Vogelspinnen (Theraphosidae) vormen een familie van spinnen binnen de onderorde vogelspinachtigen (Mygalomorphae). Veel soorten bereiken een behoorlijke lichaamslengte in vergelijking met andere spinnen. Een aantal soorten wordt wel als huisdier in een terrarium gehouden.
Vogelspinnen zijn ondanks hun grootte relatief ongevaarlijk. De meeste soorten zijn niet erg snel, niet giftig voor de mens en ook niet agressief, een beet bij de mens is vergelijkbaar met een wespensteek. Er zijn echter uitzonderingen die juist bijzonder giftig en snel zijn en bovendien direct aanvallen, waardoor ze als agressief worden beschouwd.
Er zijn meer dan 900 soorten die wereldwijd voorkomen maar voornamelijk leven in tropische en subtropische gebieden. De meeste soorten komen voor in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. Ook in Afrika en Azië komen veel soorten voor. In Europa, ten slotte, leven slechts twee soorten.
Naam thumb|Een grote spin die een vogel eet, op een tekening uit 1705. Vogelspinnen danken hun naam aan de vermeende gewoonte om op vogels te jagen. De naam vogelspin komt van de wetenschappelijke geslachtsnaam Avicularia, dat letterlijk 'vogel-etend' betekent.
Op een beroemde plaat uit 1705 van Maria Sibylla Merian is te zien hoe een grote spin een vogel verorbert. Hier werd in eerste instantie met ongeloof op gereageerd, tot de zoöloog Henry Walter Bates in 1863 bevestigde een spin te hebben gezien die een vink verorberde. Sindsdien werden de tropische spinnen gezien als monsterlijke vogelverslinders. Grote spinnen zoals vogelspinnen grijpen elke prooi die ze fysiek aankunnen en vallen alles aan wat niet te groot is, inclusief kleine gewervelden zoals vogels, knaagdieren en hagedissen. Dit zijn echter opportunistisch buitgemaakte prooidieren, de meeste prooien behoren tot de ongewervelden. Van geen enkele spin is bekend dat vogels ook maar een klein deel uitmaken van het menu en ook zijn binnen de spinnen als geheel geen specialisaties bekend op het vangen van vogels. In de praktijk zijn vogels zelfs eerder een belangrijke vijand dan een prooi.
De naam tarantula's wordt wel gebruikt voor de familie Theraphosidae. Deze naam werd oorspronkelijk gegeven aan de wolfspin Lycosa tarantula, maar wordt tot op de dag van vandaag (onterecht) gebruikt voor allerlei soorten die groot en harig zijn, ongeacht de groep van spinnen waartoe ze behoren.
Ten slotte is ook de naam bananenspin in zwang; deze is afgeleid uit het feit dat een aantal grote soorten wereldwijd opduikt door de export van bananen of andere tropische producten. Hierdoor wordt tijdens het lossen van de lading soms een spin aangetroffen die is meegelift uit het land van herkomst. Doordat tropische producten uit landen over de hele wereld komen, kan het om de meest uiteenlopende diersoorten gaan. De bananenspinnen behoren dus lang niet altijd tot de theraphosiden. Sommige soorten vogelspinnen hebben hier desondanks hun Nederlandse naam aan te danken, zoals de gouden bananenspin (Pterinochilus vorax).
Kenmerken thumb|Algemene kenmerken van een vogelspin: Vogelspinnen hebben een typische spinachtige bouw; de kop en het borststuk zijn gefuseerd tot een cephalothorax of kopborststuk en het achterlijf (opisthosoma) is bolvormig en duidelijk afgesnoerd van de rest van het lichaam. Er zijn acht poten en twee tasterpoten of pedipalpen, de laatste zijn vergelijkbaar met de antennes van insecten al zit de aanhechting niet zoals bij insecten aan de kop maar aan het borststuk. De tasterpoten van vogelspinnen zijn vaak zo groot dat ze gemakkelijk met de looppoten kunnen worden verward.
De palpen zijn kleiner en ontspruiten aan het midden van de kop. De vrouwtjes hebben vaak een afgerond einde van de palp, de mannetjes hebben hier - zoals alle spinnen - twee onbehaarde, ballonachtige structuren die eindigen in een punt. Hierin slaat het mannetje zijn sperma op. Een verschil met de meeste spinnen is de lichaamsgrootte; veel soorten kunnen een lichaamslengte van vijf tot acht centimeter bereiken gemeten van de kaken tot aan de punt van het achterlijf. De grotere soorten bereiken een lichaamslengte van 11 centimeter. Als men de spanwijdte van de poten opmeet dan zijn de meeste vogelspinnen 12–18 cm groot. Ze zijn meestal lang- en dichtbehaard. Een van de grootste vogelspinnen is de goliathvogelspin (Theraphosa blondi). Deze kan een lichaamslengte bereiken van 12 cm, dergelijke exemplaren hebben een pootspanwijdte van ongeveer 30 cm. Er zijn echter ook soorten die niet veel groter worden dan de in Nederland en België voorkomende huisspin.
thumb|links|Oogheuvel bij Cyclosternum fasciatum Er zijn wel wat algemene verschillen met veel andere families van spinnen, zo zijn de ogen van vogelspinnen relatief klein. Net als andere spinnen zijn er meerdere ogenparen, vier in totaal (dus acht ogen) die in twee rijen zijn gerangschikt op een oogheuvel. Bij de vogelspinnen zijn deze dichter bij elkaar gelegen dan bij veel andere spinnensoorten, zoals de springspinnen en de zesoogspinnen. De enige uitzondering zijn sommige soorten uit de onderfamilie Stromatopelminae, die vergrote ogen hebben. Een ander duidelijk verschil zijn de spintepels, de meeste spinnen hebben er twee, maar vogelspinnen hebben er vier. Ook is de anatomie van vogelspinnen afwijkend, al is dit aan de buitenzijde niet te zien. Spinnen hebben zogenoemde boeklongen, die niet te vergelijken zijn met de longen van andere dieren. De boeklongen zijn geplooid en moeten altijd vochtig blijven. De meeste spinnen hebben twee boeklongen, vogelspinnen hebben er vier.
Vogelspinnen hebben grote kaken, die bij de spinnen wel cheliceren worden genoemd. Net als alle vogelspinachtigen zijn de cheliceren in het verlengde van het lichaam geplaatst, en niet omlaag gekromd zoals alle andere spinnen. De cheliceren zelf zijn vaak behaard en duidelijk zichtbaar, onder iedere cheliceer is een dolk-achtig, meestal donker gekleurde giftand aanwezig. Met de giftanden injecteert de spin de prooi met verteringssappen. Deze is nooit behaard en in tegenstelling tot de meeste spinnen zijn de giftanden onafhankelijk beweegbaar. Karakteristiek voor vogelspinnen is een kegelvormig uitsteekseltje genaamd de maxillaire lob aan de binnenzijde van de palpen of tasterpoten, aan het einde van het eerste segment.
Vogelspinnen zijn onderling van elkaar te onderscheiden door een aantal kenmerken, vooral de combinatie van deze kenmerken is typerend voor veel onderfamilies. Zo heeft een aantal groepen de zogenaamde scopula aan de buitenzijde van de gifkaken, dit is een dichte beharing bestaande uit korte, dikke haartjes. Bij de meeste vogelspinnen ontbreekt de scopula. Een ander onderscheidend kenmerk is het al dan niet voorkomen van een stridulatieorgaan, en de vorm daarvan.
Verspreiding en leefomgeving thumb|Wereldwijde verspreiding van de vogelspinnen in het groen Vogelspinnen komen wereldwijd voor, maar vrijwel alle soorten leven in de tropen. De verspreiding hangt vaak samen met de onderfamilie hoewel dit niet altijd opgaat. De onderfamilies Aviculariinae en Acanthopelminae komen voor in Midden- en Zuid-Amerika, de onderfamilie Theraphosinae komt daarnaast ook in Noord-Amerika voor. De onderfamilies Stromatopelminae en Harpactirinae leven in Afrika en vogelspinnen die in Azië leven zijn Ornithoctoninae en Selenocosmiinae, soorten uit deze laatste groep komen ook in Australië voor. De grote onderfamilie Ischnocolinae heeft een wereldwijde verspreiding, enkele soorten uit het geslacht Ischnocolus komen tot in Europa voor, echter alleen in Spanje en Italië.
De vogelspinnen komen voor in uiteenlopende biotopen, van woestijnen en droge steppes tot bosrijke gebieden, wel leven alle soorten in warme en vochtige gebieden. Soorten die in woestijnachtige streken leven, graven holen waar de luchtvochtigheid relatief hoog is. Een permanent droge omgeving is dodelijk voor spinnen, omdat ze dan niet kunnen vervellen. De habitat kan worden opgesplitst in verschillende microhabitats waar de verschillende soorten op gespecialiseerd zijn. De verschillende soorten uit het geslacht Avicularia leven allemaal in bomen, maar de soort Avicularia geroldi heeft een voorkeur voor kokospalmen terwijl Avicularia minatrix voornamelijk leeft in bromeliaplanten.
De verspreiding en de leefomgeving is verschillend per onderfamilie, sommige groepen komen door elkaar voor en andere zijn specifiek voor een bepaald gebied. Zie voor de verschillende onderfamilies en hun verspreiding het kopje taxonomie.
Levenswijze
Vogelspinnen zijn nachtactief en houden zich overdag schuil, ze gaan pas in de schemering op zoek naar prooien. Veel soorten kunnen wekenlang teren op een prooi en zijn dan niet te zien. Omdat vogelspinnen in relatief warme gebieden leven, wordt er geen winterslaap gehouden, wel kennen veel soorten een minder actieve periode die samenhangt met een koel of juist warm seizoen in hun natuurlijke leefgebied. Wat betreft levenswijze zijn de vogelspinnen in te delen in drie groepen; Boombewoners: in bomen levende spinnen hebben vaak lange poten met een dikke tarsus en een relatief klein achterlijf. De voorste twee leden van de poten dragen fijne hechthaartjes, scopulae genaamd, waarmee ze over de gladste oppervlakken kunnen lopen, net als gekko's (hagedissen). De meeste boombewoners hebben een lange, dichte beharing. Voorbeelden zijn de geslachten Avicularia, Poecilotheria en Psalmopoeus. Bodembewoners; deze soorten hebben vaak een gedrongen bouw, een ei-vormig achterlijf en stevige poten. Ze zitten vaak voor hun schuilplaats en lopen 's nachts over de bodem op zoek naar een prooi. Voorbeelden zijn de geslachten Aphonopelma, Brachypelma en Grammostola. Ondergronds levend; gravende spinnen hebben vaak lange poten en een korte, eenvoudig gekleurde beharing. Ze kunnen zich lange tijd ondergronds schuilhouden. Het hol kan meters diep zijn en wordt van binnen bekleed met zijde. Voorbeelden zijn de geslachten Haplopelma, Megaphobema en Pelinobius.
Voortplanting en ontwikkeling thumb|Paring Avicularia versicolor thumb|Vogelspinnen dragen hun eicocon met zich mee; hier Holothele sulfurensis thumb|Juveniel van een Chileense vogelspin thumb|Vervelling van een Braziliaanse witknievogelspin De voortplanting van vogelspinnen is grotendeels gelijk aan die van andere spinnen als het gaat om de methode van bevruchting en ook leggen alle soorten eitjes. Er zijn echter ook enige verschillen, zo worden mannetjes ongeveer even groot als de vrouwtjes. Bij veel andere spinnen blijven de mannetjes veel kleiner. Het voortplantingsseizoen is afhankelijk van de soort en hangt vaak ook samen met de geografische verspreiding van de soort.
Vogelspinnen zijn zonder uitzondering solitaire dieren, die elkaar alleen in de voortplantingstijd opzoeken om te paren en voor nageslacht te zorgen. Vogelspinnen zijn niet gevoelig voor feromonen, waarmee veel geleedpotigen als insecten elkaar lokken, maar sporen elkaar op door stridulatie en door trillingen te produceren. Stridulatie is het maken van geluid door verharde lichaamsdelen langs elkaar te strijken, waarbij een sjirp-achtig geluid wordt geproduceerd, vergelijkbaar met andere stridulerende dieren als krekels en cicaden. De stridulatieorganen van vogelspinnen zijn gelegen aan de cheliceren en het eerste segment van de palp of tasterpoot.