thumb|Gedachtenistafel van de Heren van Montfoort, circa 1380. Tussen Maria met kind en Sint Joris de vier heren van Montfoort, waarvan drie bij de veldslag van 1345 sneuvelden. Van links naar rechts, Jan I van Montfoort, zijn oudoom Roelof de Rover en zijn oom Willem de Rover, heer van Heulenstein. De laatste knielende figuur is vermoedelijk Willems zoon Hendrik, die de slag overleefde. Het is het op een na oudste bewaarde schilderij van Nederland.,)p. an An, hier p. 86.rooij, 'De Memorietafel van de heren van Montfoort en het Hollandse gravenhof omstreeks 1400',in: Madoc (1986), p. 22-26. thumb|De Friese Zeelanden rond 1300
De Slag bij Warns (Fries: Slach by Warns), eigenlijk Slag bij Stavoren, was een veldslag in de Fries-Hollandse oorlogen tussen graaf Willem IV van Holland en Henegouwen en de Westerlauwerse Friezen, op 26 september 1345. Ze eindigde met een overwinning voor de Friezen en de dood van de graaf.
Voor de Friese Beweging was de jaarlijkse herdenking van de slag aanvankelijk een belangrijk evenement. Rond de herdenking (op het Rode Klif te Warns) en de centrale leus Leaver dea as slaef vinden nog altijd veel politieke discussies over taalpolitiek en regionale achterstelling plaats.
Er wordt ook wel gesproken van de Slag bij Stavoren (Fries: Slach by Starum). Dit is correcter, aangezien de slag volgens de historische bronnen niet in Warns maar bij Stavoren plaatsvond. Met Hollands-Friese taalstrijd had de slag weinig de maken. De ridders waren grotendeels Franstalig, het West-Friese deel van hun voetvolk sprak vermoedelijk Fries.
De Slag bij Warns moet niet verward worden met de Slag bij Laaxum (1498), die als het einde van de Friese Vrijheid geldt.Hans Mol, 'Het militaire einde van de Friese vrijheid: de slag bij Laaxum, 10 juni 1498', in: Millennium 13 (1999), nr. 1, p. 3-20.
Achtergrond Binnen het Heilige Roomse Rijk hadden de Friese gebieden een ontwikkeling doorgemaakt naar zelfstandigheid, de zogenaamde Friese Vrijheid. Deze ontwikkeling was het sterkst ten oosten van de Lauwers. In de tegenwoordige provincie Friesland werd nog tot ver in de 13e eeuw een vorm van grafelijke heerlijkheid uitgeoefend door de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland. De Hollandse graven in die tijd waren uit op meer macht en wilden hun oppergezag claimen door invoering van belastingheffing en algehele controle op de rechtspraak in Friesland. De graafschappen Holland en Zeeland kwamen in 1299 in handen van het Franstalige Huis Avesnes, graven van Henegouwen. De krijgshaftige graaf Willem IV ging echter veel voortvarender te werk dan zijn in 1337 overleden vader Willem III. Nadat onderhandelingen waren mislukt omdat de concessies die de graaf eiste voor de Friese elite onaanvaardbaar waren, maakte de graaf aanstalten heel Westerlauwers Friesland te onderwerpen.
Aanval De Hollands-Henegouwse troepen (naar schatting 12 tot 15.000 man), voeren vanuit Enkhuizen met een vloot de Zuiderzee over. Een deel van de troepen onder leiding van Willems oom, heer Jan van Beaumont landde op de Zudervenne, een vlakte ten zuidwesten van Stavoren. Dit terrein is later in zee verdronken. De graaf wilde het Sint-Odulfusklooster bij Stavoren veroveren om dit gaan gebruiken als vesting en uitvalsbasis. Ook had hij het op de stad zelf voorzien. De ridders droegen een harnas, maar hadden geen paarden, omdat daarvoor geen ruimte was aan boord van de (meer dan 300) schepen, die waren volgeladen met werkvolk, bouwmateriaal voor de geplande vestingbouw en voorraden.
De troepen van graaf Willem landden ten noorden het klooster. Met een voorhoede van ongeveer 500 stormde hij landinwaarts en stak daar een of meer huizen in brand. Bij het klooster vielen de invallers in handen van het verzamelde Friese leger, dat zich hier al sinds juni had verschanst. Vanwege de omvang van dit leger valt aan te nemen dat daarbij ook hulptroepen uit de Groninger Ommelanden en Oost-Friesland waren.
Vanwege hun zware harnassen waren de ridders geen partij voor het Friese voetvolk, dat beter overweg kon met de doorweekte bodem. Ook graaf Willem kwam tijdens de slag om het leven. Zijn hoofd werd afgeslagen uit wraak voor de dood van een Friese edelman. Naar verluidt wisten de strijders niet dat het om de graaf zelf ging. Hollandse kronieken suggereren dat de grafelijke troepen door God gestraft werden, omdat ze het kloosterterrein hadden bezoedeld. Toen de troepen van de heer van Beaumont in Stavoren hoorden wat er was gebeurd, vluchtten ze naar de schepen, achtervolgd door de Friezen. Volgens tijdgenoten sneuvelden er in totaal zo'n 500 Hollandse strijders. De overlevenden voeren in 1345 met de rest van het leger terug naar Amsterdam.
Een kroniek bericht dat het lijk van de graaf pas na tien dagen onder een stapel lijken werd gevonden. Door bemiddeling van de commandeur van het Sint-Jansklooster te Haarlem kreeg de graaf, nadat eerstnog zijn lijk was gebalsemd, samen met zeven gesneuvelde baanderheren een noodbegrafenis in het Klooster Bloemkamp bij Bolsward. De overige lijken werden door de overwinnaars demonstratief op een grote hoop gelegd, vermoedelijk op het kerkhof van het SInt-Odulphusklooster. Daar lagen ze nog, toen ze op last van koningin Maria met karren werden overgebracht naar Stavoren.
Het feit dat het lijk van de graaf op het slagveld was achtergelaten, gold als een grote schande voor diens familie. De koning van Frankrijk weigerde zelfs met de jonge prins Willem van Oostervant te dineren. Na de Friese nederlaag in 1398 werd het lichaam van de graaf alsnog opgeëist door zijn neef en opvolger Albrecht van Beieren. De Friezen moesten beloven een speciale kapittelkerk te stichten ter nagedachtenis. Het lijk werd eerst opgebaard in de Mariakapel in Amsterdam, waar de graaf zijn laatste mis had bijgewoond, daarna in Den Haag. In 1400 vond herbegraving plaats in de grafkelder van zijn neef Willem V in het minderbroedersklooster te Valenciennes.Eelco Verwijs (ed.), De oorlogen van Hertog Albrecht van Beieren met de Friezen in de laatste jaren der XIVe eeuw, Utrecht 1869, p. lxxxvii (noot 3). De Hollandse wraakoefening van 1398 werd veelvuldig bezongen, maar toen de grafelijke troepen zich al na enkele jaren moesten terugtrekken werd er ook de spot gedreven met degenen die goutberghen in Vrieslant dachten te vinden.
Tactische missers De slag werd volgens historicus Ronald de Graaf gekenmerkt door een aantal tactische missers van de grafelijke troepen. Allereerst verdeelden zij hun strijdmacht in tweeën. Willem landde ten noorden van Stavoren en Jan van Beaumont ten zuiden van deze stad. Daarnaast zette Willem de aanval overhaast in zonder op zijn boogschutters te wachten. Met zijn getrouwen bereikte hij het Sint-Odulfusklooster. De Friezen hielden zich eerst gedeisd en lokten de graaf in een hinderlaag. Zij kamen van alle kanten aanzetten, sneden Willem van de overige troepen af en vernietigden zijn voorhoede. Daarna keerden ze zich tegen de hoofdmacht die niet kon vluchten, omdat de schepen buitengaats lagen. Toen ook deze troepen waren verslagen, richtten zij zich tegen Jan van Beaumont, wiens troepen zich nog moesten opstellen. De Friezen konden hem uiteindelijk verslaan omdat hij zijn legerkamp slecht had gekozen met de zee in de rug, zodat zijn leger nergens heen kon. Uit paniek en schaamte wilde hij de hand aan zichzelf slaan, hetgeen zijn mannen verhinderden. De Friezen volgden hun vijanden volgens de verhalen zelfs tot in het water, waar zij hen alsnog neersloegen.
Opvallend is het commentaar van de Florentijnse diplomaat Giovanno Villani, die beweert uit eerste hand te hebben gehoord dat de Friezen hun dijken met opzet doorstaken om de buitenlandse ridders te laten verdrinken.Giovanni Villani, Nova Cronica, 1348, ed. Giovanni Porta, 3 dl., Parma 1991, hier ed. 2000, p. 1527-1528 (hst. 54).
Na de slag De Friese overwinning van 1345 maakte een einde aan de groeiende Hollandse invloed en stortte het graafschap in een gezagscrisis."... de Hollandse vloedgolf gebroken", aldus Mari P. van Buijtenen, ‘Warns als golfbreker: De Hollandse vloed gekeerd’, in: Leeuwarder Courant, 21 september 1963, p. 19 en 21. Dat had tot gevolg dat de Friezen nog anderhalve eeuw (met tussenpozen) hun politieke zelfstandigheid konden bewaren. Ook de Friese taal profiteerde daarvan. Het gebrek aan centraal gezag liet zijn sporen na. In het laatste kwart van de 14e eeuw laaiden de twisten tussen de partijen van de Schieringers en Vetkopers in alle heftigheid op, niet alleen in Friesland, ook in de overige Friese landen tot aan de Wezer. Deze burgeroorlog bereikte een dieptepunt tijdens de Grote Friese Oorlog (1413-1422).
Keizer Maximiliaan I van het Heilige Roomse Rijk benoemde Albrecht van Saksen in 1498 tot gouverneur (potestaat) van Friesland tussen Vlie en Eems, waarna deze het gebied met zijn huursoldaten bezette. Dit gebeurde op uitnodiging van de adellijke partij der Schieringers uit Westergo. Beide landschappen Wester- en Oostergo erkenden hem vervolgens als potestaat en gubernator, in 1499 ook als landsheer. Zevenwouden volgde schoorvoetend. Hiermee kwam er in dit gebied een einde aan het tijdperk van de Friese Vrijheid. De Friese taal werd teruggedrongen naar de privésfeer, hoewel hij wel de voertaal voor de Friese elite bleef.Johan Frieswijk e.a. (red.), Fryslân, staat en macht 1450-1650. Bijdragen aan het historisch congres te Leeuwarden van 3 tot 5 juni 1998, Hilverdum 1999.
De uitkomst van de Slag bij Warns past goed in de algemene tendens dat het massaal gemobiliseerde voetvolk vaker de overhand kreeg op ridderlegers, met name in moeilijk begaanbaar terrein. Dit kwam ook in de Honderdjarige Oorlog (1337-1453) dikwijls voor. De Friese volkslegers konden zich daarom goed meten met hun Vlaamse, Zwitserse, Scandinavische en Engelse tegenhangers. Niet voor niets wordt de Slag bij Stavoren wel eens de Friese Guldensporenslag genoemd (aldus Douwe Kalma). Pas door de opkomst van getrainde beroepsmilitairen die in slagorde opereerden (de zogenaamde landsknechten), raakten de volkslegers hun potentiële voorsprong kwijt. Daarmee kwam weliswaar een einde aan de Friese Vrijheid, maar boeren- en burgermilities bleven ook na 1498 in Friesland een grote rol spelen.Hans Mol, De Friese volkslegers tussen 1480 en 1560, Hilversum / Leeuwarden 2017.
Lieve Vrouwendag