Daniël Ruijneman (Amsterdam, 8 augustus 1886 - aldaar, 25 juli 1963), doorgaans gespeld Daniël Ruyneman, was een Nederlandse componist, die tijdens het interbellum en ook daarna gold als een vooraanstaand voorvechter van experimentele muziek.

Levensloop Hij was zoon van de spoorwegbeambte Willem Ruijneman en Femmigje Kel. Hij had als kind enige tijd pianoles, maar kreeg pas later echt belangstelling voor muziek. In 1904-1905 werkte hij bij de Staatsspoorwegen, waar hij eervol ontslag aanvroeg om te kunnen gaan varen. Als achttienjarige monsterde hij aan op de grote vaart en maakte enige reizen naar Nederlands-Indië. Later besefte hij dat toen zijn belangstelling voor oriëntaalse muziek moest zijn ontstaan. Hij begon opnieuw met de pianostudie, maar voor compositie had hij meer belangstelling. Vanaf 1908 komt zijn naam voor in concertaankondigingen en -recensies, als pianobegeleider van solisten en als vertolker van eigen composities, met als bekendste de romance De Deerne uit 1911. thumb|left|155px|Titelblad van een lied uit de jaren twintig, opgedragen door "Danny" aan zijn vrouw "Diny"; tekst van Joannes Reddingius Gestimuleerd door Julius Röntgen en Alphons Diepenbrock studeerde hij van 1913 tot 1916 met een toelage aan het Amsterdamsch Conservatorium bij onder anderen Bernard Zweers. Hij studeerde cum laude af, als beste van zijn jaar. Ruyneman trouwde op 17 mei 1918 met de mezzosopraan Dina Becht. Hij begeleidde haar al ruim acht jaar en vanaf 1910 noemde zij zichzelf al Diny Ruyneman.

Op 1 december 1918, toen de commotie hoog was opgelopen rond de behoudende componist Cornelis Dopper en de vooruitstrevende Matthijs Vermeulen, wiens composities door het Concertgebouworkest waren afgewezen, behoorde Ruyneman - met de kunstenaar en activist Erich Wichman - tot degenen die een drietal concerten verstoorden als steunbetuiging aan Vermeulen. Het protest van Vermeulen c.s. was gericht tegen het programmabeleid van chef-dirigent Willem Mengelberg en het orkestbestuur. De programmering was naar hun mening te veel op Duitsland georiënteerd en te weinig op Frankrijk. Daarnaast vond men de Nederlandse composities die uitgevoerd werden (zoals op de bewuste avond de Zuiderzeesymfonie van Dopper) ouderwets. De dirigent van dat concert Evert Cornelis, voor wie Ruyneman kort daarvoor een pianosonatine had gecomponeerd, veroordeelde de actie niet en moest daarom vertrekken bij het Concertgebouworkest.

In datzelfde jaar 1918 richtte Ruyneman, met Sem Dresden, Henri Zagwijn, Bernhard van den Sigtenhorst Meyer, Alexander Voormolen en (later) Willem Pijper, de Nederlandsche Vereeniging tot Ontwikkeling der Moderne Scheppende Toonkunst op. Die werd in 1924 omgevormd tot de sectie Holland van de International Society for Contemporary Music, waarvan hij de drijvende kracht en na de bevrijding bestuurslid was.

In 1920 vestigde hij zich in Groningen, waar hij in contact kwam met de kunstschildersgroep De Ploeg en muziekredacteur werd van het Blad voor Kunst van Hendrik Werkman. Hij leidde ook het Groninger Studenten Muziekgezelschap Bragi en gaf daarmee in 1925 in de Stadsschouwburg de Nederlandse première van de balletpantomime Le Boeuf sur le toît van Darius Milhaud en Jean Cocteau. Hij enscèneerde ook werken van Claude Debussy in samenwerking met de Ploeg-schilder Johan Dijkstra.

Nog geen maand na de scheiding van Dina op 9 maart 1929 hertrouwde hij op 4 april 1929 met Maatje Martina Marinissen. Beide huwelijken waren kinderloos. In de vroege jaren dertig keerde hij terug naar Amsterdam. Het echtpaar woonde jarenlang aan de Van Eeghenstraat 45. Ruyneman richtte de Nederlandsche Vereeniging voor Hedendaagsche Muziek op, die uitvoeringen van moderne muziek stimuleerde en een eigen Maandblad voor Hedendaagsche Muziek uitgaf met Ruyneman als hoofdredacteur en Wobbe Alkema als vormgever. Dit blad verdween in 1941 op last van de Duitse bezetters, maar de andere activiteiten zette hij voort tot zijn dood. Als organisator van concertseries in het Stedelijk Museum propageerde hij in de jaren vijftig eigentijdse muziek van Luciano Berio, Pierre Boulez, Luigi Nono en Karlheinz Stockhausen en ook van veel landgenoten.

Hij stierf kort voor zijn 77e verjaardag in Amsterdam. Hij werd gecremeerd.

Werk Ruyneman liet zich aanvankelijk beïnvloeden door de muziek van de laatromantiek, bijvoorbeeld in zijn tweede vioolsonate, maar al snel keerde hij zich radicaal daarvan af. Een ontmoeting in 1914 met Debussy, die composities van Ruyneman van kritisch commentaar voorzag, kan daarin bepalend zijn geweest. Het is deze componist die doorklinkt in de werken die Ruyneman in 1918 schreef: De Roep voor woordloos koor en Hiëroglyphen voor de uitzonderlijke bezetting van drie dwarsfluiten, celesta, harp, piano, twee mandolines, twee gitaren en "electrophoon", een door hemzelf ontworpen muziekinstrument dat indien nodig vervangen kan worden door een vibrafoon. Ruyneman bereikte hier een verfijnd, transparant en iriserend timbre. In De Roep en de daarop voortbouwende Sonate voor koor (1931) schiep hij een "instrumentale koorzang" a capella met verrassend geluidseffect.

Hij plaatste zich hiermee in de muzikale avant-garde van zijn tijd. Hij onderhield correspondenties met Alban Berg en Anton Webern en had regelmatig contact met geestverwanten als Darius Milhaud en Egon Wellesz. Hij maakte zijn leven lang gretig gebruik van alle nieuwe stromingen die zich voordeden, met eclectisch resultaat. Latere werken missen de verbluffende kortheid en economie van middelen die Hiëroglyphen kenmerkt. Naar de mode van de jaren twintig slopen er neoklassieke elementen in zijn muziek. In de jaren dertig liet hij ook weer romantische gevoelsontladingen toe, zoals in het Vioolconcert. Na de Tweede Wereldoorlog verdiepte hij zich in het serialisme, maar kort voor zijn dood nam hij weer afstand daarvan.

Steeds bleef Ruyneman zoeken naar bijzondere klankcombinaties. De door hemzelf ontworpen "electrophoon" schreef hij niet alleen voor in Hiëroglyphen, maar ook in de Symphonie Brève van 1929. Het instrument ging in 1940 verloren bij het bombardement op Rotterdam en omdat de constructie niet was vastgelegd, is die niet te reconstrueren. Ook klinken in zijn werk de resultaten door van zijn studies naar Javaanse volksmuziek.

Werkenlijst (selectie) 1914: Sonate no. 2 in G-groot voor viool en piano 1914: Winterabend voor zangstem en piano 1914: Drie pathematologieën (Hallucinatie - De stem van het verleden - Indruk) voor piano 1917: Sonatine voor piano ('Aan Evert Cornelis') 1917: Chinese liederen 1918: De Roep, kleurengamma voor gemengde stemmen 1918: Bei Betrachtung des Mondes / Bij aanschouwing der maan 1918: Hiëroglyphen voor kamerensemble 1925: Sonate voor vioolsolo 1925: Quatre Poèmes uit Alcools van Apollinaire 1927: Divertimento voor fluit, klarinet, altviool, hoorn en piano 1928: De gebroeders Karamazov, opera op een eigen libretto naar Dostojevski 1928: École moderne des gammes voor piano 1928: Kleine Sonate voor piano 1929: Symphonie Brève (Symfonie no. 1) 1930: Le Mariage, instrumentatie en voltooiing van Moessorgski's onvoltooide opera naar Gogol 1931: Sonate voor koorzang 1937: Vier Oud-Nederlandsche Liederen 1937: Quattro tempi per quattro violoncelli 1938: Concerto per orchestra 1939: Vier liederen op teksten van J.H. Leopold, voor tenor en orkest 1939-40: Sous le Pont Mirabeau, op tekst van Guillaume Apollinaire voor sopraan, alt, harp, fluit en strijktrio (in 1944 bewerkt voor strijkkwartet of strijkorkest) 1940: Concert voor viool en orkest 1942: Sonata da camera voor fluit en piano, opgedragen aan Johan Feltkamp 1943: Partita voor strijkorkest 1943: Amphitryon, ouverture voor orkest 1949: Nightingale Quintet voor blazers 1950: Three simultaneous Movements voor twee blokfluiten 1950: Drei Persische Lieder 1951: Die Weise von Liebe und Tod des Cornets Christoph Rilke, declamatorium op tekst van Rilke 1952: Sonatine voor fluit en klavecimbel 1952: Amaterasu (Déesse du soleil) naar een Japanse melodie van Kojiro Kobune, voor klein orkest 1953: Symphony 1953 (Symfonie no. 2) 1954: Adieu, gedichten van Nazım Hikmet voor bariton en piano 1956: Sonate no. 3 voor viool en piano 1958-61: Réflexions No. 1 - 2 - 3 - 4 voor verschillende kamermuziekbezettingen 1960: Het orgel speelt / Het ontstemde orgeltje, tekst van Pol de Mont, voor mezzosopraan en piano of klavecimbel, gecomponeerd voor Dina Becht. Een aantal werken werd gepubliceerd onder de naam Danny Ruyneman.

Uitvoeringen (selectie) Het Concertgebouworkest heeft een viertal werken van hem uitgevoerd: 21 februari 1943: Vioolconcert, onder leiding van Eduard van Beinum met solist Janine Andrade 9 en 11 maart 1944: Ouverture Amphitryon, onder leiding van Jan Koetsier 19 en 20 februari 1949: Partita, onder leiding van Hein Jordans 14 en 15 maart 1956: Symfonie nr. 2, onder leiding van Eduard van Beinum

Boekpublicatie Daniël Ruyneman: De componist Jan Ingenhoven. Beschouwingen in het licht van de hedendaagsche muziek. De Spieghel, Amsterdam, 1938. 74 p.

Categorie:Nederlands componist Categorie:20e-eeuws componist