De alligatorschildpad of gierschildpad (Macrochelys temminckii) is een grote schildpaddensoort uit de familie bijtschildpadden (Chelydridae).

Lange tijd was de schildpad de enige soort uit het geslacht Macrochelys, maar in 2014 werd een tweede soort beschreven en was de groep niet langer monotypisch. De alligatorschildpad werd beschreven door Gerard Troost en is vernoemd naar een Nederlander; Coenraad Jacob Temminck (1778 - 1858).

De schildpad komt voor in delen van Noord-Amerika, met name rond het rivierenstelsel van de Mississippirivier. De alligatorschildpad had vroeger een groter verspreidingsgebied en kwam veel algemener voor dan tegenwoordig het geval is. Er werd veelvuldig en langdurig gejaagd om het vlees en nog steeds wordt het dier hierdoor bedreigd, zij het in mindere mate. De alligatorschildpad leeft in meren en moerassen, de schildpad is sterk aan water aangepast en komt er zelden uit. Op het menu staan voornamelijk vissen die met de wormvormige tong worden gelokt wat een uniek kenmerk is in de dierenwereld.

De schildpad kan een schildlengte bereiken van meer dan zestig centimeter en is een van de grootste zoetwaterschildpadden ter wereld en de grootste van Noord-Amerika. De soort staat bekend als agressief en kan met de grote kaken vervaarlijk bijten.

Naam en indeling thumb|180px|De alligatorschildpad is vernoemd naar Coenraad Jacob Temminck. De wetenschappelijke naam van de soort werd voor het eerst in 1835 voorgesteld door de Nederlands-Amerikaanse arts en natuuronderzoeker Gerard Troost ('s-Hertogenbosch, 1776 - Nashville, 1850). Oorspronkelijk werd de wetenschappelijke naam Chelonura temminckii gebruikt. De geslachtsnaam is in het verleden zowel Macroclemys als Macroclemmys geweest, waardoor in de literatuur niet altijd de juiste naam wordt gebruikt.

De geslachtsnaam Macrochelys is afgeleid van woorden uit de Griekse taal en betekent vrij vertaald 'grote schildpad'; makros = groot en khelus = schildpad. De soortaanduiding temminckii is een eerbetoon aan de Nederlandse zoöloog Coenraad Jacob Temminck (1778 - 1858).

De alligatorschildpad was lange tijd de enige soort uit het toen monotypische geslacht Macrochelys. In 2010 werd voorgesteld om de populaties rond de Suwanneerivier als een aparte variatie te beschouwen op basis van DNA-onderzoek. In 2014 werd de alligatorschildpad opgesplitst in drie verschillende soorten, de populaties van Suwannee worden tegenwoordig als een aparte soort gezien; Macrochelys suwanniensis. Een tweede voorgestelde soort, Macrochelys apalachicolae, wordt tegenwoordig niet meer erkend. .

De alligatorschildpad wordt in verschillende bronnen wel aangeduid als een 'prehistorische' of 'primitieve' soort vanwege het afwijkende uiterlijk in vergelijking met andere schildpadden. In werkelijkheid zijn de vertegenwoordigers van het geslacht Macrochelys, waartoe de schildpad behoort, vrij recent ontstaan. De oudst bekende soort (Macrochelys schmidti) leefde vijftien tot twintig miljoen jaar geleden waar de eerste als zodanig te herkennen schildpadden ongeveer 200 miljoen jaar geleden zijn ontstaan.

Uiterlijke kenmerken thumb|400px|Belangrijkste lichaamskenmerken van de alligatorschildpad, afgebeeld is waarschijnlijk een vrouwtje: 1 = De kop is vergroot en draagt een gehaakte bovenkaak. 2 = De oogomgeving is voorzien van vlezige uitsteeksels. 3 = Het rugschild draagt supramarginaalschilden. 4 = De schildplaten op het midden zijn gestekeld. 5 = De staart draagt geen opvallende stekels. 6 = De poten dragen zwemvliezen en klauwen. 7 = Het buikschild is smal en kruisvormig. 8 = De achterste marginalen hebben doornachtige punten. 9 = Mannetjes hebben een lange pre-cloacale staartbasis. De alligatorschildpad is een van de grootste en zwaarste zoetwaterschildpadden ter wereld. Het dier heeft daarnaast een opvallend uiterlijk, zoals een van richels en stekels voorzien rugschild en een opvallend klein buikschild. Daarnaast heeft de schildpad een grote en brede kop, krachtige klauwen en een opvallend lange staart.

Lichaamslengte en gewicht De alligatorschildpad kan een schildlengte bereiken van ongeveer 66 centimeter, althans de veel grotere mannetjes. Dergelijk grote dieren kunnen een gewicht hebben van ongeveer 100 kilogram. De meeste exemplaren blijven echter kleiner en hebben een schildlengte van ongeveer veertig tot vijftig cm en een gewicht van 70 tot 80 kilo. De totale lichaamslengte inclusief de kop en de relatief lange staart kan bij grote exemplaren oplopen tot ongeveer anderhalve meter waarmee het de grootste zoetwaterschildpad van Noord-Amerika is.

In het verleden zijn wel bevestigde grotere en zwaardere exemplaren opgemeten. Voorbeelden zijn een exemplaar dat in 1980 werd beschreven en een schildlengte had van tachtig cm. In 1987 werd een dier gewogen dat 113 kg woog. Ongeverifieerde waarnemingen van een dier uit 1948 (227 kg) en een exemplaar van 183 kg dat in 1937 in de Neoshorivier werd gevangen, worden vaak genoemd in de literatuur. Dergelijke records, geverifieerd of niet, zijn echter al meer dan veertig jaar oud en komen uit een tijd dat de schildpad nog in grote aantallen voorkwam in het wild. Exemplaren die een schildlengte bereiken van meer dan zestig centimeter zijn vandaag de dag uiterst zeldzaam.

Kop De kop van de alligatorschildpad is te groot om te worden teruggetrokken in het schild. De kop is relatief zeer breed en bestaat voor het grootste deel uit kaak, waarvan de kaakspieren tot de krachtigste uit de schildpaddenwereld behoren. De kaken zijn breed en hebben scherpe randen, de bek kan zeer ver worden opengesperd in vergelijking met andere schildpadden, inclusief de bijtschildpad. De bovenzijde van de bovenkaak is voorzien van een omlaag gekromde, snavel-achtige haak. Deze is zeer scherp en wordt gebruikt om prooien te spietsen. Op de mondbodem is een opvallende tong aanwezig, die eindigt in een grijzige, langwerpige structuur die op een worm lijkt, een dergelijke structuur wordt wel vermifoor genoemd. De tong wordt gebruikt om prooien te lokken en dit vermogen om de tong hiervoor te gebruiken is uniek binnen de dierenwereld. Als de tong gebruikt wordt om vissen te lokken wordt deze volgepompt met bloed en krijgt een helder rode kleur.

De kop is bepantserd met grote schubben aan de zijkanten en de bovenzijde. Op de nek en de kin zijn vlezige, onregelmatige huidbultjes en huidflappen aanwezig. De ogen zijn lateraal geplaatst; ze zijn aan de zijkanten van de kop gelegen. Dit in tegenstelling tot de gelijkende bijtschildpad waarbij de ogen meer dorsaal geplaatst zijn, aan de bovenkant van de kop. Rondom de ogen is bij de alligatorschildpad een krans van vlezige uitsteekseltjes aanwezig.

Rugschild thumb|Het rugschild bestaat uit drie lengtekielen met opstaande stekels in het midden van de rugplaten. Het carapax of rugschild bestaat net als andere schildpadden uit hoornplaten waarvan de middelste rij de ventraal- of wervelschilden worden genoemd. Aan weerszijden hiervan bevindt zich een rij costaal- of ribschilden en aan de rand van het schild is een aantal marginaal- of randschilden gelegen. Er zijn altijd 23 marginaalschilden aanwezig die het schild omringen. De alligatorschildpad heeft tussen de marginaal- en de costaalschilden en extra rij schilden die de supramarginaalschilden worden genoemd. Het aantal kan variëren tussen drie en acht, meestal komen drie van dergelijke schilden voor. Supramarginaalschilden zijn onder de moderne zoetwaterschildpadden alleen bekend van de alligatorschildpad, ze zijn daarnaast alleen gevonden bij een aantal uitgestorven soorten. De schilden moeten niet verward worden met de inframarginaalschilden, dit is een rij schildplaten die soms voorkomt bij schildpadden, maar dan aan de buikzijde.

De kleur van het rugschild is in de basis donkerbruin tot donkergrijs of geheel zwart. Het schild is vanwege de waterminnende levenswijze vrijwel altijd begroeid met algen die soms het gehele schild aan het zicht onttrekken. Met name algen kunnen zo overvloedig voorkomen dat het schild niet meer als zodanig te herkennen is. Dergelijke exemplaren worden wel 'moss-backs' genoemd, Engels voor 'mos-ruggen'. De schildpad heeft weinig last van de begroeiing omdat het geen snelle zwemmer is en bovendien zorgt de aangroei voor een uitstekende camouflage omdat het dier nagenoeg onzichtbaar is voor prooidieren.

Op alle wervel- en ribschilden is een uit-stekende, naar achteren gerichte punt aanwezig op ongeveer het midden van iedere schildplaat die verbonden worden met een opstaande kiel. Hierdoor ontstaan drie duidelijk zichtbare lengtekielen die ononderbroken of soms onderbroken kunnen zijn en de schildpad een enigszins krokodil-achtig uiterlijk geven. Kielen op het rugschild komen bij wel meer schildpadden voor, zoals de verwante bijtschildpadden. Dergelijke kielen zijn echter met name geprononceerd bij de juveniele dieren en vervagen of verdwijnen geheel als de dieren ouder worden. Bij de alligatorschildpad blijven de kielen het gehele leven behouden en groeien mee met de schildplaten.

Buikschild Het plastron of buikschild heeft een grijze kleur en is soms gevlekt, de benen brug tussen het rug- en buikschild is relatief smal. Het buikschild is gereduceerd en bedekt slechts een deel van de onderzijde waardoor het een kruisvorm heeft. De plastronformule is als volgt: fem >< pect > an > hum > intergul > abd. Door het kleine buikpantser hebben de poten echter een grote bewegingsvrijheid waardoor deze gemakkelijk omlaag en naar voren kunnen worden gericht. De schildpad is weliswaar een slechte zwemmer maar kan zich in vergelijking met andere watergebonden soorten efficiënter over de bodem verplaatsen.

Staart thumb|Een skelet van de alligatorschildpad waarbij de relatief lange staart te zien is. De dunne staart is bijna even lang als het schild en heeft drie rijen bultjes aan de bovenzijde. Deze zijn echter niet zo opvallend als de rijen grote beenplaten op de staart van de bijtschildpad, die bovendien maar twee rijen uitsteeksels bezit. Aan de onderzijde wordt de staart beschermd door een mozaïek van vele kleine schubben. De staart van de mannetjes is aanzienlijk langer dan die van de vrouwtjes en met name het pre-cloacale deel, dit is het deel van de staart dat voor de cloaca is gelegen. Bij vrouwtjes groeit het pre-cloacale deel van de staart langzaam en is bij een volwassen exemplaar gemiddeld ongeveer 8,5 centimeter. Bij de mannetjes groeit de staart veel sneller en meet het laatste deel van de staart gemiddeld ongeveer 17 centimeter bij een volwassen geworden exemplaar.

Poten De poten zijn breed en krachtig, ze zijn voorzien van goed ontwikkelde zwemvliezen. Alle poten dragen lange en scherpe klauwen die worden gebruikt om voedsel dat met de bek wordt vastgehouden af te scheuren. De poten hebben een relatief grote bewegingsvrijheid door het sterk versmalde plastron. De poten worden ook gebruikt tijdens de paring, het mannetje grijpt hierbij een vrouwtje met zijn voorpoten rond de verbindingsbrug tussen buik- en rugschild. Met de achterpoten worden de achterste marginaalschilden van het rugschild vastgeklemd.

Geslachtsonderscheid Mannetjes zijn van vrouwtjes te onderscheiden door een aanmerkelijk langere en dikkere staart en een iets holler buikschild. Daarnaast worden mannetjes aanzienlijk groter dan vrouwtjes.

Voortplanting en ontwikkeling thumb|Uitsluipende eieren van de alligatorschildpad. Het paarseizoen verschilt enigszins per geografische locatie, in Florida vindt de paring plaats van februari tot april. In de Mississippivallei vindt de voortplantingstijd wat later plaats van april tot juni en in Oklahoma pas in oktober. Bij de vrouwtjes ontwikkelen de eicellen zich voor het winterseizoen, waar deze bij andere schildpadden pas vlak voor de bevruchting rijpen.

Paring