thumb|Overstroomde gebieden in Nederland miniatuur|Dijkdoorbraak in de Alblasserwaard bij Papendrecht, 1 februari 1953. miniatuur|Dijkdoorbraak op Goeree-Overvlakkee bij Den Bommel, 1 februari 1953. miniatuur|Geruïneerde huizen tijdens de Watersnoodramp van 1953. Gefotografeerd tijdens bezoek van Koningin Juliana aan het overstroomde gebied. miniatuur|Opname van het overstroomde Oude Tonge op Goeree-Overflakkee vanuit een Amerikaanse legerhelikopter. De watersnood van 1953, meestal aangeduid als de Watersnoodramp of Februariramp en aanvankelijk ook wel als Sint-Ignatiusvloed of Beatrixvloed, voltrok zich in de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953.Vergelijk bijvoorbeeld Watersnoodramp 1953 op de website van het KNMI en Watersnoodramp 1953 groots herdacht op de website van Omroep Zeeland.Sint -Ignatiusvloed: als secundaire naam nog gehanteerd op de website van het Watersnoodmuseum.Beatrixvloed wordt bijvoorbeeld gebruikt in: Aleid van Rhijn, Een helicopter daalde: een verhaal uit de dagen van de Beatrixvloed 31 januari – 1 februari 1953, uitg. Eva: Televizier, 1963. De ramp was het gevolg van een combinatie van zware storm uit noordwestelijke richting die het zeewater aan de kust opstuwde, met een daarmee samenvallend tijdstip van hoogwater in het getijde vloed en springtij. Het water in de trechtervormige zuidelijke Noordzee steeg door dit ongunstige samenspel van natuurverschijnselen tot extreme hoogte. Te Vlissingen, Hoek van Holland, IJmuiden en Harlingen voerde het tot de hoogste waterstand in 100 jaar gemeten, respectievelijk 4,55, 3,85, 3,85 en 3,85 meter hoger dan Normaal Amsterdams Peil (NAP).Windinvloed watersnoodramp 1953 Het gevolg was dat veel dijken door het zeewater overspoeld werden en doorbraken. Hele eilanden en landstreken inclusief steden en dorpen raakten overstroomd; er waren veel slachtoffers, tienduizenden dieren lieten het leven, huizen werden verwoest en verder was er grote materiële schade.

Het aantal doden bedroeg 1.836 in Nederland, 307 in het Verenigd Koninkrijk, 224 op zee, waaronder 133 bij het vergaan van een Britse veerboot, en 28 in België. De ramp was aanleiding voor de regeringen van Nederland en Engeland te besluiten tot financiering, coördinatie en technische ontwikkeling van een sterk verbeterde kustverdediging met zware stormvloedkeringen. Het meest ingrijpend zijn de Deltawerken in Nederland, terwijl in het Verenigd Koninkrijk onder meer de Thames Barrier en een stormvloedkering in de rivier Hull zijn gebouwd.

Karakteristieken Oorzaken Water dat aan land wordt opgestuwd door zware wind wordt stormvloed genoemd. Dit natuurverschijnsel kan aan een zeekust extragevaarlijk zijn als het samenvalt met het normale getij van vloed of, nog riskanter, met een springvloed: het getij waarin eens in de 15 dagen door de stand van de zon en de maan het verschil tussen hoog- en laagwater het grootst is. De (spring)vloed komt voor bij nieuwe en volle maan. Het springtij wordt dan verhoogd met de stormvloed. Dit was een belangrijke oorzaak van de watersnood van 1953.

Op donderdag 29 januari ontstond ten zuiden van IJsland een noordwesterstorm die zich bij de Orkney-eilanden ten noorden van Schotland ontwikkelde tot een storm met orkaankracht. Aangekomen op de noordelijke Noordzee draaide de wind naar noord-noordwest en ontwikkelde zich in de loop van de dag tot een stormveld van 1.000 km lengte dat recht op de Noordzeekust toebewoog en het water in de trechtervormige Noordzee aan de kust tot recordhoogte opstuwde. In de avond en nacht was sprake van een langgerekt stormveld uit noordwest tot noord, de gevaarlijkste richting, omdat deze al het water naar de kust opjaagt. Bovendien duurde het hoogtepunt van de storm erg lang: weerstation De Kooy bij Den Helder meldde zowel op 31 januari als op 1 februari een daggemiddelde van windkracht acht. In de nacht van 31 januari op 1 februari werden windsterkten 9, 10 en 11 gemeten. De storm duurde 24 uur.

In Nederland waren de dijken niet op deze uitzonderlijke hoogtes van het water berekend en in het Deltagebied braken op 1 februari 's morgens vanaf 03.00 uur op meer dan 150 plaatsen de dijken en liepen grote delen van de provincie Zeeland, de Zuid-Hollandse Eilanden en delen van westelijk Noord-Brabant onder water. Het volgende hoogwater om 13:00 uur bracht met een vloedgolf nog meer leed. Mensen die de eerste overstroming op zolders of het dak van hun huizen hadden overleefd, werden meegesleurd in het water toen de verzwakte muren van de huizen het begaven. Zo werd Nederland getroffen door een van de grootste natuurrampen uit zijn geschiedenis, de zwaarste sinds 1570 (derde Allerheiligenvloed).

Voorgeschiedenis Veel dijken, vooral in het deltagebied, waren te laag en te zwak. Rijkswaterstaat onderkende dit al in de jaren 1920 en werkte aan plannen om binnenwateren van de zee af te sluiten door het aanleggen van nieuwe kunstwerken. De Afsluitdijk, die gereed was gekomen in 1932, was een eerste belangrijke stap in dit programma. Na de crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog werden de eerste werken in Zuidwest-Nederland uitgevoerd: de Botlek, de Brielse Maas (1950) en de Braakman (1952) werden afgedamd. Toch had de kustbescherming geen prioriteit. In 1950 werd het reeds bescheiden budget nog eens beperkt omdat de naoorlogse economische wederopbouw voorrang kreeg. (2002), 50 jaar Verder: Februariramp 1953, blz. 40, Uniepers De ramp van 1953 leidde tot snelle en ingrijpende maatregelen van de regering en vormde de directe aanleiding voor ontwerp en aanname van de Deltawet.

Schade In Nederland kostte de ramp aan 1.836 mensen het leven. Daarnaast veroorzaakte de vloed in Zuidwest-Nederland grote schade aan de veestapel, woningen, gebouwen en infrastructuur. Zo'n 100.000 mensen verloren hun huis en bezittingen, de evacuatie telde 72.000 mensen. Er verdronken 47.000 stuks vee en 140.000 stuks pluimvee. Schade aan de infrastructuur en landbouwgrond waren groot. Ruim 150.000 ha grond overstroomde. Er werden 4500 huizen en gebouwen verwoest en 43.000 beschadigd, 200.000 hectare grond kwam onder water te staan.Cf. Slager 2013. Het Zuid-Hollandse dorp Oude Tonge was de plaats waar de meeste slachtoffers vielen: 305 doden. Voor veel overlevenden uit de getroffen gebieden vormen de herinneringen aan de ramp een levenslang trauma.

De schade aan de dijken was binnen driekwart jaar na de natuurramp hersteld door de inzet van duizenden arbeiders en meer dan 4.000 militairen, ook uit het buitenland.

Ook in het Verenigd Koninkrijk, België en Duitsland vonden overstromingen plaats en vielen honderden slachtoffers. Op zee verloren velen het leven door schipbreuken. In de Ardennen ontstond een sneeuwlaag van twee, meter ook omdat na de storm nog een aantal dagen een noordelijke stroming koude, instabiele lucht bleef aanvoeren.

Naam De Watersnood(-ramp) van 1953 werd aanvankelijk ook wel aangeduid als Sint-Ignatiusvloed, naar Sint Ignatius, wiens naamdag tot 1969 op 1 februari viel (maar sinds 1969 op 17 oktober).Als secundaire naam wordt deze naam nog gehanteerd op de website van het Watersnoodmuseum. Met deze naam werd een traditie gevolgd om grote overstromingen in het Deltagebied te vernoemen naar de dag van de rooms-katholieke heiligenkalender. Onder meer de Sint-Elisabethsvloeden van 1404, 1421 en 1424, en de Allerheiligenvloeden van 1532 en 1570 zijn hier voorbeelden van. De naam 'Sint-Ignatiusvloed' vond echter niet algemeen ingang. Protestants-christelijken spraken aanvankelijk liever van Beatrixvloed, omdat de watersnood plaatsvond in de nacht na de vijftiende verjaardag van prinses Beatrix. Deze tweede naam maakte nog minder opgang. Stormramp was een meer zakelijke term, maar te weinig specifiek. Later werd steeds vaker van 'de Watersnoodramp' gesproken, of van 'de Watersnood', of eenvoudig van 'de ramp (van 1953)'.Watersnoodramp1953 lesbrief en Geschiedeniszeeland.nl

Gebeurtenissen miniatuur|Herdenking watersnoodramp en blik op het Deltaplan in het Polygoonjournaal (1959)

Verloop van de ramp in Nederland Zaterdagavond 31 januari 1953 stond een zware noordwesterstorm. Rond middernacht was het aan de zuidwestkust van Nederland laagwater. Het zou daar dus op zondagmorgen 1 februari tussen 4 en 6 uur hoogwater zijn.

De Stormvloedseindienst maakte vanaf zaterdagmorgen aan de op de dienst geabonneerde autoriteiten melding van de opkomende 'zeer zware noordwesterstorm'. Tijdens laagwater op die zaterdagavond stond het waterpeil door de storm ongeveer even hoog als het normaal bij hoogwater staat. Bovendien was het springtij, wat betekende dat het waterpeil nog extra zou stijgen. In de algemene weersverwachting werd die zaterdagavond gewaarschuwd voor 'gevaarlijk hoogwater', toen de hoogst mogelijke staat van alarm. Deze waarschuwing werd echter door velen in het rampgebied niet gehoord of verkeerd begrepen. Toendertijd sloot de radio om middernacht, en pogingen om deze langer in de lucht te houden mislukten. Ook de toen nog bemande telefooncentrales sloten in de avond.

De Grevelingen en Oosterschelde waren in 1953 nog geheel open zee-armen. Tijdens de rampnacht werd het water daar zeer hoog opgestuwd. Op de kop van het eiland Schouwen-Duiveland bereikte de waterstand het hoogste niveau van de gehele Nederlandse kustlijn. Meer landinwaarts, bij Bruinisse, kwam het opkomende water uit de Grevelingen en uit de Oosterschelde samen. Zondagmorgen vroeg kwam het waterpeil daar tot NAP + 4,5 meter: een ongeëvenaard hoog niveau.

Tussen 4 en 6 uur 's morgens braken op vele plaatsen de dijken. Vooral de noord- en oostkant van de Oosterschelde (Stavenisse, Ouwerkerk, Nieuwerkerk), van de Grevelingen (Oude-Tonge en Nieuwe-Tonge) en van het Hollandsch Diep (Schuring en 's-Gravendeel) werden zwaar getroffen. De eerste berichten die duidden op een ramp van ongekende omvang kwamen op zondagochtend vanuit Zwijndrecht, waar het water over de ringdijk sloeg, en uit Willemstad, waar de polders Ruygenhil en Oude Heyningen en het stadje zelf begonnen onder te lopen. Hierna volgden berichten over dijkdoorbraken tussen Hoek van Holland en Maassluis; bij Cadzand in Zeeuws-Vlaanderen bleek een stuk duin weggeslagen en snel werd duidelijk dat er ook reeds overstromingen gaande waren op vele tussenliggende plaatsen waarmee nog geen telefonisch contact mogelijk was. Reeds op 2 februari werd, terwijl de totale omvang nog onbekend was, bericht over een "watersnoodramp".Onmetelijke scahde aangericht, Overijsselsch Dagblad, 2 februari 1953

Op sommige plaatsen op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee stroomde het water zo hard de polders in, dat dorpen als Oude- en Nieuwe-Tonge binnen ongeveer een half uur twee tot drie meter onder water stonden. Elders verliep de overstroming geleidelijker en/of kwam het water niet zo hoog. Zo bereikte het water Ooltgensplaat, een dorp vlak bij Oude- en Nieuwe-Tonge, pas rond 7 uur 's morgens, en steeg het er tot een hoogte van zo'n twee meter. Op Duiveland werd de hoogste waterstand zelfs pas in de loop van de zondagmiddag bereikt.

Telefoon- en telegraafverbindingen waren door de overstroming beschadigd en onbruikbaar geworden. Enkele tientallen zendamateurs zetten binnen enkele uren een noodradionetwerk op. Ze werkten gedurende tien dagen en nachten om met hun zenders radiocommunicatie te verzorgen. Het was in die eerste dagen vrijwel de enige contactmogelijkheid tussen de overstroomde gebieden en de buitenwereld.Jan Hoek, Kanaal 3700, 2003, 3e geheel herziene druk, Stichting Servicebureau VERON, Middelburg

Overstromingen in Nederland In één nacht veranderde 165.000 hectare land in een rampgebied, bedekt door de zee. De overstromingen zetten grote delen van Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Brabant onder water. Alhoewel een groot gebied werd overstroomd, werden sommige plaatsen veel zwaarder getroffen dan andere.