Slovenië (Sloveens: ), officieel de Republiek Slovenië (Sloveens: ), is een land in Midden-Europa aan de zuidoostelijke rand van de Alpen en is lid van de Europese Unie. Het wordt begrensd door Oostenrijk in het noorden, Italië en de Adriatische Zee in het westen, Kroatië in het zuiden en oosten en Hongarije in het noordoosten. Het land is klein, dichtbebost en bergachtig. In het westen heeft het land een korte Adriatische kust. De grens met Oostenrijk wordt grotendeels gevormd door de waterscheiding van de bergkam van de Karawanken, met toppen boven de 2000 m, die deel uitmaken van de Alpen. De hoofdstad en tevens grootste stad is Ljubljana.

Slovenië werd een soevereine staat nadat het op 25 juni 1991 zijn onafhankelijkheid uitriep. Vóór de onafhankelijkheidsverklaring maakte Slovenië deel uit van het voormalige Joegoslavië als (Socialistische) Republiek Slovenië (Sloveens: (Socialistična) republika Slovenija).

Op 1 mei 2004 werd Slovenië lid van de EU. Sinds 2007 hanteert Slovenië de euro als betaalmiddel.

Geschiedenis

Het huidige Slovenië behoorde eeuwenlang tot Oostenrijk. De Slovenen leefden in de kroonlanden Krain, Karinthië, Stiermarken, Küstenland (Primorska) met het graafschap Görz (vorstelijk graafschap Gorica en Gradišče), en het achterland van Triëst. Een klein deel van het huidige Slovenië lag in Hongarije: Prekmurje (Muravidék) wat betekent 'aan de overzijde van de Mur', de grensrivier met Hongarije.

In 1866 werden enkele westelijke, door Slovenen bewoonde, gebieden afgescheiden van Oostenrijk en toegewezen aan het nieuwe Koninkrijk Italië. In 1918 volgde het grootste deel van Küstenland (Primorska) met de stad Triëst en een aantal andere kuststeden. Enkele honderdduizenden Slovenen kwamen toen samen met Kroaten in Italië te wonen in wat Istrië heette. In 1918 werden door Slovenen bewoonde delen van de Oostenrijkse kroonlanden, Krain, Karinthië, Stiermarken samen met de voornamelijk door Slovenen bewoonde en tot dan Hongaarse Prekmurje samengevoegd als provincie Slovenië in de kortstondige staat van Slovenen, Kroaten en Serviërs (SHS), die zich al snel transformeerde tot het koninkrijk Joegoslavië. Op dat moment, in de periode 1919-1920, werden de grenzen van Slovenië vastgelegd in het Verdrag van Saint-Germain (noordgrens), het Verdrag van Rapallo (westgrens) en het Verdrag van Trianon (noord-oostgrens).

Na de bezetting in 1941 werd Slovenië opgedeeld tussen Duitsland, Italië en Hongarije. Deze met elkaar in bondgenootschap verbonden staten probeerden in hun deel de Sloveense taal en cultuur te marginaliseren en de Slovenen vervolgens onder druk te germaniseren, italianiseren dan wel magyariseren. Een aanzienlijk aantal Slovenen, met name in het 'Duitse' deel, gaf daar gevolg aan. Anderen organiseerden een hevige bevrijdingsstrijd die voorlopig onderling werd gestreden omdat de nationalistische Sloveense Domobranci en het communistische Sloveens Bevrijdingsfront elkaar de voorrang betwistten. De communisten voegden zich in de partizanen van Tito en met toestemming van de geallieerden kregen zij in 1945 de overmacht. Grote aantallen nationalisten werden toen geëxecuteerd en op 10 augustus 1945 ging Slovenië samen met het door Joegoslavië geannexeerde Istrië als 'volksrepubliek Slovenië' deel uitmaken van het Democratisch Federatieve Joegoslavië, dat zich een paar maanden later, na de onvrije verkiezingen op 11 november, 'Federatieve Volksrepubliek Joegoslavië' ging noemen, en nog weer later, van 1963 tot 1991, 'Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië' (SFRJ) heette. Tot 1954 was er strijd met Italië over de stad Triëst die uiteindelijk toch Italiaans zou blijven (er is een Sloveense minderheid in Italië).

Slovenië was de welvarendste republiek in deze federatie. Op 7 maart 1990 werd de naam "Socialistische Republiek Slovenië" gewijzigd in "Republiek Slovenië". In 1991 werd Slovenië onafhankelijk. Hieraan ging de Tiendaagse Oorlog vooraf, die werd beëindigd door het Akkoord van Brioni. Op 1 mei 2004 trad het land toe tot de Europese Unie. Inmiddels is het eveneens lid van de NAVO en van de OESO.

Op 1 januari 2007 is Slovenië officieel toegetreden tot de eurozone. Dit betekende het einde van de Sloveense tolar.

Geografie links|miniatuur|Logarska dolina Slovenië is met een oppervlakte van ongeveer half zo groot als Nederland. De omtrek van de landsgrenzen meet 1213 km (546 km met Kroatië, 330 km met Oostenrijk, 188 km met Italië en 102 km met Hongarije). De kustlijn van Slovenië is 47 km lang.

Ondanks het relatief kleine oppervlak kent het land grote verschillen in het landschap. In het noorden liggen de Karawanken, Kamnische Alpen en in het noordwesten de Julische Alpen. In de Julische Alpen ligt in het Triglav Nationaal Park de gelijknamige berg Triglav (bet.: drie toppen), die met 2864 m de hoogste berg van het land is. Hier ontspringen ook de Koritnica, Soča en Sava. De Sava behoort met de Mura en de Drava tot de belangrijkste Sloveense rivieren. In de Julische Alpen ligt ook het grootste meer van Slovenië, het 3,18 km² omvattende Meer van Bohinj. Het oosten is daarentegen vlak, overgaand in de Pannonische laagvlakte van Hongarije. In het zuidwesten en zuiden overheersen middelgebergtes en heuvellandschappen, die overgaan in de Dinarische Alpen. Hier is sprake van een karstlandschap met de kenmerkende periodieke meren (bijvoorbeeld in Cerknica) en vele onderaardse grotten. In het uiterste zuidwesten bij de haven- en badplaats Portorož (Italiaans: Portorose) verloopt de 47 km lange kustlijn. De helft van het land is bebost. Het klimaat is in het noorden continentaal, aan de kust tot aan de lijn Nova Gorica-Postojna mediterraan.

Bezienswaardigheden thumb|right|Het meer van Bohinj Meer van Bohinj Meer van Bled Grotten van Postojna Grotten van Škocjan Bedevaartplaats Ptujska Gora bij Ptuj Stoeterij van de Lipizzaner paarden bij Lipica In het noordwesten van Slovenië ligt het Triglav Nationaal Park, nabij Bovec

Steden

Slovenië telt slechts weinig grote steden. De hoofdstad Ljubljana (278.000 inwoners) en Maribor (115.000 inwoners) zijn de enige twee steden met meer dan honderdduizend inwoners. De elf grootste gemeenten hebben de status "stadsgemeente", die hen meer bevoegdheden verleent dan een gewone gemeente. miniatuur|Maribor

De elf stadsgemeenten

Demografie Bevolking

Slovenië is etnisch het meest homogene land van de opvolgerstaten van Joegoslavië. Wel wonen er veel Slovenen van oudsher buiten Slovenië: de meesten in Italië (Friuli) en Oostenrijk (Karinthië en Stiermarken), en daarnaast in Hongarije. In de Verenigde Staten, Canada, Argentinië en Australië is een grote Sloveense migrantengemeenschap, terwijl de Sloveense aanwezigheid in Nederland bijzonder oud is (15e eeuw) en in 1931 - als gevolg van de opkomst van de mijnen in Limburg - een hoogtepunt bereikte. Zie ook Sloveense diaspora. De bovenstaande grafiek geeft de demografische ontwikkeling op het huidige grondgebied van Slovenië weer (1.268.055 inwoners in 1900 = index 1000). De getallen voor de periode 1857-1931 zijn berekend op basis van de gemeentelijke bevolkingsaantallen, van alleen de gemeenten die sinds 1991 deel uitmaken van de Sloveense staat. De gebieden die sinds 1991 deel uitmaakten van Hongarije, Oostenrijk en Italië zijn niet meegenomen in de reconstructie (gegevens ontleend aan de Statistični urad Republike Slovenije).

Een Duitstalige minderheid was in de Oostenrijkse tijd dominant. In de hoofdstad Ljubljana (Laibach) behield zij tot aan het einde van de 19de eeuw een meerderheid in de gemeenteraad. In andere steden was dat het geval tot aan de overname van het gezag door Joegoslavië, met name in Maribor (Marburg an der Drau), Celje (Cilli), Ptuj (Pettau) en Kranj (Krainburg). Duitstaligen woonden ook in de dorpen rond deze steden. Een bijzonder gebied was de stad Kočevje (Gottschee) met haar omgeving van een twintigtal dorpen waar sinds de 14de eeuw een Duitstalige bevolking woonde. Zij werden in en na 1945 verdreven en vervangen door een bevolking uit de andere Joegoslavische republieken.

Een tweede, na 1945 grotendeels verdreven minderheid, wordt gevormd door een restant van de Italiaanse bevolking van Istrië, enkele duizenden Italiaanstaligen die voornamelijk wonen in de kuststeden Koper (Capodistria), Portorož (Portorosso), Piran (Pirano) en Izola (Isola). Zij organiseren zich cultureel samen met de Italiaanstalige minderheden in de aangrenzende Istrische kuststeden die nu tot Kroatië behoren.

Een derde minderheid vormen de ca. 10.000 Hongaren in de regio Prekmurje (Muravidék), die tot 1918 bij Hongarije behoorde en pas in dat jaar met de overige, tot dan toe Oostenrijkse, delen van Slovenië werd samengevoegd. De Hongaarse culturele dominantie in dit gebied is sindsdien teruggedrongen. Een restant van het in godsdienstig opzicht tolerante Hongaarse staatsgezag blijft zichtbaar in het voortbestaan van enkele Lutherse gemeenten, terwijl zij door de Oostenrijkse Contrareformatie elders in Slovenië radicaal werden geëlimineerd.

De Joodse gemeenten zijn in de periode 1938-1945 te gronde gericht. Overlevenden waren er weinig en na 1945 zijn enkele gemeenten met Joden van elders opnieuw ingericht.

Zowel lutheranen als joden zijn cultureel Hongaars georiënteerd.

Roma vormen een betrekkelijk nieuwe minderheid die zich door een zeer hoog geboorteaantal aanzienlijk heeft uitgebreid.

Taal De officiële taal van Slovenië is Sloveens. Het Italiaans en Hongaars worden naast het Sloveens als ambtstaal gehandhaafd in de regio's waar de Italiaanse (ca. 3000 personen) en Hongaarse (ca. 8000 personen) minderheden leven. Er wonen naar schatting ook nog 2000 overgebleven Duitstaligen ("Sloweniendeutsche"), wier rechten echter niet worden erkend.Slowenien bekräftigt Nein zu Anerkennung deutschsprachiger Minderheit

Religie miniatuur|241x241px|Christelijke kerk op het eiland Bled.

De bevolking was in de 16de eeuw grotendeels overgegaan tot de lutherse Reformatie. De Contrareformatie maakte daar een drastisch einde aan en sinds het begin van de 17de eeuw is ze grotendeels rooms-katholiek. De hoofdpatroonheilige van de Slovenen is Maria Hulp der Christenen, die vereerd wordt in het nationale heiligdom te Brezje. Sinds de machtsovername door de communistische partij begon in Slovenië echter de secularisering die pas in de jaren negentig van de vorige eeuw, na de ontbinding van die partij, doorzette. De Kerk verloor toen haar samenbindende rol in het verzet tegen de communistische staat.

Volgens de volkstelling van 2002 sprak 57,8% van de Slovenen zich uit als behorend tot de Rooms-Katholieke Kerk, 2,4% als moslim, 2,3% als behorend tot een van de oosters-orthodoxe kerken en 0,9% als lid van een protestants kerkgenootschap. Een deel van de bevolking beschouwde zich als atheïst (10,1%), terwijl 3,5% zich als "gelovig, maar niet confessioneel" definieerde. Een groot deel van de ondervraagden (22,8%) was niet in staat om of weigerde de vraag naar hun levensbeschouwing te beantwoorden.

+Godsdienstig gezinden in Slovenië in % bij de volkstellingen in 1991 en 2002Jaarrooms-katholiekevangelischoverig protestantorthodoxoverig christelijkislamitischjoodsoostersoverig religieusagnostischgelovig maar buitenkerkelijkongelovig, atheïstischantwoord geweigerdonbekend 1991 71,6 0,7 0,1 2,4 0,1 1,5 0,0 0,0 0,0 - 0,2 4,4 4,2 14,6 2002 57,8 0,8 0,1 2,3 0,1 2,4 0,0 0,1 0,0 0,0 3,5 10,1 15,7 7,1Bron: Volkstellingen 1991 en 2002 miniatuur|Podolševa