Triumph is een Brits merk van motorfietsen. thumb

De bedrijfsnamen waren achtereenvolgens: S. Bettmann & Co., Triumph Cycle Co., New Triumph Co. Ltd., Triumph Engineering Co. Ltd., Coventry, NVT motorcycles, Norton Triumph International Ltd., Norton Triumph Europe Ltd., Andover, NVT Motorcycles Ltd., Shenstone, The Meriden Motorcycle Co-Operative Meriden, Triumph Motorcycles (Meriden) Ltd, Racing Spares, New Abbot, Devon en Triumph Motorcycles Ltd., Hinkley.

Geschiedenis Jaren tachtig 19e eeuw Triumph Cycle Co. Siegfried Bettmann (1863-1951) emigreerde in 1885 van Neurenberg naar het Verenigd Koninkrijk. In 1886 begon hij in Londen fietsen onder de naam "Triumph" te verkopen in zijn eigen bedrijf, dat aanvankelijk S. Bettmann & Co. heette, maar nog in hetzelfde jaar veranderde de naam in "Triumph Cycle Company". In 1887 werd de naam opnieuw veranderd in "New Triumph Co. Ltd.", The Dunlop Pneumatic Tyre Co. was een grote investeerder en Moritz Schulte, eveneens geboren in Neurenberg, werd de compagnon van Bettmann. Het bedrijf importeerde nu ook naaimachines uit Duitsland. Onder impuls van Schulte ging men zelf fietsen produceren. In 1888 werd voor dat doel een fabriek in Coventry gekocht. De eerste echte "Triumph" fietsen werden in 1889 geproduceerd.

Jaren negentig Deutsche Triumph Fahrradwerke AG

In 1896 werd ook een fietsfabriek geopend in de geboorteplaats van Bettmann en Schulte, Neurenberg. Dit bedrijf heette toen nog "Deutsche Triumph Fahrradwerke AG". Het produceerde fietsen, schrijfmachines en motorfietsen. In 1929 maakte het zich los van het moederbedrijf. In de jaren vijftig werd de schrijfmachineproductie het belangrijkste, en in 1957 werd het bedrijf verkocht en samengevoegd met Adler in de Triumph-Adler AG.

In 1898 werd het besluit genomen in de Britse vestiging naast fietsen ook motorfietsen te gaan produceren.

Jaren nul In 1902 begon men motorfietsen te bouwen. In eerste instantie werden inbouwmotoren van toeleveranciers (Fafnir, JAP en vooral Minerva) gebruikt, in 1905 werd een eigen 3 pk eencilinder ontwikkeld. Vanaf 1903 werden ook in de Duitse fabriek motorfietsen geproduceerd, waarbij in plaats van de JAP motoren Peugeot motoren werden gebruikt. De eerste Triumph motorfietsen waren nog gebouwd naar ontwerpen van andere fabrikanten, en waren in feite verstevigde fietsframes waar een motor in was gehangen. Vanaf 1905 ging men zelf motorfietsen ontwerpen en bouwen. In 1907 werd een grotere fabriek geopend.

Gloria

In de oude fabriek werden vanaf dat moment motorfietsen onder de merknaam Gloria geproduceerd. Dit waren goedkopere motorfietsen. Gloria had een eigen directie, maar was waarschijnlijk eigendom van Triumph. Triumph zou in de jaren dertig opnieuw goedkope modellen onder deze naam gaan produceren.

Orial Om verwarring tussen het Duitse en het Engels Triumph te voorkomen werden de Duitse machines de eerste jaren onder de naam "Orial" geproduceerd, maar na protesten van het Franse bedrijf Orial werden deze machines van de merknaam TWN voorzien. In 1908 en 1909 maakte het Britse Triumph 474cc eencilinders.

Jaren tien

Van 1910 tot 1913 werd het 500cc-model Roadster geproduceerd. Dit model had nog geen versnellingen, maar wel een naafkoppeling en werd bekend als het "free engine model", omdat de motor van het achterwiel losgekoppeld kon worden. In die tijd was dat een belangrijke vernieuwing: de motor sloeg nu niet meer elke keer af als er gestopt werd een hoefde ook niet steeds aangefietst te worden. In 1913 en 1914 werd het Model C gebouwd, een 500cc eencilinder met drie naafversnellingen van Sturmey-Archer.

Eerste Wereldoorlog Tot aan het begin van de Eerste Wereldoorlog verliep de verkoop van motorfietsen al voorspoedig, maar door de productie van meer dan 30.000 motorfietsen voor de geallieerden werd deze enorm opgevoerd. Vooral het 550cc Model H was populair. Deze machine werd ook wel "de eerste moderne motorfiets" genoemd. Hij had een moderne versnellingsbak van het merk Sturmey-Archer en kreeg de bijnaam "Trusty Triumph".

Triumph Detroit In de Verenigde Staten werden Triumph fietsen in licentie geproduceerd. Triumph Mfg Co. uit Detroit was een Amerikaans zusterbedrijfje van het Engelse Triumph dat alleen in 1912 voornamelijk 548 cc eencilinder-zijkleppers bouwde.

Jaren twintig Triumph auto's en Triumph Ricardo

Na de oorlog ontstond er onenigheid tussen de compagnons, omdat Schulte de rijwielproductie wilde vervangen door de productie van auto's. Schulte verliet daarop het bedrijf, maar desondanks kocht Bettmann de autofabriek Hillman op. Vanaf 1923 werd onder de naam Triumph Motor Company een Sedan gebouwd. Harry Ricardo en Frank Halford ontwikkelden een nieuw kopklepmotorblok met vier kleppen voor de Triumph motorfietsen die vanaf 1921 op de markt kwamen. Deze 500cc-motoren (Modellen R en P) werden bekend als "Triumph Ricardo". Halverwege de jaren twintig was Triumph een van de leidende Britse auto- en motormerken, met een jaarproductie van meer dan 30.000 voertuigen per jaar. De eerste eigen auto's, de Super Seven en Super Eight verschenen eind jaren twintig.

Jaren dertig

Verkoop TWN Na de Grote Depressie van 1929 ging het erg slecht met het bedrijf. Triumph verkocht de Duitse tak, die verderging als afzonderlijk bedrijf en later zou samengaan met het merk Adler. Onder de naam TWN ging men in Neurenberg tot 1957 eigen motorfietsen maken.

De eerste Triumph-paralleltwin werd in 1932 door Val Page ontwikkeld, de 650cc Triumph 6/1. Deze machine werd niet bijzonder populair, maar kwam in 1950 in gewijzigde vorm op de markt als BSA A10.

Verkoop fietsenproductie In 1932 werd de fietsenproductie overgedaan aan Raleigh. Siegfried Bettmann werd gedwongen zijn voorzitterszetel van de Raad van Bestuur op te geven en ging in 1933 met pensioen. In 1933 bestond het merk Triumph uit twee bedrijven die de auto- en de motorfietstak vormden.

Overname door Ariel In 1936 nam Jack Sangster de motorfietstak van Triumph over. Sangster was al eigenaar van het merk Ariel. Hij benoemde zijn Ariel-topconstructeur Edward Turner tot algemeen directeur van de Triumph Engineering Company. Val Page was vier maanden eerder vertrokken naar BSA en Turner haalde constructeur Bert Hopwood als zijn assistent naar de Triumph-fabriek. Ted Crabtree (motorcoureur en ook afkomstig van Ariel) werd hoofd-inkoper en motorcoureur Freddie Clarke werd hoofd van de researchafdeling. Turner herzag de 250-, 350- en 500 cc Triumph-modellen. Zo ontstonden de sportmodellen Tiger 70, Tiger 80 en Tiger 90. Ze werden voorzien van enkele wiegframes, ingebouwde stoterstangen, gepolijste carters, verchroomde tanks en nieuwe kleurenschema's.

Geboorte van de Speed Twin In 1938 bouwde Turner samen met Hopwood de beroemde 5T "Speed Twin". Turner behield ook het goede van de ontwerpen van Val Page: boring en slag van de 500 cc Speed Twins waren gelijk aan de oudere 250 cc eencilinders. De 5T bleek erg succesvol en werd de basis voor alle Triumph-blokken tot in de jaren tachtig. Het eerste model leverde 27 pk, woog 166 kg en had een topsnelheid van 145 km/uur. In 1938 verscheen de eerste Triumph die "a ton" (100 mijl per uur) kon halen, de 500cc Tiger T100. Deze was kleiner en lichter dan de Tiger 90. Volgens sommigen was het motorontwerp afgeleid van de Riley Nine-auto, waarvoor Turner de motor ontworpen had.

Verkoop van de autoproductie De autoproductie van de Triumph Motor Company, die nooit erg succesvol was geweest, werd in 1939 verkocht aan de Standard Motor Company.

Jaren veertig

Tweede Wereldoorlog In de eerste maanden van de Tweede Wereldoorlog werden er nog motorfietsen geproduceerd in Coventry. Tijdens het Bombardement op Coventry op 14 november 1940 ging de fabriek verloren, maar machines en gereedschappen konden grotendeels worden gered. In 1942 werd de productie opgestart in de nieuwe fabriek in Meriden. In 1941 had Turners ontwerp met een zeer beperkte vorm van achtervering, de "Sprung Hub", in productie moeten gaan. Dit was een om de achternaaf gewikkelde bladveer die enkele centimeters veerweg toeliet, zonder demping. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog duurde het tot 1946 voordat dit veersysteem op seriemodellen werd geïntroduceerd. In 1942 ontwierp Turner een generator met een volledig aluminium tweecilinder paralleltwin voor het Ministerie van Luchtvaart (Air Ministry). Nadat Edward Turner rond die tijd onenigheid kreeg met Jack Sangster verliet hij Triumph en werd chef-ontwerper bij BSA. Bert Hopwood verving Turner als ontwerper bij Triumph en werkte in opdracht van Jack Sangster aan een 500 cc zijklepper voor het leger. Zijn ontwerp was in 1943 klaar, maar kwam nooit in productie. (Echter maakte Triumph wel twee andere modellen die daadwerkelijk gebruikt werden door het leger: Triumph 3SW en Triumph 3HW.) Later (in 1948) werd dit de Triumph TRW, die door het Britse leger werd aangeschaft. Al in 1943 keerde Turner weer terug naar Triumph, waar hij een project van Hopwood, een 50 pk 700 cc viercilinder lijnmotor, stopte. In 1944 was Turner weer algemeen directeur. In 1945 verschenen de Speed Twin, de Tiger 100 (nu mét de Sprung Hub) en de 350 cc 3T. De machines hadden nu door Turner ontwikkelde telescoopvorken die door Freddie Clarke verbeterd waren. Door de Britse terugbetalingen van de Leen- en pachtwet moest ca. 70% van de productie van Triumph motorfietsen naar de Verenigde Staten verscheept worden.

Triumph T100GP Privérijders hadden kort na de oorlog aluminium cilinders uit oude oorlogsvoorraden op hun Tiger 100 machines gemonteerd en wonnen daar wedstrijden mee. Daarmee inspireerden ze het merk tot de bouw van een fabrieksracer voor Ernie Lyons. De machine was door Freddie Clarke gebouwd. Hij gebruikte hiervoor de aluminium 500cc generator die Turner voor de luchtmacht had ontwikkeld. Als achterveer was de Sprung hub toegepast. Lyons won er de Senior klasse van de Manx Grand Prix van 1946 mee. Turner, op reis in de Verenigde Staten, werd woedend toen hij hiervan hoorde. Hij was strikt tegen racen. Desalniettemin organiseerde hij een etentje voor Lyons en gaf toestemming voor de productie en verkoop van een kleine serie T100GP-replica's die in 1948 op de markt kwamen. Toen de restvoorraden aluminium cilinders in 1950 op waren, eindigde de productie weer. In de Verenigde Staten bleef de vraag naar deze machines echter groot, waardoor men de cilinders weer ging produceren.

Bert Hopwood schreef deze versie over de T100GP in zijn boek: "Whatever happened to the British Motorcycle Industry?". Volgens Ernie Lyons, in een gesprek met schrijver Brian Woolley, wist Turner alles van het race-project af en had hij Freddie Clarke zelfs de vrije hand gegeven...

Triumph TR5 Trophy Twin De 499cc TR5 Trophy Twin werd ook in 1948 gepresenteerd en ook de motor van dit model was afgeleid van de aluminium generator. Deze enduromotor had één carburateur en had een lagere compressieverhouding dan de racemotor. Groot-Brittannië won er in 1948 de International Six Days Enduro mee.

Triumph 6T Thunderbird Op 20 september 1949 werd de Triumph 6T 650 cc Thunderbird gepresenteerd. De motor was ontworpen door Turner en doorontwikkeld door Jack Wickes. De presentatie was bijzonder: drie Thunderbirds reden 500 mijl met een gemiddelde snelheid van 145 km/uur op het circuit van Montlhéry. De machine was gebaseerd op de 5T, maar tot 650 cc vergroot om aan de wens van de Amerikaanse exportmarkt te voldoen. Belangrijk verkoopargument was dat deze motor "a ton" (100 mijl per uur) kon halen. De Thunderbird werd ook een populaire machine voor politiekorpsen.

Jaren vijftig In 1950 kondigde Turner een "low-chrome policy" af. Triumph motorfietsen kregen geen verchroomde tanks meer, tot de T140LE Bonneville Royal Wedding Edition, ter gelegenheid van het huwelijk van Prins Charles met Diana Spencer in 1981. Turner verklaarde in 1950 dat 650 cc de limiet voor een 360° twin was. De T100GP ging in dit jaar uit productie.

Triumph Maryland