thumb|Maarten Tromp

De Slag bij de Singels (ook bekend als de Slag bij Dungeness) was een zeeslag die tijdens de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog op 10 december 1652 werd uitgevochten bij de kaap van Dungeness en de Shingles in Kent.

Achtergronden Bij het begin van de Eerste Engelse Zeeoorlog probeerde het Engelse Gemenebest zoveel mogelijk Nederlandse handelsschepen buit te maken door konvooien aan te vallen, de traditionele wijze van oorlogvoering ter zee. De bevelhebber van de Nederlandse vloot, luitenant-admiraal Maarten Harpertszoon Tromp, deed zijn best de koopvaarders te beschermen door ze met oorlogsschepen te begeleiden. Hij ging gevechten dus zoveel mogelijk uit de weg. Viceadmiraal Witte Corneliszoon de With kreeg van de Staten-Generaal toestemming om een modernere strategie uit te proberen waarbij het hoofddoel de vernietiging van de vijandelijke oorlogsvloot zou zijn en verving Tromp als bevelhebber. De Withs strategie liep in de Slag bij de Hoofden echter uit op een vernederende nederlaag. De With kreeg een zenuwinzinking en werd als bevelhebber weer vervangen door Tromp die zijn oude handelswijze hervatte. left|thumb|Robert Blake Door haar overwinning in de Slag bij de Hoofden nam de regering van het Engelse Gemenebest, de Council of State, in oktober 1652 ten onrechte aan dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zo goed als verslagen was. Omdat het traditionele vaarseizoen afgelopen was, ging men ervan uit dat de Republiek in ieder geval geen grote vloot meer in zee zou brengen. Dat zou Engeland in staat stellen zijn belangen in andere contreien beter te behartigen. Een eskader onder kapitein Andrew Ball werd naar de Oostzee gezonden om koning Frederik III van Denemarken te dwingen een konvooi met eikenhout en teer dat in Kopenhagen werd opgehouden door te laten. Viceadmiraal William Penn moest op de Noordzee kolenschepen uit Newcastle upon Tyne begeleiden om Londen tijdens de winter te voorzien van de nodige brandstof. Twintig schepen onder kapitein James Peacock werden weggestuurd naar de Middellandse Zee. Het resultaat was dat de Engelsen maar een concentratie van een vijftigtal schepen in de thuiswateren overhielden, gevaarlijk weinig om het tegen een mogelijke Nederlandse vloot op te nemen. Daarnaast werd aan de sterkte afbreuk gedaan door een slechte bevoorrading, een onvoldoende bemanning doordat de zwaar onderbetaalde zeelui onderdoken om niet geronseld te worden en een langzaam herstel van de schade opgelopen in de Slag bij de Hoofden. Het verreweg grootste Engelse oorlogsschip, de Sovereign of the Seas, zou maanden in reparatie blijven. Ondertussen waren de Nederlanders hun oorlogsvloot in een rap tempo aan het repareren en aanvullen. Tromp deed in deze periode ook een voorstel om dertig zwaardere schepen te bouwen maar dat werd alleen in een sterk afgeslankte vorm aangenomen en de eerste vaartuigen liepen pas in 1653 van stapel. Er werd een embargo opgelegd inhoudend dat eerst de Nederlandse oorlogsschepen bemand moesten worden voordat iemand bij een koopvaarder kon aanmonsteren. Ondanks het gevaarlijke weer wilden veel koopvaarders hoe dan ook naar het zuiden afvaren, vooral van de "Bordeauxvloot" die wijn moest halen in Frankrijk.

Inleidende manoeuvres Op 1 december 1652 koos luitenant-admiraal Maarten Tromp zee vanuit de grote marinehaven van Hellevoetsluis met 88 schepen en vijf branders om een enorm konvooi te escorteren van zo'n 270 koopvaarders met als bestemming verschillende Franse havens aan de westkust, de Middellandse zee en Indië. De oorlogsvloot van Tromp bestond uit vier eskaders: dat van hemzelf met Gideon de Wildt als vervangend viceadmiraal en Corstiaen Corstiaenszoon de Munnick als schout-bij-nacht; een eskader onder vervangend viceadmiraal Augustijn Balck dat officieel van De With was die zich kort tevoren toch weer bij de vloot had aangemeld;James Bander, 2014, Dutch Warships in the Age of Sail 1600-1714: Design, Construction, Careers & Fates Seaforth Publishing 328 pp een voornamelijk Zeeuws eskader onder viceadmiraal Johan Evertsen met als vervangend viceadmiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter en ten slotte, als achterhoede, een eskader van de Admiraliteit van het Noorderkwartier aangevuld met Friese schepen onder viceadmiraal Pieter Florisse Blom met als vervangend viceadmiraal Hendrick Janszoon Camp en als schout-bij-nacht Rombout van der Parre.Rif Winfield, 2010, British Warships in the Age of Sail 1603-1714: Design, Construction, Careers and Fates. Fleet Actions, xxvii - xxviii, Seaforth Publishing thumb|Een luchtfoto van Kaap Dungeness, de "Hoek van de Singels" Ongunstige winden dwongen eerst tot een terugkeer maar op 3 december lukte het weer naar het zuiden te zeilen. De With verliet bij deze gelegenheid alsnog de vloot. De Ruyter nam op de Witte Lam zijn eskader over en in ruil daarvoor werd Jan Evertsen de Liefde, de vlaggenkapitein van De With op de Prinses Louise, tijdelijk viceadmiraal onder Johan Evertsen. Nadat het konvooi veilig de Straat van Dover bereikt had, splitste het zich in kleinere groepen die ieder in Het Kanaal op weg moesten gaan naar hun bestemming, begeleid door in totaal zestien oorlogsschepen. De hoofdmacht van Tromp, met 1800 stukken geschut en 6500 opvarenden, ging om de koopvaarders te dekken op zoek naar de Engelse vloot, die hij op 9 december 1652 aantrof op The Downs, in Nederland bekend als de Rede van Duins. Dit was conform de instructies van de Staten-Generaal die bevalen indien mogelijk de vijand "in de Hoofden" te overvallen. Hier ligt tussen de landhoofden van North Foreland en South Foreland een tegen westenwinden beschutte ankerplaats die door de Engelse vloot vaak gebruikt werd als gunstige uitvalsbasis. De offensieve mogelijkheden die deze positie bood, droegen echter het grote nadeel met zich mee dat men niet eenvoudig kon ontsnappen als een sterke vijandelijke vloot van het oosten uit voor de wind aanviel. In 1639 had Tromp zelf onder zulke omstandigheden een grote Spaanse vloot vrijwel vernietigd in de Slag bij Duins. De Engelse vloot van ongeveer tweeënvijftig schepen, waarvan tien lichtere vaartuigen, onder het bevel van General-at-Sea Robert Blake, had de Nederlandse vloot al op 1 december opgemerkt maar had toen geen actie ondernomen wegens het slechte weer. Nu de Nederlanders opnieuw verschenen, liet Blake krijgsraad houden op zijn vlaggenschip de Triumph, de sterkste oorlogsbodem waarover hij beschikte, bewapend met zestig stukken geschut. De raad besloot een slag indien mogelijk te vermijden. Blake deed het voorstel anker te lichten en naar het zuiden koers te zetten, wat aanvaard werd. Een reden hiervoor werd echter niet gegeven, wat geleid heeft tot een speculatie over zijn motieven. Het kan zijn dat Blake zijn positie te kwetsbaar vond en liever naar het zuiden ontsnapte dan naar het noorden, de Theems in, vanwege het prestigeverlies en het gevaar dat de Nederlanders Het Kanaal zouden gaan beheersen. Het is echter ook mogelijk geacht dat hij zich van de grootte van Tromps vloot helemaal niet bewust was of een lage dunk had van diens gevechtskracht en er langs wilde glippen om het rijke konvooi aan te vallen. Dat is echter minder waarschijnlijk want de Engelsen hadden kort daarvoor van een buitgemaakte Nederlandse koopvaarder te horen gekregen dat de Staatse vloot ninety-five sail strong was. left|thumb|De locatie van de slag met rechts de Rede van Duins onder de punt van North Foreland en midden onderaan de "Hoek" van Kaap Dungeness In ieder geval maakte een sterke noordwestenwind een zuidelijker koers veel eenvoudiger. Voor de wind rondde Blakes vloot nog op 9 december South Foreland en voer rond Dover. Het lukte de Nederlanders, naar het westen laverend tegen het sterke getij in, niet dit verhinderen: slechts enkele schepen naderden voldoende om schoten uit te wisselen. Tromps vloot ankerde bij het invallen van de duisternis, rond vijf uur 's middags op twee mijl ten noordoosten van Dover. Die nacht wakkerde de wind aan tot een storm die enkele van de Nederlandse branders deed afdrijven.

Rond het middaguur van 10 december gaf Tromp bevel anker te lichten en gehinderd door een stevige noordwester en zware zeegang, maar geholpen door een opgaand getij, zette men zich langzaam in beweging. De Engelse vloot bleek nog aanwezig maar maakte geen aanstalten slag te leveren: na enige tijd voeren de Engelsen naar het zuidwesten, evenwijdig aan en zeer dicht op de kust, gevolgd door de meer afstand houdende Nederlanders, die letterlijk alle zeilen bijzetten om de Britten in te halen. Florisse vermeldt in zijn scheepsjournaal: "...myn schipper seyde dat het scheen onmogelyck te wesen, dat myne masten en stengen 't selve conden leyden; gaf daerop voor antwoort, dat sulcx most geschieden, wilde liever alle derzelve over boord seylen in sulcken occasie dan seylen sparen...". Daarbij raakten beide vloten gescheiden door een parallel aan de kust lopende zandbank, de Varne Shoal. Over een afstand van twintig kilometer buigt de kustlijn hier echter geleidelijk naar het zuidoosten, uitlopend in de spitse Kaap Dungeness, toen de "Hoek van de Singels" genoemd naar de kiezelstranden, shingles, aan beide zijden. Tussen de kaap en de westpunt van de zandbank ligt een nauwe opening waar de Engelse vloot zich doorheen moest persen om de beweging naar het zuidwesten te kunnen voortzetten. Rond één uur waren de snelste schepen elkaar al voldoende genaderd om vuur uit te wisselen. Rond drie uur in de middag bereikte de Triumph de opening. Toen was reeds duidelijk dat zich daar al Nederlandse schepen bevonden, in totaal zeventien waaronder de zwaardere vlaggenschepen van Evertsen, De Ruyter en De Wildt, zodat de manoeuvre niet doorgezet kon worden zonder slag te leveren. Blake wendde de steven echter niet zodat het eigenlijke zeegevecht begon.

Het zeegevecht thumb|De Triumph door Willem van de Velde de Jonge