De Koninklijke Nederlands(ch)e Stoomboot-Maatschappij (KNSM) was een in Amsterdam gevestigde Nederlandse rederij die heeft bestaan van 1856 tot 1981. De rederij was de grootste in Amsterdam en landelijk bezette zij altijd een plaats in de top vijf van zeerederijen. De nadruk van het bedrijf lag op middelgrote vrachtschepen, vaak met een beperkte passagiersaccommodatie. Op haar hoogtepunt in 1956 bezat de rederij honderd zeeschepen en had daarnaast tientallen schepen in charter. In 1963 telde het bedrijf 6.254 medewerkers. In 1981 sloot de KNSM zich aan bij Nedlloyd. Op het naar haar genoemde KNSM-eiland herinneren een tiental gebouwen, enkele gedenktekens en diverse namen aan haar aanwezigheid. Het in het oog springende (laatste) hoofdkantoor aan de Prins Hendrikkade heet nog steeds het Scheepvaarthuis.

Geschiedenis Oprichting; eerste decennia op Kattenburg

De KNSM werd opgericht op 1 oktober 1856 door C.W.J. Ramann, C.A. von Hemert en M.H. Insinger. De voornaamste initiatiefnemer, de Duitse koffiehandelaar Christian Ramann (1831-1907), had twee jaar eerder al een rederij opgericht, de Harburger Stoomvaart Maatschappij. Met de oprichting van de KNSM beoogde hij de achterstand die Amsterdam als scheepvaartstad had opgelopen weer in te halen. Een adres aan koning Willem III leverde prompt het predicaat 'koninklijk' op. De onderneming beschikte over een startkapitaal van 2 miljoen gulden, uitgegeven in aandelen. In de zomer van 1856, nog voor de notariële oprichting, werd 'proefgedraaid' op de lijnen Amsterdam-Göteborg-Kopenhagen-Sint-Petersburg, Amsterdam-Le Havre,Bordeaux en Amsterdam-Koningsbergen. De eerste vrachtvaart werd uitgevoerd door gehuurde schepen, het Engelse stoomschip Auguste Louise en de raderstoomboot West Friesland. Het eerste schip in eigendom was de Ondine (voorheen Nina), met 300 ton laadvermogen, een topsnelheid van 11 knopen en accommodatie voor 30 passagiers. In eerste instantie beperkten de diensten zich tot de vaart op Rusland en Frankrijk, waarna al snel de andere havens aan de Oostzee volgden.Korporaal (2009), pp. 79-85.

De KNSM stond in financiële kring bekend als de "koninklijke boot"; zeelui spraken van de "roggebroodmaatschappij", naar de schoorsteenkleuren van de schepen (zwart met twee witte banden; "twee sneetjes wit en de rest rogge"Korporaal (2009), p. 81.), tevens sarcastisch bedoeld vanwege de soms karige lonen. In de begintijd hadden de stoomschepen nog masten en zeilen, voor het geval de motor uitviel en ook om brandstof uit te sparen bij gunstige wind. Aan de grote mast wapperde de "kroonvlag" van de maatschappij: een koningskroon op een witte ruit binnen een donkerblauw vlak. De meeste schepen waren herkenbaar aan hun aan de Griekse en Romeinse mythologie ontleende namen.

Het etablissement was aanvankelijk gevestigd aan de "Hullsche steiger" aan de zuidzijde van het Oosterdok, iets ten westen van de huidige IJ-tunnelingang.Korporaal (2009), p. 83. Waarschijnlijk breidde het bedrijf later uit naar de noordoever van de Nieuwe Vaart, "op Kattenburg". Mogelijk werd het Oosterdok op een bepaald moment verlaten. Op een reclameprent uit 1876 wordt de Nieuwe Vaart afgebeeld. Foto's van KNSM-schepen van Jacob Olie uit de jaren 1890 tonen eveneens de Nieuwe Vaart, niet het Oosterdok.

De KNSM speelde een stimulerende rol bij de totstandkoming van het Noordzeekanaal (1865-1876). Daarbij schuwde men niet het dreigement om uit Amsterdam te vertrekken, indien de gemeente geen haast zou maken met het verstrekken van de benodigde gelden. In 1865 werd de Rotterdamsche Stoomboot Reederij "De Maas" aangekocht, een belangrijke concurrent op de vaart naar Marseille. Vanaf 1872 nam de KNSM deel aan de 'Keulse Vaart'.'1.2. Schepen, bestemmingen en vloot', op archief.amsterdam, geraadpleegd op 28 juni 2023. Gearchiveerd op 27 juni 2023. In 1874 was de maatschappij betrokken bij de oprichting van de Stoomvaart Maatschappij Zeeland voor de exploitatie van een veerdienst tussen Vlissingen en Engeland. Men nam een belangrijk aandeel in het bedrijf, verkreeg de directie, maar trok zich in 1876 alweer terug. In dezelfde periode deed de KNSM een poging voet aan de grond te krijgen in de VS. De Amerikavaart werd echter een grote mislukking (onder andere door de Grote Depressie van 1873-1896) en kostte de maatschappij veel geld. In de jaren daarna raakte de directie veel van het oorspronkelijk elan kwijt; in 1893 telde de vloot evenveel schepen (23) als in 1872.'770 Getypte notities betreffende de samenstelling en het tonnage van de vloot over de jaren vanaf 1856 tot en met 1914, 1914', op archief.amsterdam, geraadpleegd op 27 juni 2023. Gearchiveerd op 27 juni 2023.Korporaal (2009), pp. 83-85.

Verhuizing naar KNSM-eiland; bloeitijd Kort voor de eeuwwisseling keerde de dynamiek terug. Twee jonge directeuren, Ernst Heldring (1871-1954) en Paul den Tex (1871-1958), wilden de KNSM laten groeien en daarvoor was aan de Nieuwe Vaart geen ruimte. Die ruimte was wel beschikbaar op het pas aangelegde KNSM-eiland, toen nog IJ-eiland geheten. Het IJ-eiland, dat behalve het KNSM-eiland het Java-eiland omvatte, was vanaf 1890 ontstaan, eerst als stormkering voor de schepen op de Oostelijke Handelskade, later als dumpplaats voor slib, afkomstig van graafwerkzaamheden aan het Noordzeekanaal. In 1901 werd met de gemeente Amsterdam overeenstemming bereikt over de huur van de IJkade. Op 4 juni 1903 verhuisde het laad- en losbedrijf naar de nieuwe kade in het Oostelijk Havengebied.Korporaal (2009), p. 85.

Aan de zuidelijke IJkade (vanaf 1914 Levantkade) verrezen dienstwoningen, administratiegebouwen en langgerekte loodsen. Die laatste waren van west naar oost genummerd 1 t/m 3. Iets later volgde de inrichting van de noordkade (Surinamekade), waar de nummering van de loodsen 4, 5 en 6 van oost naar west verliep. Aan het oostelijk deel van de Levantkade was de in 1903 opgerichte Nieuwe Rijnvaart Maatschappij (NRM) gevestigd, een dochteronderneming van de KNSM. Het gebouw dateert waarschijnlijk uit 1916. Het directiekantoor van de KNSM was tot 1916 aan de Prins Hendrikkade 161 gevestigd, pal tegenover de Hullsche steiger in het Oosterdok. Daarna zetelde de KNSM, samen met vijf andere Amsterdamse rederijen, in het nieuw gebouwde Scheepvaarthuis, een paar honderd meer verderop aan de Prins Hendrikkade.Korporaal (2009), p. 87. Van 1970 tot 1981 waren alleen de KNSM en haar dochtermaatschappij NRM hier gevestigd.

In het begin van de twintigste eeuw nam de concurrentie van Duitse scheepvaartmaatschappijen sterk toe. Nederlandse reders, waaronder de KNSM, trachtten zich daartegen te beschermen door samen te werken in de Nationale Stoomboot Maatschappij (NSM), onder meer door het delen van lading.Korporaal (2009), pp. 85-86. In 1912 nam de KNSM de op het Java-eiland gevestigde Koninklijke West-Indische Maildienst (KWIM) over. Deze maatschappij stond bekend om haar 'fruitschepen', schepen speciaal ingericht met koelruimen, waarmee wekelijks 28.000 trossen bananen vervoerd konden worden, voornamelijk uit Suriname. Na de fusie was de KNSM de grootste scheepvaartmaatschappij van Nederland.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verloor de maatschappij twaalf schepen, maar profiteerde tegelijkertijd van de wereldwijde schaarste aan scheepsruimte.Korporaal (2009), pp. 87-88. Aan het begin van de crisis van de jaren 1930 leed de KNSM miljoenenverliezen en moest noodgedwongen schepen verkopen. In 1937 was de vloot weer op oude sterkte en groeide daarna zelfs door naar circa tachtig zeeschepen. Daarnaast werd de vloot aangevuld met van derden gehuurde (charter)schepen.

Tweede Wereldoorlog Op 17 november 1939 verliet het KNSM-vracht-passagiersschip Simon Bolivar Amsterdam op weg naar Engeland. Onder de passagiers bevonden zich 45 joodse vluchtelingen en 34 kinderen jonger dan 12 jaar. Vlak bij Harwich vond er een explosie plaats in een laadruimte aan stuurboordzijde en tien minuten later volgde een tweede explosie aan bakboord. Het schip zonk snel. Van de 398 opvarenden vonden er 80 de dood. Volgens de officiële verklaring achteraf zonk het schip door ontploffing van twee magnetische mijnen. De route die de Bolivar volgde stond echter bekend als mijnenvrij. De ramp werd wereldnieuws. Het was de eerste scheepsramp waarbij Nederlandse burgers door Duitse oorlogsdaden omkwamen.Korporaal (2009), pp. 88, 90.

thumb|left|170px|Proefvaart Simon Bolivar (Polygoonjournaal, 1927) Eveneens van de KNSM was de Bodegraven, het laatste schip dat na de Duitse inval op 14 mei 1940 de haven van IJmuiden verliet. Aan boord was de belangrijke joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker met zijn gezin. Goudstikker had een ongeluk; hij viel in een ruim en overleed. Ook aan boord waren 73 joodse vluchtelingenkinderen uit Duitsland, grotendeels afkomstig uit het Burgerweeshuis in Amsterdam. Zij stonden onder toezicht van de organisatrice van de kindertransporten, Truus Wijsmuller-Meijer, die hen in een bus ophaalde en na enige moeilijkheden op het schip kon krijgen. Onderweg van Durban naar Engeland, werd het schip op 2 juli 1943 op de Atlantische Oceaan getorpedeerd door een Duitse U-boot (U 547), waarbij zes passagiers en drie opvarenden omkwamen en het schip verloren ging.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef de directie van KNSM in Londen, waar het kantoor in 1941 getroffen werd door een bom. Een deel van de vloot werd, op verzoek van de geallieerden, ingezet voor onder andere bevoorrading. In 1943 waren KNSM-schepen betrokken bij de landing op Sicilië. Een ander deel van de vloot was vrijgesteld en onderhield diensten in Zuid- en Noord-Amerika. In totaal verloor de KNSM 48 schepen, meer dan de helft van de vloot.Korporaal (2009), p. 91. Daarbij kwamen 230 bemanningsleden om het leven door oorlogshandelingen. Zeventien anderen overleden als indirect gevolg van de oorlog. Op het KNSM-eiland, dat meerdere malen door bombardementen werd getroffen, was de schade groot. Alle havenkranen waren verwoest. Van de loodsen die nog overeind stonden, werden er enkele ingericht als interneringskamp voor NSB'ers en andere collaborateurs, het Interneringskamp Levantkade.

Naoorlogs herstel; overnames en deelnames Na de oorlog volgde onder de directeuren P. Dijkstra, jhr. H. van Lennep, W.H. Kruyff en J.P. Kruseman een grootscheepse hersteloperatie, gevolgd door een hernieuwde uitbreiding. In tien jaar tijd werd de vloot uitgebreid van 45 naar honderd schepen. De KNSM bevoer vooral de Middellandse Zee, Europa, Zuid-, Noord- en Centraal-Amerika en het Caribisch gebied. In 1946 werd de Nieuwe Kustvaart Maatschappij opgericht, een volledige dochter. Ook het kadebedrijf werd vernieuwd, onder meer door de introductie van vorkheftrucks en mobiele kranen, waardoor kades en loodsen moesten worden aangepast. In de naoorlogse jaren nam het belang van de cruisevaart, onder andere naar de Caraïben, sterk toe. , 'KNSM ships', op ssmaritime.com, geraadpleegd op 14 juli 2023. Gearchiveerd op 14 juli 2023. Een nieuwe aankomst- en vertrekhal (de Kompaszaal in Loods 6) maakte het reizen per KNSM-schip een stuk aantrekkelijker.Korporaal (2009), pp. 91-93. In de tijd dat Suriname en de Nederlandse Antillen kolonies van Nederland waren, reisden duizenden militairen, alsmede bestuurders, zakenlieden en toeristen per KNSM-schip vanaf de Surinamekade naar deze bestemmingen. In 1972 kwam een einde aan het vervoer per schip van de TRIS-militairen, waarna de laatste passagiersschepen, de Prins der Nederlanden en de Oranje Nassau, werden verkocht.'KNSM', in: TRIS Kontakten, 2010, p. 7.

thumb|left|230px|Onthulling van Amphitrite, onderdeel van de viering van het 100-jarig bestaan van de KNSM, 1 oktober 1956