisme dat vele universums produceert zelf parameters moeten hebben om ze levensvatbaar te laten zijn, waardoor de fine-tuning slechts naar een ander niveau wordt verplaatst.

Filosoof Moti Mizrahi voert de simulatiehypothese aan als alternatief voor God.

Filosoof Hans Halvorson beargumenteert dat als God zelf de natuurwetten kan bepalen en leven wil voortbrengen, het niet duidelijk is waarom God een uiterst klein bereik van mogelijke waarden en beginvoorwaarden creëert. Barnes heeft dit type bezwaar bestreden in een latere herformulering van het argument, waarin hij expliciet de vraag behandelt hoe waarschijnlijk een levensvatbaar universum onder het theïsme zou zijn.

Kosmologische godsbewijzen

Kosmologische godsbewijzen bezien de kosmos als één en beargumenteren vanuit bepaalde algemene kenmerken van die kosmos tot een oorzaak van die kenmerken buiten de kosmos. De term is afkomstig van Immanuel Kant.

Pro Het godsbewijs ex motu (uit beweging) is het eerste van de vijf godsbewijzen van Thomas van Aquino., Summa Theologiae (1265), Boek I, Questio 1, Artikel 3. Het berust op de redenering dat niets in onze zintuiglijke wereld uit zichzelf beweegt, en dus door iets bewogen moet worden. Thomas van Aquino volgt hier Aristoteles door te argumenteren dat een ding niet herleid kan worden van mogelijk tot actueel, behalve als het al zelf onder een bepaald aspect actueel is., A History of Philosophy. Volume II: Medieval Philosophy (1946-1974) Vermits men volgens Aquino niet oneindig kan terugvallen op een vorige beweger (de regressus ad infinitum), moet men wel het bestaan van een eerste beweger aanvaarden. Deze Eerste Beweger, Eerste Oorzaak of Onbewogen Beweger, die zelf door niets wordt bewogen, 'zal door iedereen als God worden begrepen.' Een tweede bewijs van Thomas is algemener,, Summa Theologiae, Boek I, Questio 2, Artikel 3. en gaat uit van de oorzakelijkheid zelf. Oorzaken zijn niet zichzelf tot oorzaak, en daarom moet er een allereerste niet veroorzaakte oorzaak zijn. Het derde kosmologisch bewijs is nog algemener, namelijk vanuit het zijn van de wereld. Het start vanuit de verwondering over het feit dat er iets is en niet niets. Het is, naar Leibniz, een bewijs vanuit de contingentie van de wereld. Dit bewijs gaat als volgt: als er iets bestaat, moet er eveneens een absoluut noodzakelijk wezen bestaan. Immers, als dingen ook niet kunnen bestaan, bestaat er op een gegeven moment niets. Dan zou er nu ook niets bestaan. Dit bewijs vertoont overeenkomsten met het derde godsbewijs van Thomas van Aquino en godsbewijs van Descartes in zijn derde meditatie.

Contra De Britse filosoof Bertrand Russell achtte Thomas van Aquino's Summa Theologiae, waar hij de godsbewijzen uiteenzet, filosofisch weinig interessant, omdat het gebaseerd is op argumenten die al bij voorbaat uitgaan van de waarheid van het christendom., Geschiedenis van de westerse filosofie (1945) hoofdstuk XIII: 'Thomas van Aquino'. Andere filosofen en theologen betwisten eveneens de geldigheid van de redeneringen en conclusies die Thomas van Aquino maakt: Omdat een eerste (al dan niet onbewogen) oorzaak van beweging niet noodzakelijk is. Een begin hoeft er niet te zijn: veranderingen en bewegingen kunnen er altijd al geweest zijn. Bijvoorbeeld in de hindoeïstische traditie kent men de zich eeuwig herhalende cycli, kalpa's, yuga's en pralaya's (zie ook manvantara en samsara). Mocht het zo zijn dat er een begin is, dan hoeft die onbewogen beweger niet gelijk te zijn aan God. De veronderstelling dat iets dat in beweging blijft een beweger nodig heeft, is ontleend aan de Griekse filosofie en niet in overeenstemming met bijvoorbeeld de visie op beweging volgens de Eerste Wet van Isaac Newton. Bovendien, wie de aanname van een eerste oorzaak verwerpt en toch vanuit het causaliteitsprincipe God wil bewijzen, blijft ad infinitum naar de schepper van die onbewogen beweger op zoek. In feite komt men dan dicht in de buurt van de cirkelredenering of God de mens wel heeft geschapen dan wel of de mens God heeft bedacht. Wie de aanname van een eerste oorzaak afwijst, wijst volgens Thomas van Aquino impliciet ook het bestaan van God af. God wordt door hem immers gedefinieerd als eerste oorzaak. Een ander bewijs te zoeken via de weg van oorzakelijkheid is dan een contradictio in terminis. De Belgische natuurwetenschapper (en katholieke priester) Georges Lemaître (1894-1966) ontdekte dat het heelal uitdijt (1927), Un Univers homogène de masse constante et de rayon croissant rendant compte de la vitesse radiale des nébuleuses extragalactiques (1927). en stelde ten slotte de Oerknaltheorie op (1931), The Beginning of the World from the Point of View of Quantum Theory, Nature 127 (1931), n. 3210, pp. 706. , waarvoor andere wetenschappers sindsdien steeds meer bewijsmateriaal hebben verkregen. Geen van de bevindingen heeft vooralsnog geleid tot het aannemen van goden die de Oerknal hebben veroorzaakt of eraan voorafgingen (of dat er überhaupt iets aan de Oerknal voorafging, omdat het het "begin van de tijd" is), en hoewel nog niet alles duidelijk is (een theorie van alles ontbreekt nog), lijkt het antwoord te moeten worden gezocht in de kwantummechanica.

Ontologisch godsbewijs Het ontologisch godsbewijs is afkomstig uit het Proslogion (1078) van Anselmus van Canterbury. De term 'ontologisch godsbewijs' werd pas door Immanuel Kant aan het bekende godsbewijs gegeven.

Pro Het bestaan van God wordt volgens Anselmus aangetoond op de volgende manier: God definiëren we als: "id quod maior cogitari non potest", groter dan hetwelk niets gedacht kan worden. Iets dat als bestaand wordt gedacht is groter (beter) dan iets wat niet als zodanig wordt voorgesteld. Dus bestaat God., Proslogion (1078) II-III.

In Descartes' Vijfde meditatie (1641) wordt de gedachtegang van Anselmus ook gevolgd, zij het dat Descartes een minder omvangrijke argumentatie heeft dan Anselmus. Hij vertrekt van het begrip volmaaktheid: Iets dat volmaakt is, bezit alle goede eigenschappen. Bestaan is een goede eigenschap. Als God wordt gekenmerkt door volmaaktheid, kan de eigenschap bestaan daar niet aan ontbreken., Meditaties over de eerste filosofie (1641) V.

In de twintigste eeuw gaf Charles Hartshorne het principe van Anselmus een nieuwe vorm. Hartshorne stapte hierbij wel af van het klassieke godsbegrip van de Scholastiek door aan het begrip volmaaktheid een andere betekenis te geven. Andere versies van het ontologisch godsbewijs werden in de twintigste eeuw middels de modale logica onder andere geformuleerd door de filosoof Alvin Plantinga (gebaseerd op dat van Hartshorne), en de wiskundige Kurt Gödel.Stanford Encyclopdia of Philosophy: Ontological Arguments. Gearchiveerd op 25 mei 2023.

Contra Anselmus' godsbewijs kreeg reeds in zijn tijd sterke kritiek van de benedictijn Gaunilo van Marmoutiers, die het beschouwde als een ongeoorloofde overgang van het denken (logisch) naar het zijn (ontologisch). In Namens de Dwaas (1079?) gaf hij een tegenbewijs van een verzonnen eiland welks bestaan op dezelfde manier onterecht kon worden verantwoord.Dossiers: Anselmus van Canterbury - Tilburg University. Geraadpleegd op 5-7-2012. Ook Thomas van Aquino wees het af in zijn Summa Theologiae. Hij stelt dat datgene wat gedacht kan worden niet noodzakelijkerwijs groter (of volmaakter) is dan datgene wat in de werkelijkheid is., Summa Theologiae, Boek I, Questio 2, Artikel 2. Engelse vertaling hier, geraadpleegd op 5-7-2012. Descartes' godsbewijs in zijn Vijfde meditatie staat algemeen bekend als de Cirkelredenering van Descartes, die te reduceren is tot: "Ik weet met zekerheid dat God bestaat, en ik kan zekerheid bereiken omdat God bestaat","De beruchte cirkel van Descartes: 'enerzijds garandeert God dat alles wat ik helder en duidelijk inzie, inderdaad waar is; anderzijds ben ik van God overtuigd doordat ik hem helder en duidelijk inzie'." Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Descartes, René. Microsoft Corporation/Het Spectrum. en werd daarom al door Descartes' tijdgenoten gezien als ongeldig. Een bekend bezwaar tegen het ontologische godsbewijs van Anselmus is dat van Immanuel Kant, die in zijn Kritik der reinen Vernunft (1781) betoogt dat "bestaan" geen eigenschap is en dat "bestaan" onmogelijk groter of beter kan zijn dan "niet-bestaan". Waar hij aanvankelijk poogde om hiervoor zijn eigen godsbewijs te leveren, beredeneerde hij hierin dat een theoretisch godsbewijs niet mogelijk is., Kritik der reinen Vernunft (1781) A 592-602/B 620-630. De Australische filosoof Douglas Gasking liet zien dat als we "bestaan" als eigenschap zouden rekenen, men op dezelfde wijze zou kunnen bewijzen dat God niet bestaat: De schepping van de wereld is de meest wonderbaarlijke prestatie die voorstelbaar is. De verdienstelijkheid van een prestatie is het product van (a) haar intrinsieke hoedanigheid en (b) van de bekwaamheid van haar schepper. Hoe groter de onbekwaamheid (of de handicap) van de schepper, hoe indrukwekkender de prestatie. De meest geduchte handicap voor een schepper zou diens niet-bestaan zijn. Derhalve, als we veronderstellen dat het universum het product is van een bestaande schepper, kunnen wij een grootser wezen bedenken, namelijk een schepper die alles schiep zonder te bestaan.