Irak (Arabisch: العراق al-ʿIrāq, Koerdisch: Komara Êraqê), officieel de Republiek Irak, is een land in het Midden-Oosten. Het ligt voor een groot deel in en rond het stroomgebied van de rivieren de Eufraat en de Tigris, het gebied dat vanouds bekendstaat als Mesopotamië. Het zuidoosten van Irak ligt aan de Perzische Golf, verder grenst het land met de klok mee aan Koeweit, Saoedi-Arabië, Jordanië, Syrië, Turkije en Iran. Irak behoort tot de Arabische Liga. De hoofdstad is Bagdad.

Wat betreft de naam van het land wordt wel beweerd dat deze in de loop der eeuwen van de naam van de stad Uruk in Sumer zou zijn afgeleid."De naam al-ʿIrāq is afgeleid van Middelperzisch erāq 'laagland'" W. Eilers (1983), "Iran and Mesopotamia" in E. Yarshater, The Cambridge History of Iran, vol. 3, Cambridge: Cambridge University Press.

Geschiedenis De Soemeriërs

Het gebied dat het huidige Irak inneemt is vrijwel hetzelfde als het vroegere Mesopotamië, het land tussen de rivieren Eufraat en Tigris. De eerste complexe menselijke beschavingen op aarde ontstonden hier, die van de Soemeriërs. Dit volk ontwikkelde rond 3400 v.Chr. het eerste schrift, de eerste voorbeelden van literatuur (Gilgamesj-epos), de eerste geschreven wetten, de eerste steden. Irak wordt daarom ook wel 'de bakermat van de beschaving' genoemd. De Soemeriërs waren vanaf circa 3500 v.Chr. georganiseerd in stadstaten, zoals Uruk, Ur en Lagasj.

Akkadische overheersing Vanaf 2500 v.Chr. kwam een reeks van Semitische culturen het land te domineren: de Akkadiërs, de Arameeërs en Assyriërs. Het Semitisch verving langzaam het Soemerisch als voertaal en taal van bestuur, wel bleef Soemerisch door de eeuwen heen altijd gebruikt worden als religieuze taal.

Onder de Akkadiërs ontstond in dit gebied het eerste rijk, toen de legendarische Sargon de Grote zijn autoriteit verspreidde over heel Mesopotamië (circa 2350 v.Chr.). Dit Akkadische Rijk zakte na de dood van Sargon meteen in, doordat het bij zijn opvolgers ontbrak aan organisatievermogen en charisma. Het rijk zou nog wel zo'n twee eeuwen blijven voortbestaan, in een veel kleinere omvang dan onder Sargon, voordat het definitief viel onder druk van invasies door stammen uit het Zagrosgebergte (circa 2150 v.Chr.). Onder de Akkadiërs vond een opmerkelijke mengeling plaats van de Soemerische en Semitische culturen. Soemerische literatuur (waaronder het Epos van Gilgamesj) werd vertaald naar het Akkadisch, Soemerische goden werden opgenomen in het Akkadische pantheon en de Soemerische taal bleef in gebruik als bestuurstaal. Ook in de bouwkunst borduurden de Akkadiërs voort op de Soemerische tradities.

Rond 2100 v.Chr. ontstond de zogenaamde Derde dynastie van Ur, het laatste Soemerische koninkrijk. In deze periode probeerden de heersers de nadruk te leggen op hun Soemerische afkomst en de Soemerische cultuur. Deze periode wordt daarom wel een 'Soemerische renaissance' genoemd. Toch namen deze Soemeriërs niet volledig afstand van het Akkadische erfgoed. Sargon wordt in deze periode geëerd als grote held en de koningen gebruiken allemaal de titel ‘koning van Soemer en Akkad’. De Derde dynastie van Ur kwam ten einde in 2004 v.Chr, na een verwoestende invasie vanuit Elam.

Na het instorten van Ur kwam Mesopotamië onder invloed te staan van de Amorieten, een Semitisch volk dat oorspronkelijk in noordelijk Syrië leefde. Het gebied werd hierna gedomineerd door tientallen Amoritische en Akkadische stadstaten. Een van deze staatjes was dat van Babylon.

In het noorden van Mesopotamië vestigden Akkadische koningen de stad Assoer. De stad kwam te domineren over noordelijk Mesopotamië en zou zijn naam geven aan dit gebied: Assyrië. De Assyriërs bouwden een enorm handelsnetwerk op, gebaseerd op de karum. Dit waren Assyrische handelskoloniën, die in naburige staten de Assyrische handel regelden en controleerden. Deze karums werden meestal gesticht in of nabij bestaande nederzettingen en vielen onder het bestuur van Assoer. De bekendste karum is die van Kanesj. Behalve Klein-Azië waren er ook karums in noordelijk Syrië. Dit Assyrische handelsnetwerk kwam ten einde rond 1700 v.Chr.; onbekend is waarom. De val van dat handelsimperium in Klein-Azië viel samen met de opkomst van het rijk der Hettieten daar.

Ondertussen groeide Babylon uit tot de belangrijkste metropool van zuidelijk Mesopotamië, onder de beroemde Hammurabi (circa 1800 v.Chr.), de zesde Amoritische koning van Babylon. Tegenwoordig is Hammurabi vooral bekend van zijn wetteksten. Het Oude Koninkrijk van Babylon bleef bestaan tot het in 1575 v.Chr. werd bezet door de Hettieten.

Hierna volgde een lange periode waarin de Babyloniërs en Assyriërs, of door naburige volkeren werden gedomineerd (door respectievelijk de Kassieten en de Mitanni), of met elkaar in conflict waren. Dit is de zogenaamde Amarna-periode, waarin het Nieuwe Rijk van Egypte de grote macht was in het Nabije Oosten. Er is relatief weinig bekend over Mesopotamië in deze periode. Toch was het juist de Akkadische taal die in deze periode diende als diplomatieke taal van het Nabije Oosten. Officiële communicatie tussen Egypte en andere staten vond plaats in het Akkadisch. Bewijs van de invloed die de Mesopotamische beschaving zelfs in dit dieptepunt behield (zie de Amarna-brieven).

De Nieuw-Assyrische en Nieuw-Babylonische Rijken thumb|left|Ivoren beeld gevonden in de Assyrische hoofdstad Nimrud, ca 700 v.Chr. Globalisering in de Oudheid. Gemaakt door Fenicische vaklieden met sterke Egyptische invloeden, voor een Assyrische markt thumb|Links: Gilgamesh overmeestert een leeuwin. Rechts: gevleugelde stier. Paleis van Sargon II, Dur-Sharrukin, ca. 800 v.Chr.

In 911 v.Chr. kwam geheel Mesopotamië in handen van Assyrië. Dit Nieuw-Assyrische Rijk heerste niet alleen over Assyrië en Babylonië, maar veroverde enorme delen van het Nabije Oosten: de Levant, Cyprus, Elam, delen van Klein-Azië en zelfs Egypte. Babylon kwam meerdere malen in opstand tegen de Assyrische overheersing en in 689 v.Chr. werd de stad volledig vernietigd. Deze daad schokte het volk zodanig, dat de Assyriërs niet veel later begonnen met de herbouw ervan.

In deze periode begint het Aramees langzaam het Akkadisch te vervangen. Sprekers van het Aramees begonnen zich vanaf circa 1200 v.Chr. in Syrië te vestigen. Daar organiseerden zij zich in kleine stadstaten, zoals Aram-Damascus. Nadat deze Aramese staatjes werden opgenomen door de Nieuw-Assyrische oorlogsmachine, gebeurde iets opmerkelijks. Het Aramees werd niet vervangen door de Akkadische taal van Mesopotamië, maar in plaats daarvan ging het Aramees een steeds belangrijkere rol spelen in administratie van het Nieuw-Assyrische Rijk. Gedacht wordt dat dit te maken had met de beruchte gewoonte van de Nieuw-Assyriërs om veroverde volkeren elders in het Rijk te vestigen (om zo de kans op opstanden te verminderen). Zo zouden sprekers van het Aramees over heel het Nabije Oosten verspreid raken en de taal snel aan invloed toenemen. Vanaf de 8e eeuw v.Chr. was het Aramees, en niet langer het Akkadisch, de belangrijkste taal in Mesopotamië en de Levant. Ook verving het Aramese alfabet langzaam het duizenden jaren oude Soemerische spijkerschrift. Dit alfabet ontstond vanaf 900 v.Chr. in Syrië uit het Fenicisch alfabet. Op zijn beurt stond het Aramese alfabet aan de wieg van het Arabische en het Hebreeuwse alfabet.

De Nieuw-Assyriërs waren berucht vanwege hun onderdrukkende beleid en continue oorlogsvoering, maar staan tegelijk bekend om hun geweldige prestaties in de kunsten en de architectuur.

In 658 v.Chr. viel het Assyrische Rijk uiteen door rebellie van een coalitie van Babyloniërs en Meden en ontstond het zogenaamde Nieuw-Babylonische Rijk. Babylon werd weer de hoofdstad en voor de stad brak haar belangrijkste bloeiperiode aan. Met ruim 150.000 inwoners was het veruit de grootste stad ter wereld (alleen Memphis kwam enigszins in de buurt). Dit Babylon was een groot centrum voor wetenschap. De faam van de stad reikte tot het oude Griekenland en Carthago in het westen en India in het oosten. De Mesopotamische cultuur verspreidde zich over het Nabije Oosten en het Aramees werd er de lingua franca. Twee van de vier oude Assyrische hoofdsteden, Ninive en Nimrud, kwamen onder Medisch bewind te staan.

De Perzische en Hellenistische periodes Het Nieuw-Babylonische Rijk werd in de 6e eeuw v.Chr. door de Perzen veroverd. De Perzen adopteerden veel van de Babylonische tradities en Babylon werd ook hun hoofdstad. Het Perzische Rijk strekte zich uit van Egypte tot aan de Indus.

Alexander de Grote veroverde in de 3e eeuw v.Chr. op zijn beurt alle Perzische gebieden. Zijn wens om Babylon de hoofdstad te zien worden van zijn verenigde Griekse rijk zou niet uitkomen; kort na Alexanders dood viel zijn rijk uiteen. Het Babylonische gebied viel in handen van de Griekse Seleuciden, die in eerste instantie vanuit Seleucië aan de Tigris over de oosterse delen van het ingestorte rijk van Alexander heersten. Onder de Parthen en Sassaniden bleef het gebied een belangrijke rol spelen; de hoofdstad van die rijken (Ctesiphon) was er meestal gelegen.

Het christendom werd al in de 2e eeuw in Perzisch Irak geïntroduceerd en had in de 5e eeuw de oude Mesopotamische religies bijna volledig vervangen (al werd de Babylonische god Sin in Harran nog tot diep in het islamitische tijdperk aanbeden). Het nestorianisme was bijzonder populair in Irak en de nestoriaanse Kerk van het Oosten had hier haar zetel. Irak ontwikkelde zich als een groot centrum van nestoriaanse Syrisch-talige literatuur. De sterke missionaire drang van de Kerk van het Oosten leidde ertoe dat het nestorianisme zich over een groot gebied in Azië verspreidde, tot China, Zuid-India en, volgens sommige Japanse historici, zelfs Japan. Deze periode wordt wel beschouwd als een soort tweede bloeiperiode van de Aramese-Syrische taal, na de ineenstorting van het eerste Perzische Rijk.

Het islamitische tijdperk In de 7e eeuw kwamen de Arabieren, die in enkele jaren tijd heel Irak lostrokken van Perzische controle. Irak speelde een belangrijke rol in de Eerste Fitna, het eerste militaire conflict in de gelederen van de moslims. Het was het kerngebied van kalief Ali ibn Aboe Talib, die geconfronteerd werd met opstanden in Syrië en Egypte. In Irak bleef de bevolking Ali trouw, ook na zijn dood. Het (proto)sjiisme was daarmee geboren. Belangrijke islamitische stromingen als het kharidjisme en moetazilisme hebben hun oorsprong in Irak.