thumb|Zeeuwstalig schildje op het dorpshuis in Driewegen (Borsele) Zeeuws is een groep Friso-Frankische taalvariëteiten die in het zuidwesten van Nederland – in hoofdzaak delen van de provincie Zeeland – een dialectcontinuüm vormen dat door sommige taalkundigen als een variant van de Nederlandse taal en door anderen als een aparte streektaal gezien wordt (zie Status als taal, dialect of variant).

Naam De naam Zeeuws is al oud: het woord stamt uit de Middeleeuwen en is zélf een zuidwestelijk dialectwoord voor zees (van de zee). Als naam van een taal treft men het ook al vroeg aan. Een door deskundigen van het Zeeuws vaak aangehaald citaat van Jacob van Maerlant (uit zijn heiligenleven van Sint-Franciscus uit ca. 1275-80) luidt:

Men moet om de rime te souken Misselike tonghe [verscheidene talen] in bouken: Duuts, Diets, Brabants, Vlaemsch, Zeeus; Walsch, Latijn, Griex ende Hebreeus

De benaming Zeeuws is later vooral voor de tongval van Zeeland in gebruik gebleven. Er zijn evenwel veel andere benamingen, waarvan er sommige gebruikelijker zijn. De spreker kan naar zijn dialect verwijzen met de naam van zijn streek (Walchers, Zuud-Bevelands) of woonplaats (Wasschappels, Eintjessands). Die gewoonte komt waarschijnlijk van het idee dat men in elk dorp een ander dialect spreekt, dat een plaats verderop al niet meer te verstaan is, en dat "het" Zeeuws al helemaal niet bestaat (voor een behandeling van dit vraagstuk zie onder). Een spreker van Goeree-Overflakkee zal zijn taal (Goerees en Flakkees) nooit als Zeeuws aanduiden. Vanouds noemen de Zeeuwen hun eigen taal "boers" en het Nederlands "(op z'n) burgers"; deze benamingen raken uit de mode. Ook de naam plat komt voor, echter minder dan in bijvoorbeeld het oosten van het land.

Verbreiding en plaatsbepaling Behalve in Zeeland spreekt men het Zeeuws ook op het eiland Goeree-Overflakkee. In het Land van Hulst en in een smalle zuidelijke strook van het Land van Axel spreekt men dialecten die in taalkundig opzicht niet als Zeeuws, maar als Oost-Vlaams gezien moeten worden. De dialecten in de rest van Zeeuws-Vlaanderen heten gewoonlijk wel Zeeuws; deze wijken echter zo af dat men ze met evenveel recht varianten van het West-Vlaams kan noemen. Feitelijk gaan het Zeeuws en het West-Vlaams vloeiend in elkaar over, en hoezeer beide talen oppervlakkig (op het eerste gehoor) ook verschillen, in de kern zijn ze zeer nauw verwant Soms worden het Zeeuws en het West-Vlaams daarom ook wel beschouwd als varianten van dezelfde streektaal.

In zekere zin is er ook een dialectcontinuüm met het Hollands, wat het duidelijkst merkbaar is op Voorne-Putten. Ook het Hoeksche Waards en zelfs het Rotterdams hebben nog Zeeuwse invloeden. Met het Brabants echter is dit niet het geval: de grens tussen Zeeland en Noord-Brabant vormt een van de sterkste isoglossenbundels van Nederland. Alleen in de dorpen Oud-Vossemeer (gemeente Tholen, Zeeland) en Nieuw-Vossemeer (gemeente Steenbergen, Noord-Brabant) zijn de dialecten wederzijds beïnvloed.

Afgeleide talen Drie op het Nederlands gebaseerde creooltalen, namelijk het Skepi, het Berbice-Nederlands en het Negerhollands, gaan terug op Zeeuwse dialecten. Vaak wordt beweerd dat ook het Afrikaans beïnvloed werd door het Zeeuws, maar dit idee is achterhaald. Opvallende voornaamwoorden, klankverschijnselen en inhoudswoorden van het Zeeuws zijn niet terug te vinden in het Afrikaans.

Taalgeschiedenis Zoals de hele kuststrook van de Nederlanden was Zeeland (en West-Vlaanderen) in de vroege Middeleeuwen Ingveoonstalig: dat wil zeggen dat er Oudfries en/of Oudsaksisch en/of een andere nauwverwante West-Germaanse variant gesproken werd. Onder de Merovingen en zeker onder de Karolingen begon de Frankische expansie: in veel door de Franken veroverde gebieden werd het Frankisch uiteindelijk dominant. In het Zeeuws is echter altijd een duidelijk Ingveoons substraat achtergebleven, mede door de banden met West-Vlaanderen en Holland.

Na de Frankische expansie volgde de Vlaamse expansie: later in de Middeleeuwen werd Vlaanderen het leidende gewest in de Nederlanden. De taalveranderingen die hier optraden werden door heel de Nederlanden verspreid, zij het niet allemaal in dezelfde mate. Belangrijke veranderingen waren het veranderen van combinatie -ft in -cht, en de consequente umlaut van [uː] in [yː]. Daardoor zegt men nu in Zeeland buuk, niet boek zoals in het Twents en Limburgs, voor "buik".

In de late Middeleeuwen verloor Vlaanderen zijn positie meer en meer aan Brabant. Dit gewest had weer andere klankveranderingen doorgevoerd: de uu en ii werden gediftongeerd tot ui en ij. Om diverse redenen deed het Zeeuws niet mee aan deze zogeheten Brabantse expansie, terwijl het Hollands de veranderingen snel overnam. Sindsdien raakten de klanken ii en uu in toenemende mate met het Zeeuws geassocieerd. Er was wel invloed van het Hollands – Holland werd in de Gouden Eeuw tenslotte het allesoverheersende gewest – maar het Zeeuws bleef relatief onaangetast, uitgezonderd de stadsdialecten van Middelburg en Vlissingen.

Pas met de invoering van de Leerplichtwet in 1900 keerde het tij. Sindsdien groeien de dialecten langzaamaan naar het Nederlands toe, terwijl het relatief aantal sprekers duidelijk terugliep. Het Zeeuws is echter nog geen bedreigde 'taal' (zie "Taalverlies en -behoud" hieronder).

Status als taal, dialect of variant thumb|Het Zeeuws geniet geen landelijke erkenning. De lokale overheid bleek bereid een straat in Westkapelle een Zeeuwse naam te geven. Vanouds wordt het Zeeuws als een verzameling dialecten van het Nederlands en niet als aparte taal gezien. Dit is uiteraard een kwestie van definitie: het Standaardnederlands en het Zeeuws zijn beide volwaardige, zelfstandige taalsystemen. Er is sprake van wederzijdse verstaanbaarheid tussen beide taalvarianten, zij het doorgaans met moeite. Zoals boven gesteld heeft het Zeeuws aan twee grote taalveranderingen in het Nederlands meegedaan maar heeft het de laatste overgeslagen – in die zin staat het Zeeuws dichter bij het Nederlands dan het Limburgs, dat ook de Vlaamse expansie grotendeels heeft overgeslagen, maar verder ervan af dan het Afrikaans en het Brabants.

In het licht van de dialectrenaissance en de trend steeds meer inheemse taalvormen als aparte talen te beschouwen hebben sommigen gezocht het Zeeuws uit zijn traditionele context van Nederlands dialect te halen. Men heeft recentelijk geprobeerd het Zeeuws, in navolging van het Limburgs en het Nedersaksisch, op nationaal niveau als streektaal te erkennen. Dit initiatief is in 2004 bij de minister van Binnenlandse Zaken gestrand; men beschouwde de Zeeuwse dialecten als "behorende tot het Nederlands", al heeft het geen noemenswaardige bijdrage aan de Nederlandse standaardtaal geleverd.

Ethnologue beschouwt het Zeeuws echter wel als een aparte taal, en deze visie is door ISO in de ISO/DIS-639-3-codes overgenomen; de code is zea. In dit artikel wordt beurtelings met de woorden "taal", "dialecten" en "variant" naar het Zeeuws verwezen; dit is niet bedoeld als stellingname voor een der zienswijzen. Ook het verwijzen naar de Nederlandse standaardtaal met "Nederlands" zonder meer heeft geen politieke achtergrond.

Kenmerken Onder deze kop zullen voornamelijk de verschillen met het Standaardnederlands besproken worden. Veel van wat hier gesteld zal worden zal geen betrekking hebben op alle dialecten, in het bijzonder niet op die uit Zeeuws-Vlaanderen. Dit zal niet steeds in detail aangetekend worden – men neme dit in acht. In de afzonderlijke artikelen over de subdialecten (hieronder opgesomd) wordt hierop dieper ingegaan.

Klankleer Klinkerverschijnselen In het Zeeuws zijn er veel voorbeelden van woorden waarbij ronding heeft plaatsgevonden. Dit houdt in dat klinkers die oorspronkelijk niet met ronding van de lippen uitgesproken werden, gerond werden. Voorbeelden hiervan zijn lucht of locht voor licht 'niet zwaar', dulve (voor sloot, verwant aan het Nederlandse woord delven), schulp (voor schelp) en Wullem (voor Willem).

Ook ontronding komt voor. Klinkers worden met 'ongeronde' lippen uitgesproken hoewel ze oorspronkelijk met 'geronde' lippen werden uitgesproken. Voorbeelden hiervan zijn pit (voor put), stik (voor stuk), din (voor dun) en rik (voor rug). Daarnaast zijn er woorden waar het Zeeuws een 'ie' heeft waar de standaardtaal een 'uu' heeft. Voorbeelden hiervan zijn diere (voor duur 'niet goedkoop'), stiere(n), (voor sturen) en vier (voor vuur).

Een o in het Zeeuws correspondeert vaak met een u in het Nederlands. Voorbeelden hiervan zijn durp (voor dorp) en vurk(e) (voor vork). Dit komt ook omgekeerd voor. Voorbeelden zijn locht (voor lucht), jok (voor juk) en sokkel (voor sukkel). Daarnaast is een korte è in het Nederlands vaak een korte i in het Zeeuws. Zo is een hengst een ingst en spel is spil.

In het Zeeuws kan de 'a' worden beïnvloed door een 'l' die erop volgt. Denk hierbij aan woorden als kalf, hals en vallen. Op Schouwen-Duiveland, Noord-Beveland, Walcheren, westelijk Tholen en westelijk Goeree klinkt de a hier ongeveer als de klinker in het Engelse 'all'. Op oostelijk Goeree en westelijk Zuid-Beveland klinkt de a hier ongeveer als de o van hol. In de overige gebieden is er geen beïnvloeding.

Het Zeeuws heeft een korte ie-klank waar de standaardtaal de lange 'ij' heeft. Voorbeelden hiervan zijn diek (voor dijk) en kieke(n) (voor kijken). Daarnaast heeft het Zeeuws een uu-klank waar de standaardtaal een 'ui' heeft. Voorbeelden hiervan zijn muus (voor muis) en buten (voor buiten). Dit is het gevolg van een ontwikkeling in de standaardtaal in de zestiende en zeventiende eeuw waaraan het Zeeuws niet heeft deelgenomen. Er zijn woorden waar het Zeeuws een 'ui' heeft zoals het Nederlands. Een voorbeeld hiervan is 'fluite(n)'

Op plekken waar de standaardtaal een 'ie' heeft, heeft het Zeeuws een lange 'ie'-klank. Alleen in het oosten van Flakkee en het oosten van Tholen treedt dit niet (meer) op. De klinker in het woord zien klinkt in het Zeeuws duidelijk langer dan in de standaardtaal: zie:n. Zoals hierboven vermeld heeft het Zeeuws een 'ie' waar de standaardtaal een 'ij' heeft. Dit is een echter korte 'ie' die niet samenvalt met de 'lange' ie. Tien is tie:ne in het Zeeuws en pijn is piene. Deze woorden rijmen dus niet.

Bij een aantal woorden heeft het Zeeuws een 'uu' waar de standaardtaal een 'ij' heeft. Zeeuwen hebben het over bluve(n) (voor blijven), wuuf (voor wijf), pupe (voor pijp), vuve (voor vijf) en twuvel (voor twijfel).

De lange 'aa' in het Nederlands correspondeert met een andere klank in het Zeeuws. In Walcheren (uitgezonderd de stadsdialecten van Middelburg en Vlissingen), Noord-Beveland, de stad Goes, Schouwen-Duiveland, Tholen en Overflakkee wordt dit als een lange è-klank, geschreven ae, uitgesproken. Dit geldt grotendeels ook voor Goeree. Er zijn echter een aantal uitzonderingen, als de woorden gaan, slaan en staan. In Zuid-Beveland (uitgezonderd de stad Goes) wordt dit als een gerekte ì-klank uitgesproken (ì = i van pit). In het grootste deel van Zeeuws-Vlaanderen en in de stadsdialecten van Middelburg en Vlissingen is dit een 'oa' klank.

De Nederlandse 'ee' klinkt in sommige woorden, zoals eten, vrijwel hetzelfde in het Zeeuws. In andere woorden correspondeert de 'ee' in het Nederlands met een tweeklank, geschreven êê, in het Zeeuws. Zo klinkt steen als stêên.

De 'oo' in de standaardtaal heeft verschillende realisaties in het Zeeuws. Voor een dentaal (t, d) aan het woordeind is dit in vrijwel alle Zeeuwse dialecten een tweeklank, geschreven ôô. Voorbeelden hiervan zijn dood, brood en groot die worden uitgesproken als dôôd, brôôd en grôôt.