thumb|Video van wilde zwijnen bij een modderpoel

Het wild zwijn (Sus scrofa), everzwijn of kortweg ever, (2000). Hall's Iconografisch Handboek. Leiden: Primavera Pers. ook zwart wild of borstelwild genoemd, is een zoogdier uit de familie van de varkens (Suidae). De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus in de tiende editie van Systema naturae. (1758). Systema naturae ed. 10: 49 Het wild zwijn komt voor in grote delen van Europa, Azië en Noord-Afrika. Het heeft het grootste verspreidingsgebied van de Euraziatische varkens. Het is de wilde voorouder van het gedomesticeerde varken.

Beschrijving Tien procent van de wilde zwijnen in het noordwesten van Europa hebben genen van tamme varkens. De bewuste genen zouden ze hebben gekregen in het begin van de 21e eeuw, waarschijnlijk na kruising met gefokte wilde zwijnen, die op hun beurt vaak met tamme varkens werden gekruist.Natuurbericht (2013). DNA van varken in wild zwijn. Geraadpleegd op 22-02-2013

Het wild zwijn heeft naast een dikke ondervacht een donkere, borstelachtige vacht die 's winters langer en donkerder is dan in de zomer. In het voorjaar vallen de winterharen uit. Dan krijgen ze een kortere en lichtere vacht. Wilde zwijnen hebben een gedrongen romp en stevig lijf. De achterpoten zijn korter dan de voorpoten. Wilde zwijnen hebben een langwerpige kop met een afgeplatte, sterke snuit. De neus eindigt in een wroetschijf. Hun oren zijn breed, rechtopstaand en behaard. Het wild zwijn heeft kleine ogen. Het zichtvermogen van het wild zwijn is relatief slecht; zo kunnen ze een mens niet herkennen als deze zich niet beweegt. Daarentegen is hun reuk- en tastzin zeer goed ontwikkeld, wilde zwijnen hebben ook een zeer fijn gehoor. (2006). Überblick über die Wildgehegehaltung in Deutschland unter tierärztlichen Gesichtspunkten. München: Institut für Tierschutz, Verhaltenskunde und Tierhygiene Volwassen dieren hebben een staart die eindigt in een pluim. Volwassen mannetjes worden keilers of beren genoemd. De vrouwtjes worden zeugen genoemd.

De beren hebben twee slagtanden, die door jagers "houwers" worden genoemd. Deze twee slagtanden, hoektanden in de onderkaak, staan naar boven gericht. Ook de bovenste hoektanden zijn sterk ontwikkeld en wijzen eveneens omhoog. Hoe ouder een mannetje is, des te verder steken deze hoektanden naar boven uit. Over de borstkas heeft het mannetje een vier centimeter dikke laag kraakbeen. Deze laag dient ter bescherming van de longen en het hart tijdens gevechten.

De biggen (ook wel frislingen genoemd) hebben aanvankelijk een zwartbruine vacht met goudgeelachtige strepen. Deze strepen, ook wel zwijnenpyjama geheten, lopen van voor naar achter over de rug. De strepen van de biggen dienen ter camouflage en verdwijnen na drie tot vijf maanden na hun geboorte.

Grootte en gewicht De biggen zijn bij de geboorte ongeveer 1,1 kilogram zwaar.Zoogdiervereniging (2011) Het wild zwijn. Geraadpleegd op 09-04-2015 Gemiddeld hebben volwassen wilde zwijnen een kop-romplengte van 120–180 cm en een schofthoogte van 90 cm.

Regionale variatie Het gewicht van een wild zwijn varieert veel binnen het verspreidingsgebied. In Centraal-Italië wegen volwassen wilde zwijnen tussen de 80 en 100 kg. Keilers geschoten in Toscane wogen tot 150 kg. In 1999 werd in de Franse Ardennen een exemplaar geschoten van 227 kg. In de Karpaten bereiken keilers een gewicht tot ongeveer 200 kg, terwijl wilde zwijnen in Roemenië en Rusland een gewicht van 300 kg kunnen bereiken. Ente di Gestione delle Aree Protette della Valle Sesia (2015) Wild boar. Geraadpleegd op 09-04-2015 Een exemplaar van de ondersoort Sus scrofa attila, dat in 2019 in Turkije geschoten werd, woog 350 kg.

Ondersoorten Er worden twintig ondersoorten onderscheiden die vaak verdeeld worden in vier subgroepen. Dit is gebaseerd op morfologische kenmerken en geografische distributie. De westelijke groep waartoe de Europese (scrofa, baeticus, majori, castilianus, meridionalis en attila), Noord-Afrikaanse (algira), Centraal-Aziatische (nigripes) en de populaties in het Midden-Oosten (lybicus) behoren. De ondersoort sennaarensis die voorkwam in Egypte en Soedan is uitgestorven. De Oost-Aziatische groep waartoe de populaties van het Russische Verre Oosten en Mongolië (ussuricus en sibiricus), Japan (leucomystax en riukiuanus), Taiwan (taivanus) en Zuidoost-China en Vietnam (moupinensis) behoren. De Indische groep waartoe de populaties van Zuid-India en Sri Lanka (affinis en davidi) behoren, alsook Myanmar en West-Thailand (cristatus) en de populaties van Iran tot aan Noord-India (davidi). De Indonesische ondersoort, het gestreept zwijn (Sus scrofa vittatus) (1925). De wilde zwijnen van Java: Soorten of rassen? – Of nog wat anders? De tropische natuur 14(10): 145–154 dat voorkomt op Sumatra, Java, Bali en enkele kleinere Indonesische eilanden, alsook het Maleisische Schiereiland. Dit is mogelijk een aparte soort.

Gedrag miniatuur|Een rotte wilde zwijnen op zoek naar voedsel

Wilde zwijnen zijn van nature niet overdag, maar in de schemering en 's nachts actief. Ze zijn omnivoor. Ze eten voornamelijk knollen en wortels van planten, bessen, boomvruchten zoals beukennootjes, eikels en tamme kastanjes, alsook groene plantendelen. De wilg dient als bron voor vitamine A-inname. Een veelvoorkomende, relatief onbekende, voedselbron vormen klavers, grassen en kruiden. Landbouwgewas als maïs, erwten, bonen, sommige aardappelrassen, granen, bieten en op de grond gevallen fruit staat ook op hun menu. Afhankelijk van het seizoen en het voedselaanbod wordt het dieet aangevuld met dierlijk voedsel. Ze nemen dierlijke eiwitten in door het eten van gewonde dieren, jonge vogels, kleine knaagdieren als muizen en konijnen, amfibieën zoals salamanders, kikkers en hagedissen en aas. Verder huisjesslakken, naaktslakken, kevers, in de bodem of in dood hout levende insectenlarven en regenwormen. Voedsel onder de grond kunnen ze op geur vinden. Op truffels na worden paddenstoelen niet gegeten. Meestal wroeten ze met hun gevoelige snuit in de bosbodem om naar voedsel te zoeken. Door dit gewroet komt de minerale ondergrond vrij, waardoor bepaalde zaden beter ontkiemen.

Wilde zwijnen leven in groepen die rotten (enkelvoud rot of rotte) worden genoemd. Een rotte bestaat uit vrouwtjes met hun jongen en een- en tweejarige zwijnen. Een typische rotte bestaat uit twee à drie vrouwtjes. De groep bestaat vaak uit ongeveer twintig individuen. Groepen van groter dan 50 individuen zijn echter vastgesteld. Keilers leven buiten de paringstijd meestal solitair. Onvolwassen mannetjes kunnen zich soms in los groepsverband ophouden.

De biggen worden geboren in een door de moeder aangelegd nest, de kraamkamer genoemd. Het is een grote kuil met varens, grassen en bladeren. De biggen en hun moeder blijven in dat nest, totdat ze zich na een week aansluiten bij de oorspronkelijke rotte. Als de zeugen jongen hebben kunnen ze agressief worden tegen mensen, mochten deze te dichtbij komen.

Het zichtvermogen van het wild zwijn is relatief slecht; zo kunnen ze een mens niet herkennen als deze zich niet beweegt. Daarentegen is hun reuk- en tastzin zeer goed ontwikkeld. In tegenstelling tot het tamme varken kunnen wilde zwijnen niet getraind worden bijvoorbeeld om truffels te zoeken. Wilde zwijnen hebben ook een zeer fijn gehoor.

Voortplanting miniatuur|links|Wild zwijn met biggen miniatuur|links|Jong biggetje in een Nederlands wildpark (2010)

Bij wilde zwijnen duurt de paartijd, die ook wel rauschtijd wordt genoemd, van september tot maart.Stichting het Nationaal Park de Hoge Veluwe (2015). Wild zwijn: De nozems van het bos. Geraadpleegd op 09-04-201 De frislingen worden geboren tussen maart en april, na een draagtijd van 113-114 dagen. Zeugen krijgen vaak 8-12 jongen per worp, wat ook overeenkomt met het aantal tepels dat een zeug heeft. Oudere zeugen krijgen grotere worpen. Het aantal jongen is ook afhankelijk van de voedselsituatie en de conditie van de zeug in de periode van bevruchting. Meestal krijgt een zeug één worp per jaar, maar mocht de eerste worp vroeg verloren gaan, dan kunnen de zwijnen nog in de zomer een tweede worp krijgen. Tegen kou kunnen pasgeboren zwijntjes redelijk goed, maar niet tegen (veel) regen, zeker niet in combinatie met wind en lage temperaturen.

De jonge zeugen worden meestal geslachtsrijp wanneer ze tussen de 8 en 15 maanden zijn. British Wild Boar (2015). All you need to know about wild boar. Geraadpleegd op 10-04-201 Leeftijd is niet direct van invloed op het geslachtsrijp worden; dit is vooral afhankelijk van het gewicht. Vereniging Het Edelhert (2007). Flora- en faunawet. Geraadpleegd op 10-04-201 Een gewicht van ongeveer 40 kg maakt ovulatie mogelijk. Jonge mannetjes kunnen zich echter al vanaf 7-10 maanden voortplanten zonder dat hun gewicht hierin meespeelt. De eenjarige wilde zwijnen worden in deze periode nog overlopers genoemd. British Wild Boar (2015). All you need to know about wild boar. Geraadpleegd op 10-04-2015

Leefgebied Verspreiding miniatuur|300px|Verspreidingsgebied van het wild zwijn; donkergroen: oorspronkelijk, blauw: geïntroduceerd

Wilde zwijnen komen voor in grote delen van Europa, Azië en delen van Noord-Afrika. Voordat door de jacht bepaalde populaties werden uitgeroeid, reikte het verspreidingsgebied van Ierland in het westen tot Japan en Java in het oosten. Het kerngebied van zijn verspreiding in Europa bevindt zich in Duitsland, Oostenrijk, Italië, Polen en de Balkan.

Ze zijn geïntroduceerd in onder andere de Verenigde Staten, Argentinië, Papoea-Nieuw-Guinea, Australië en enkele eilanden in de Grote Oceaan en de Caraïben. Het is wel zo dat er regionaal en lokaal nogal wat verschillende soorten en variëteiten bestaan.

Het wild zwijn is uitgestorven in Egypte, Libië, Soedan en Ierland. In Noorwegen zijn recentelijk ook opnieuw wilde zwijnen waargenomen, na een afwezigheid van ongeveer 1000 jaar. Twee verschillende groepen hebben zich gevestigd in de buurt van de Zweedse grens in het zuidoosten van Noorwegen. Ondanks de marginale aanwezigheid van het wild zwijn in Noorwegen mag er jaarrond, zonder restricties op ze gejaagd worden. Nordic Science (2013). Wild boars generate worries in Norway. Geraadpleegd op 09-04-2014 Ook was het wild zwijn al waarschijnlijk sinds de 13e eeuw uitgestorven in Groot-Brittannië. Er werd een poging ondernomen door Koning Jacobus I van Engeland in 1610 om de soort opnieuw uit te zetten, maar tegen het jaar 1700 waren er geen meer aanwezig. Rond de jaren 1990 waren er geruchten dat er in de graafschappen Kent en East Sussex wilde zwijnen rondliepen. In 1998 werd dit bevestigd en ze kwamen bovendien ook in Dorset voor. Het is zeer aannemelijk dat dit komt doordat wilde zwijnen konden ontsnappen uit fokkerijen na een zware storm in 1987. De nieuw gevormde populaties lijken stabiel.

Voorkomen in de Benelux