thumb|Hadj Mohammad Amin al-Hoesseini Mohammad Amin al-Hoesseini (Arabisch: محمد أمين الحسيني), ook gespeld als al-Husayni of el-Husseini, (Jeruzalem, ca. 1897 - Beiroet, 4 juli 1974) was een Arabische nationalist en als grootmoefti van Jeruzalem een islamitisch leider.
Mohammed Amin al-Hoesseini was een telg van de oude prominente Al-Hoesseini-familie van moefti's in Jeruzalem en afstammeling van Hoessein, de kleinzoon van de profeet Mohammed.Elpeleg, p. 1 Deze familie onderhield goede betrekkingen met de Osmaanse regering. Zijn belangrijkste posities waren die van grootmoefti van Jeruzalem en president van de Hoogste Moslimraad.
Jeugd en opleiding Al-Hoesseini groeide op in Jeruzalem waar zijn vader Sjeik Tahir al sinds 1880 oppositie voerde tegen Joodse immigranten,Philip Mattar (1992) The Mufti of Jerusalem: Al-Hajj Amin Al-Husayni and the Palestinian National Movement, Columbia University Press, p. 6 en studeerde aan de Al-Azhar-universiteit te Caïro. Daar kon hij zijn studies echter niet afmaken vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op welk moment hij in Jeruzalem was. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in het Ottomaanse leger. Nadat hij in Turkije een officiersopleiding had gevolgd, werd hij in de 47e brigade in İzmir gestationeerd, maar kwam in zijn tweejarige diensttijd nooit aan het front. Hij beschreef de verhouding met zijn commandant als gespannen omdat Arabische soldaten gediscrimineerd werden.Elpeleg, p. 3
Educatieve en politieke activiteiten Begin 1917 keerde Amin al-Hoesseini naar Jeruzalem terug en had verschillende administratieve banen ten dienste van de Britse districtsgouverneur in Jeruzalem. In juli 1919 had hij een actieve rol bij de organisatie van het Pan-Syrische Congres in Damascus door deelname van een Palestijnse vertegenwoordiging. Terug in Jeruzalem werd hij leraar op de Rashiddiyyah Hogeschool. Ook werd hij politiek actief in zijn verzet tegen de zionistische immigratie in het mandaatgebied Palestina, zowel tegen de zionistische Joden als tegen de Britten vanwege de Balfourverklaring van 1917 met betrekking tot een tehuis voor Joden in het mandaatgebied Palestina. Bij discussies met de Britten over de toekomst van mandaatgebied Palestina en zijn oppositie tegen de invloed van de Joden kreeg hij steun van islamitische en christelijke organisaties. Hij streefde naar het verkrijgen van onafhankelijkheid van het mandaatgebied Palestina en beëindiging van de opbouw van een nationaal tehuis voor Joden.
In april 1920 speelde hij zijn eerste politieke rol tijdens het Nabi Musa-feest, dat uitliep op een oproer in Jeruzalem. Amin al-Hoesseini, zijn oom Musa Kazim al-Hoesseini, burgemeester van Jeruzalem, en krantenredacteur Aref al-Aref zouden de Arabische menigte, die naar de stad was gekomen vanwege het feest, opgehitst hebben.Yitzhak Reiter (2017), Contested Holy Places in Israel–Palestine: Sharing and Conflict Resolution, Taylor & Francis, p. 5 Er braken rellen uit met, door Ze'ev Jabotinski militair getrainde en opgehitste, groepen Joden die zich voorbereid hadden. Nadat een vlag van een Palestijn uit Hebron door een Jood was bespuugd en verscheurd, sloeg de vlam in de pan.: Transforming the Holy City: from communal clashes to urban violence, the Nebi Musa Riots in 1920. In Violence in the Middle East: Changing Cityscapes in the Transition from Empire to Nation State, Freitag, Ulrike, Fuccaro, Nelida, Ghrawi, Claudia & Lafi, Noar (eds);part 111, chapter, 8.(2015) Transforming the Holy City: from communal clashes to urban violence, the Nebi Musa Riots in 1920. Bij de onlusten kwamen vijf Joden en vier Arabieren om het leven. Musa Kazim al-Hoesseini werd na de onlusten afgezet als burgemeester; Amin al-Hoesseini en Aref al-Aref werden door het Britse militaire hof tot 10 jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens ophitsing. Amin al-Hoesseini was gevlucht en werd in afwezigheid veroordeeld. Ze'ev Jabotinski, die bij de rellen betrokken was vanwege door hem militair getrainde groepen en de gemoederen had opgehitst, werd tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeeld.
Grootmoefti van Jeruzalem De Britse hoge commissaris van het Mandaatgebied Palestina, Herbert Samuel, verleende Al-Husseini in 1921 amnestie en benoemde hem, nadat zijn halfbroer Kamal in maart 1920 was gestorven, tot grootmoefti van Jeruzalem.Michael J Cohen, Britain's Moment in Palestine: Retrospect and Perspectives, 1917-1948, Routledge, p. 110 Kort daarna werd hij ook benoemd als president van de Supreme Muslim Council en van het Islamitische Hof. Hierna ontwikkelde hij zich in korte tijd tot een belangrijk politiek leider met aanzienlijke Waqf-fondsen onder zijn beheerYitzhak Reiter (1996), Islamic Endowments in Jerusalem Under British Mandate , Frank Cass & Co. en voerde een krachtige oppositie tegen de voortgaande immigratie en vestiging van Joden in Palestina. Met zijn uitgesproken opvattingen riep hij weerstand op van de even machtige maar gematigde familie Nashashibi, waarvan Raghib al-Nashashibi burgemeester van Jeruzalem was. Zijn positie wendde hij aan om in moskeeën predikers aan te stellen en aan het hof rechters te benoemen die hem steunden in zijn antizionistisch beleid.
Amin al-Hoesseini genoot in de periode tot de Tweede Wereldoorlog in alle Arabische en islamitische landen groot gezag en was populair omdat hij als vooraanstaand politicus ook een charismatisch leider was. In 1931 organiseerde hij het tweede pan-islamitisch congres te Jeruzalemhistory, reisde het hele Midden-Oosten rond en verwierf politieke en financiële steun om oppositie te voeren tegen de zionistische kolonisten in het mandaatgebied Palestina. In 1941 schrijft hij: Von dem unueberwindlichen Glauben an ihre Sache beseelt, haben die Araber van Palaestinas mit den rudimentaersten Waffen gekaempft. Ausserdem hat die palaestinensische Frage alle arabischen Laender in einem gemeinsamen Hass gegen die Englaender und die Juden geeint.Brief van 20 januari 1941 van Amin al-Hoesseini, zie: Gerhard Höpp (ed.), “Mufti-Papiere. Briefe, Memoranden, Reden und Aufrufe Amin al-Husseinis aus dem Exil, 1940-1945“, Berlin 2001, pag. 18
Palestina voor de oorlog thumb|Het Arabische Hoge Comité (1936) Hoewel Al-Hoesseini bekendstond als de 'Grote Moefti', bezat hij die titel niet officieel. Hij speelde een belangrijke rol in het Arabische verzet tegen de zionistische politieke ambities in het Britse mandaatgebied Palestina.
In 1935 richtte hij een Arabisch politieke partij (PAP) op met zijn neef, Jamal Musa al-Hoesseini, als voorzitter. De daaraan verbonden jeugdvereniging, Al-Futtawah, was daarvan de krachtigste factor die in Palestina talrijke pamfletten met nationaalsocialistische leuzen en hakenkruisen verspreidde. Uit de leden van deze en andere paramilitaire verenigingen van jonge moslims in het mandaatgebied Palestina werden leden gerekruteerd voor geheime terroristische groeperingen, zoals de Jihad voor het Heilig Land die in Judea door Abdel Kader al-Hoesseini (Abd al-Qadir al-Husayni) werd opgericht en de in Galilea en Haifa optredende terreurgroep van sjeik Izz al-Din al-Kassam.
Op 19 april 1936 begon in het mandaatgebied Palestina een Arabische opstand die duurde tot 1939. Deze opstand werd geleid door het Arabische Hoge Comité, dat werd voorgezeten door Al-Hoesseini, en gaf leiding aan de paramilitaire terreurgroepen. Het Hoge Comité riep een algemene staking uit en riep op tot het niet-betalen van belastingen. Het comité eiste voorts de onafhankelijkheid, een einde van de Joodse immigratie en het verbod op het verkopen van land aan Joden. Joden en Joodse nederzettingen werden het doelwit van aanslagen. De moefti gebruikte deze opstand om zich te ontdoen van al die Arabieren die het niet met zijn harde lijn eens waren en wilden onderhandelen met de Joden en de Britten zoals de machtige en invloedrijke stamhoofden van de Nashashibis en de christenen. Zijn paramilitaire terreurgroepen traden tegen deze ‘dissidente’ bewoners harder op dan tegen de Joden. Zo doodden ze in 1938 279 Joden en meer dan tweeduizend bewoners waarbij de laatsten met buitengewone wreedheid waren ‘behandeld’. Waar zijn paramilitaire groepen de overhand kregen werd de Sharia opgelegd; wie zich niet hield aan de orthodox islamitische kledingvoorschriften of andere overtredingen tegen de Sharia beging werd onmiddellijk en meedogenloos gedood.Kurth Fischer-Weth, “Amin el-Husseini. Großmufti von Palästina“, Berlin 1943, pag. 81-82; Schiller, pag.145-148.
De opstand werd gesteund door de nazi-regering van het Duitse Rijk met financiering en wapenleveranties via Irak en Saoedi-Arabië. In juli 1937 werd Al-Hoesseini door het Britse Mandaat tot tien jaar cel veroordeeld, waarop Al-Hoesseini zich eerst terugtrok in het heiligdom Haram Ash-Sharif en vervolgens in oktober 1937 vluchtte naar Libanon. Hier zette hij het Hoge Comité, dat door de Britten was verboden, opnieuw op. In oktober 1939 vluchtte Al-Hoesseini verder naar Irak, omdat zijn relaties met Syrië en Frankrijk vertroebeld waren geraakt.
In 1939 wist het Britse bestuur samen met het Arabische verzet (onder leiding van Fachri Nashashibi, de aartsvijand van Al-Hoesseini) tegen de paramilitaire terreur van de moefti en Joodse milities de Arabische opstand te bedwingen, maar moest daarbij concessies doen. Groot-Brittannië zou afzien van het vestigen van een Joodse staat in het mandaatgebied Palestina en zou de immigratie van Joden beperken tot 75.000 in totaal voor de volgende vijf jaren. Deze concessies werden door Al-Hoesseini als ontoereikend van de hand gewezen. Omwille van de vrede in het Midden Oosten werd hij door de Britten gerehabiliteerd en noemden zij Al-Hoesseini zelfs de invloedrijkste Arabier en maakten hem tot grootmoefti van Jeruzalem.
Relaties met Duitsland thumb|300px|Al-Hoesseini en Hitler (1941) thumb|300px|Al-Hoesseini en Himmler (1943) In zijn verzet tegen het Britse koloniale bestuur en de Joodse immigratie zocht Al-Hoesseini onder andere steun bij Duitsland. Direct na de machtsovername door Hitler en de nazi's in 1933 zocht hij toenadering tot de nieuwe Duitse machthebbers. Bij de ontmoeting met de nieuwe Duitse consul, Wolff, in Jeruzalem bood Al-Hoesseini direct zijn diensten aan en deelde hij mee: 'De Moslims in en buiten het mandaatgebied Palestina begroeten het nieuwe regime in Duitsland van harte en hopen dat ook andere landen het fascistisch-antidemocratisch staatsbestel zullen overnemen.'''Dr. Hans Jansen, Van Jodenhaat tot zelfmoordterrorisme, par. 4.2.1 pag. 110, Uitg. Groen, Heerenveen (2006), Duitsland wilde hier in dat jaar geen gebruik van maken om de Duits-Britse betrekkingen niet te beschadigen. In 1937 waren er meer contacten tussen Duitsland en Al-Hoesseini. In april 1941 pleegde Rasjid Ali, die onder invloed stond van Al-Hoesseini, in Irak een pro-Duitse staatsgreep.
Toen de Britse troepen de opstand neersloegen vluchtte Al-Hoesseini naar nazi-Duitsland. Daar vond hij onder andere de journalisten Younis Bahri en Kamel Mroué (ook als Kamil Muruwwah geschreven) die later zijn uitzendingen op Radio Berlin verzorgden alsmede andere strijders zoals Fawzi al-Qawuqji en Sheikh Hassan Salameh.
Op 28 november 1941 bracht hij in Berlijn een bezoek aan Adolf Hitler, en verzocht hem een verklaring af te leggen van steun aan "de Arabische strijd voor onafhankelijkheid en bevrijding", aan welk verzoek Hitler echter niet wilde voldoen.Gespreksverslag van de ontmoeting van Al-Hoesseini met Hitler, 28-11-1941, NS-Archiv, documenten m.b.t. het nationaalsocialisme. Gearchiveerd op 9 november 2021.