Vissen zijn in water levende, gewervelde dieren die zich voortbewegen met behulp van vinnen en ademhalen door middel van onder meer kieuwen. De meeste vissen hebben een gestrekt, spoelvormig lichaam met vinvormige ledematen en een afgeplatte staart. Vissen kennen een rijke evolutionaire geschiedenis die teruggaat tot het Cambrium, en de diversiteit aan lichaamsvormen en levenswijzen is enorm. Bijna alle soorten behoren tot de klasse der straalvinnigen (Actinopterygii).
Vissen komen algemeen voor in zowel zout als zoet water. Ze zijn te vinden in bijna alle aquatische omgevingen, van hoge bergbeken tot de diepste onderzeese troggen. Vissen planten zich voort door te paaien, en sommige soorten leggen hier grote afstanden voor af. Veel soorten kunnen met elkaar communiceren door middel van akoestische of visuele signalen. Wereldwijd zijn ruim 34.000 soorten vissen beschreven, waarmee het de meest soortenrijke groep is binnen de gewervelden. De grootste biodiversiteit treft men aan in tropische kustwateren.
Vis is voor de mens een belangrijke bron van voedsel, en wordt daarom op grote schaal commercieel gevangen (visserij). Jacht op vissen gebeurt ook op recreatieve basis, sportvisserij. Vissen worden daarnaast als huisdier gehouden en tentoongesteld in openbare aquaria. De vis speelt een belangrijke rol in verschillende culturen, religieuze symbolen, kunst en literatuur.
Traditioneel werden vissen (Pisces) als een aparte diergroep geclassificeerd. Volgens de moderne cladistiek vormen de vissen samen met de viervoeters – waaronder ook de amfibieën, reptielen en zoogdieren vallen – een monofyletische groep, de Osteichthyes. Met andere woorden, alle op land levende gewervelde dieren zijn ontstaan uit visachtige voorouders. Moderne groepen vissen die nauw verwant zijn aan landdieren zijn bijvoorbeeld de longvissen en coelacanten. Tiktaalik wordt gezien als een belangrijke fossiele overgangsvorm.
Indeling Vissen zijn op vele manieren in te delen: taxonomie, grootte, giftigheid, hoe ze eruitzien, waar ze van afstammen, hoe ze zich voeden, de manier van voortplanten, levensduur, voortbewegen, zicht, in welk milieu ze leven en naar gebruik door de mens.
Milieu Ingedeeld naar milieu wordt een onderscheid gemaakt tussen: zoetwatervissen: komen voor in plassen, beken, rivieren en andere stromen; brakwatervissen: komen voor in mangroves en overgangsgebieden tussen zee en rivieren; zoutwatervissen: komen voor in zeeën en saline milieus.
Daarnaast zijn er anadrome vissen (bijvoorbeeld zalm), die opgroeien in zout water en zich voortplanten in zoet water. Katadrome vissen zijn vissen die zich in zee voortplanten en opgroeien in zoet water, zoals de paling.
Taxonomie
miniatuur|Een vliegende vis(Cheilopogon exsiliens) Omdat in de moderne biologie de vissen als een parafyletische groep worden opgevat, is de aanduiding vissen eerder een wat vage verzamelnaam dan een taxonomische aanduiding. Sommige waterdieren lijken op vissen, zijn in het verleden ooit bij de vissen ingedeeld of heten zelfs vis, terwijl ze beter in andere groepen in te delen zijn, zoals de walvissen, maar ook voor de primitieve rondbekken en lancetvisjes.
Lange tijd werden de vissen als één grote groep gezien (Pisces), maar tegenwoordig zijn de vissen verdeeld in twee klassen; de kwastvinnigen, waartoe de longvissen behoren, en de straalvinnigen, de grootste groep die alle andere soorten bevat. Er zijn nog wel meer groepen, maar (behalve de kraakbeenvissen) zijn deze allemaal uitgestorven, zoals de placodermen. De kaakloze vissen (Agnatha), zoals de rivierprik worden als aparte groep naast alle andere vissen gezien.
Een cladistische stamboom illustreert de grote verscheidenheid aan diergroepen die als vis gerangschikt kunnen worden.
miniatuur|De Dunkleosteus behoorde tot de volledig uitgestorven klasse van pantservissen Van deze stamboom worden alleen de tetrapoda niet als vissen te boek gesteld. Dit zijn alle bekende gewervelde landdieren als amfibieën, reptielen, vogels en zoogdieren.
De recente eigenlijke vissen behoren allemaal tot de superklasse Gnathostomata (echte gewervelden) en vallen in twee hoofdgroepen uiteen: de kraakbeenvissen (klasse: Chondrichthyes), de beenvisachtigen (Osteichthyes), maar dan zonder de viervoeters.
Het voornaamste verschil tussen deze twee grote groepen is dat het skelet van de kraakbeenvissen geen echt been bevat, maar slechts uit kraakbeen bestaat. Binnen de beenvissen nemen weer twee groepen een bijzondere plaats in: Coelacanthimorpha (Coelacanten of Kwastvinnigen), met maar enkele vertegenwoordigers, de coelacant, Latimeria chalumnae en Latimeria menadoensis. Dipnoi (Longvissen), met zeven soorten.
De reden voor hun bijzondere positie is dat zij nauwer verwant zijn aan de meestal op het land levende viervoeters dan de andere beenvissen.
Voortbeweging
miniatuur|De marlijn met subcarangiforme voortbeweging is de snelste vis(Istiompax indica) Voor de locomotie maken vissen met hun vinnen en lichaam kronkelbewegingen of oscillaties, waarbij verschillende zwemstijlen te onderscheiden zijn. Een groot deel gebruikt vooral het lichaam en staartvin, terwijl de overige vissen vooral de ongepaarde en gepaarde vinnen gebruiken. Die bewegingen variëren van golvende kronkelbewegingen tot oscillerende bewegingen. In het eerste geval kronkelt het lichaam of de vin, wat een krachtige voortstuwing oplevert en veelal snelle vissen oplevert die lange afstanden kunnen afleggen. In het tweede geval wordt de stuwkracht opgewekt door de vinnen te draaien zonder een golvende beweging, wat een grote manoeuvreerbaarheid oplevert. Veel vissen combineren de verschillende technieken, afhankelijk van snelheid en wat op dat moment nodig is.
miniatuur|Kraakbeen maakt het skelet van deze witte haai flexibel(Carcharodon carcharias) Beenvisachtigen hebben een uit bot bestaand skelet dat stevig genoeg is om grote krachten van spieren te verwerken. Bij kraakbeenvissen als haaien en roggen bestaat het skelet uit flexibeler kraakbeen, waarop de manier van zwemmen is aangepast.
De langzaamste vissen zijn de zeepaardjes. De langzaamste van deze, de Hippocampus zosterae, bereikt een snelheid van ongeveer vijf meter per uur. Onder de snelste sprinters zijn de Pacifische zeilvis en de zwarte marlijn. Bij beide is een snelheid waargenomen van meer dan 110 kilometer per uur. Voor de zeilvis staat dat gelijk aan 12 tot 15 keer zijn eigen lengte per seconde. De wahoo is waarschijnlijk de snelste vis voor zijn grootte, hij bereikt een snelheid van 19 lichaamslengtes per seconde, wat gelijkstaat aan 78 kilometer per uur. De blauwvintonijn is in staat om constant met hoge snelheid te zwemmen.
Een aantal soorten springt tijdens het zwemmen, zwevend boven het water. Vliegende vissen hebben ongewoon grote borstvinnen, waarmee ze korte zweefvluchten boven het wateroppervlak kunnen maken om te ontsnappen aan jagers. Meestal glijden ze ongeveer vijftig meter, maar ze kunnen opwaartse luchtstromen gebruiken aan de voorrand van de golven om afstanden van meer dan vierhonderd meter te overbruggen.
miniatuur|De slijkspringer(Periophthalmus gracilis)
Wandelende vissen zijn vaak amfibisch en kunnen zich ook over land verplaatsen gedurende een langere tijd. De slijkspringer is waarschijnlijk in dat opzicht de best aangepaste vis, deze kan dagenlang buiten het water verblijven en klimt zelfs in mangroven, zij het slechts tot bescheiden hoogtes.Cairns Museum Tour - Cairns-Kuranda Railway Er is ook een aantal vissoorten die kunnen lopen op de zeebodem, maar niet op het land. Een voorbeeld hiervan is de vliegende poon.
Anatomie bij beenvissen miniatuur|450px|Anatomie van een beenvis (Lampanyctodes hectoris)
Lichaamsvorm Vissen hebben over het algemeen een langwerpig, zijwaarts afgeplat lichaam en een huid die bedekt is met schubben. Er zijn zeer veel uitzonderingen, sommige vissen lijken op slangen of zijn juist heel plat of bol. Alle vissen hebben vinnen, aan de combinatie en vorm van de vinnen valt vaak af te lezen tot welke groep een vis behoort.
Skelet Het skelet is relatief licht en bestaat uit een wervelkolom, met daaraan de graten, de vinstralen en vindragers, de botten van de bekkengordel en de lendengordel, de schedel, de kaakbeenderen, de kieuwbogen en de kieuwdeksels. De graten in het voorste gedeelte van het lichaam zijn gepaard en omhullen gedeeltelijk de buikholte. De kaken zijn bij beenvissen uitstulpbaar, waardoor deze vissen heel gemakkelijk voedsel naar binnen kunnen zuigen.
miniatuur|300px|links|Het skelet van de baars. Bij de baars en vele andere vissen zijn de buikvinnen naar voren verplaatst zodat ook de botten van de lendengordel vlak achter de kieuwdeksels te vinden zijn
Spieren Het grootste gedeelte van het lichaam bestaat uit twee grote lichaamsspieren, die via de huid en de wervelkolom de staartvin aandrijven. Deze lichaamsspieren zijn vaak voor het grootste gedeelte wit en opgebouwd uit segmenten die met elkaar door myosepten zijn verbonden. Aan de buitenkant van de lichaamsspier vlak onder de huid zit rood spierweefsel, dat een groot uithoudingsvermogen heeft.
Als vissen kalm zwemmen gebruiken ze alleen de rode spiervezels, in noodsituaties gebruiken ze ook de witte spiervezels. Dit is de reden dat vissen vrij snel vermoeid raken als ze voor een sleepnet uitvluchten, of als ze gehaakt zijn door een hengelaar. Er zijn echter ook veel vissen met alleen rode spiervezels als zalm, wilde karper en tonijn, die dan ook niet zo snel vermoeid raken. Het witte visvlees dient voor een groot gedeelte ook om de stroomlijn van het lichaam te optimaliseren.
Inwendige organen Het andere gedeelte van het lichaam is de buikholte met daarin de inwendige organen. Vlak onder de ruggengraat aan de achterkant bevindt zich de nier. Daaronder bevinden zich de gonaden, de dragers van de geslachtscellen. Deze organen kunnen soms wel 30% van het visgewicht vertegenwoordigen en bevatten dan veel vet. Het spijsverteringskanaal bestaat uit de slokdarm, de maag (niet bij karperachtigen), de voordarm en de einddarm.
De zwemblaas ligt vooraan boven in het lichaam onder de ruggengraat en is een uniek orgaan bij beenvissen. Hij wordt van gas voorzien door de gasklier en is bij volwassen vissen vaak niet meer verbonden met het darmstelsel. Door de aanwezigheid van een zwemblaas kan de vis zonder verdere zwembewegingen in het water blijven zweven.
Verder heeft de vis een lever en een alvleesklier die vaak tot één orgaan versmolten zijn (hepatopancreas), een galblaas en een milt. Het hart bevindt zich niet in de buikholte, maar vlak onder de kieuwen.
Bek De bek van een vis heeft een bepaalde stand: bovenstandig: de bek wijst naar boven eindstandig: de bek wijst naar voren onderstandig: de bek wijst naar beneden
Bij de bek hebben veel vissen baarddraden.
Vinnen miniatuur|Ogcocephalus parvus kan met de vinnen over de bodem lopen miniatuur|Dendrochirus biocellatus is een giftige koraalduivel miniatuur|Phractocephalus hemioliopterus heeft baarddraden
Een van de eigenschappen van vissen is het bezit van vinnen. Vinnen dienen om te zwemmen, zowel om snelheid te maken als om te sturen.
Het aantal vinnen verschilt per groep vissen. Rondbekken hebben twee eenvoudige vinnen: een rugvin en een staartvin. Daarentegen hebben haaien gewoonlijk een gepaarde rug-, buik- en borstvin, daarnaast een staartvin en een aarsvin.
Sommige vissoorten hebben in de loop van de evolutie bepaalde vinnen verloren. Sommige soorten haaien en de poon hebben zulke sterke vinstralen dat ze op de borstvinnen over de bodem kunnen lopen. Zeepaardjes hebben een heel kleine rugvin die razendsnel als een propeller beweegt. Mesvissen bewegen zich juist voort met de lange aarsvin.
Kieuwen