De soepschildpad of groene zeeschildpad (Chelonia mydas) is een schildpad die behoort tot de familie van de zeeschildpadden (Cheloniidae). De soepschildpad is van de zeven soorten uit deze familie de grootste. De soort heeft tevens het grootste verspreidingsgebied: de soepschildpad komt in tropische en gematigde wateren overal voor.
De soepschildpad heeft een schildlengte van bijna een meter. Het dier is van andere soorten te onderscheiden door de verschillen in de schubben op de kop en de structuur van de hoornschilden op het rugschild. Jonge soepschildpadden leven voornamelijk van dierlijk materiaal. Behalve met planten voeden zij zich ook met kleine vissen, kreeftachtigen als kleine kreeftjes en garnalen, en kwallen. Naarmate de zeeschildpadjes groter worden, veranderen ze steeds meer in pure planteneters. Volwassen exemplaren zijn herbivoor en eten vooral zeegras (Zostera) en verschillende algen.
De soepschildpad dankt zijn naam aan het feit dat het dier voor consumptie werd gevangen. Dat heeft in het verleden op grote schaal plaatsgevonden. Tegenwoordig is de schildpad vrij zeldzaam en door internationale verdragen beschermd. Menselijke activiteiten zoals het illegaal rapen van de eieren alsook het onbedoeld doden van de schildpad als bijvangst in de visserij drukken tegenwoordig nog steeds zwaar op de populaties.
Naamgeving en taxonomie De Nederlandse naam soepschildpad slaat op het gebruik van het vlees voor consumptie door de mens. Ook de naam groene zeeschildpad slaat op het vlees dat een groene kleur heeft als gevolg van het eten van planten en algen. De wetenschappelijke naam Chelonia mydas betekent letterlijk natte schildpad; de geslachtsnaam Chelonia is afgeleid van Oudgrieks χελώνη (chelōnē), 'schildpad' en de soortaanduiding mydas van Oudgrieks μύδος (mudos), 'nattigheid'.
De soepschildpad behoort tot de zeeschildpadden (Cheloniidae), een familie van schildpadden die uitsluitend in zee leven. De soepschildpad behoort tot de onderorde Cryptodira of halsbergers, een groep van schildpadden waarvan de soorten de kop en poten kunnen terugtrekken in het schild. De zeeschildpadden vormen hierop echter een uitzondering omdat ze dit vermogen door het permanent in zee zwemmen hebben verloren. De enige andere schildpad die in zee leeft en niet tot de familie zeeschildpadden behoort, is de lederschildpad (Dermochelys coriacea). Dit komt doordat deze soort afstamt van een vroege afsplitsing van de schildpadden. De soepschildpad is het nauwst verwant aan de platrugzeeschildpad (Natator depressus) en minder aan de overige vier soorten die als aparte groep zijn geëvolueerd.Kailua Turtle Watch Program - Modern Sea Turtles - kailuahonu.org: "Evolution Timeline"
De soepschildpad werd in 1758 door Carl Linnaeus vermeld als Testudo mydas in de tiende editie van Systema naturae. Tegenwoordig behoort het geslacht Testudo tot de landschildpadden (Testudinidae). Door de jaren heen werd de soort onder andere beschreven als Mydas viridis en Euchelus macropus en werd onder de geslachten Natator en Euchelus gebracht. Schweigger was de eerste die het geslacht Chelonia beschreef, dat tegenwoordig monotypisch is, alleen de soepschildpad behoort tot Chelonia.
Onderstaand een lijst van een aantal synoniemen van de soepschildpad: thumb|right|260px|Met de hand ingekleurde Litho van Heinrich Rudolf Schinz uit 1833 waarbij de wetenschappelijke naam Caretta esculenta werd gebruikt.
Ondersoorten Er werden ooit drie ondersoorten onderscheiden, maar deze worden niet meer erkend. De voormalige ondersoort Chelonia mydas agassizi werd soms wel beschreven als een aparte soort. Fritz et al. (2007) erkent deze soort echter niet en ook de voormalige ondersoort Chelonia mydas japonica wordt niet vermeld. De taxonomische status van een vierde ondersoort, Chelonia mydas carrinegra, was lange tijd onzeker.
Voor de volledigheid onderstaand een lijst van de voormalige ondersoorten: Chelonia mydas mydas Linnaeus, 1758. Deze ondersoort staat wel bekend als de Atlantische soepschildpad en wordt gemiddeld iets groter. De ondersoort komt voor in de Atlantische Oceaan. Chelonia mydas agassizi Bocourt, 1868. Ook wel de Pacifische soepschildpad, komt voor in het oostelijke deel van de Grote Oceaan, Hawaï, Galapagoseilanden, Papoea-Nieuw-Guinea. Chelonia mydas japonica Thunberg 1787). Westelijke deel van de Grote Oceaan en Indische Oceaan.
Veldkenmerken thumb|De hoornschilden van het rugschild:
Het schild van de soepschildpad kan een lengte bereiken van 90 tot 100 centimeter. Het gewicht van dergelijke exemplaren bedraagt meestal niet meer dan 160 kilo. Het grootst bekende exemplaar werd met een schildlengte van 153 centimeter aanzienlijk langer, hetgeen een zeldzame uitschieter is.
Het schild is laag en breed en enigszins hartvormig, het schild wordt langwerpiger van vorm bij oudere dieren. Het schild heeft een duidelijke lengtekiel op het midden, getande of gezaagde hoornschilden ontbreken. Jonge dieren hebben een bulterig schild, dit trekt bij naarmate het dier ouder wordt. Heel oude exemplaren hebben een vrijwel glad schildoppervlak. De kleur van het schild is variabel, meestal bruin tot groen of met lichtere, straalsgewijze tot golvende strepen die geel, wit of rood kunnen zijn. Begroeiing door algen en andere organismen kan de werkelijke kleur maskeren. Het buikschild is wit tot witgeel van kleur. Pasgeboren juvenielen zijn glanzend zwart aan de bovenzijde en helder wit aan de onderzijde.
Het rugschild is voorzien van stevige hoornschilden. Het aantal en de positie van de hoornschilden verschilt per soort en hieraan kunnen de verschillende zeeschildpadden worden onderscheiden. De soepschildpad heeft net als de karetschildpad en de platrugzeeschildpad altijd vijf vertebrale, tot de wervels behorende schilden op het midden van het schild met aan weerszijden vier costale (ook wel laterale) schilden. De onechte karetschildpad heeft steeds vijf costale schilden, net als de warana. Kemps zeeschildpad heeft vijf of meer costale schilden.
De voorpoten zijn net als bij alle zeeschildpadden omgevormd tot krachtige flippers waarmee roeiende bewegingen worden gemaakt tijdens het zwemmen. De achterpoten zijn kort maar relatief breed en dienen als roer. Ze worden door het vrouwtje ook gebruikt bij het uitgraven en weer dichtgooien van het nest. De huid van de kop en de poten is variabel van kleur, van groen tot geelachtig of bruin. De schubben zijn vaak heel donker gekleurd tot zwart. Door de lichtere huid ertussen ontstaat een nettekening op de kop en poten. Op iedere voorpoot is een duidelijk zichtbaar, kegelvormig uitsteeksel aanwezig dat wit van kleur is en bekendstaat als het klauwrestant. Het is een overblijfsel van de 'vingers' van de schildpad; zowel de vingers als de tenen zijn bij alle zeeschildpadden verdwenen. Het klauwrestant is gepositioneerd op ongeveer twee derde vanaf de basis van de voorpoot, aan de voorzijde. De soepschildpad is van de karetschildpad te onderscheiden doordat de laatste soort telkens twee van deze klauwresten heeft, de tweede zit meer naar het uiteinde. De onechte karetschildpad heeft soms één en soms twee klauwresten en is hieraan dus niet altijd te onderscheiden.
thumb|Kopschubben van de soepschildpad:
In vergelijking met andere zeeschildpadden zijn de schubben op de kop kenmerkend voor de soepschildpad. De soepschildpad heeft één paar schubben tussen de ogen, die de prefrontale schubben worden genoemd. De karetschildpad, de onechte karetschildpad, de warana en Kemps zeeschildpad hebben hier twee paar schubben waarbij er bij de onechte karetschildpad een vijfde schub in het midden van de vier schubben aanwezig is, de interprefrontale schub.
De ogen zijn relatief groot en hebben een ronde pupil. Ze kunnen volledig worden gesloten door de beweegbare onderste en bovenste oogleden die geelachtig van kleur zijn. De lens of aquula is aangepast op het zien onder water. De soepschildpad heeft net als alle zeeschildpadden zoutklieren. Dit zijn gespecialiseerde en sterk aangepaste traanklieren die het bij het voedsel ingeslikte zout uitscheiden. De zoutklieren zijn een van de grootste constructies in de schedel en zijn groter dan de hersenen. De zoutklieren lopen inwendig over het oog. Het uitgescheiden zout is bij zich in het water bevindende dieren niet te zien maar de eierleggende vrouwtjes lijken door de constante afscheiding te 'huilen'. Ook de juvenielen hebben direct functionerende zoutklieren, die relatief veel groter zijn dan die van volwassen exemplaren. De zoutklieren zijn belangrijk omdat ze de taak van de nieren gedeeltelijk overnemen; de schildpad krijgt zoveel zout binnen dat de nieren het afvoeren ervan niet aankunnen.Peter L. Lutz, John A. Musick & Jeanette Wyneken - The Biology of Sea Turtles - Website
De soepschildpad heeft als een van de weinige zeeschildpadden geen uit-stekende, snavelachtige punt aan het einde van de bek. De onder- en bovenzijde van de bek, die ook wel tomium wordt genoemd, sluiten goed op elkaar aan. De rand van de bek is tandachtig gezaagd, wat een aanpassing is op het eten van planten, zie ook onder het kopje voedsel.
De schildpad heeft een slakkenhuis, een stijgbeugel en een trommelvlies, maar omdat deze laatste verborgen zit achter de tympale schub heeft de soepschildpad geen best gehoor. Het oor van de schildpad is het meest gevoelig voor geluiden met een frequentie tussen 300 en 400 hertz, maar geluiden met een frequentie tot 2000 hertz kunnen worden waargenomen.S.H. Ridgway, E.G. Wever & J.G. McCormick - Hearing in the Giant Sea Turtle, Chelonia mydas - Website
Mannetjes zijn van de vrouwtjes te onderscheiden aan hun grootte; mannetjes worden gemiddeld langer en hebben een relatief smaller rugschild. Het schild loopt bij de mannetjes taps toe aan de achterzijde in vergelijking met de vrouwtjes. De staart is bij vrouwtjes relatief kort en komt niet ver voorbij de rand van het rugschild, de staart van de mannetjes is veel langer en beweeglijk in zijwaartse positie. Aan het einde van de staart is een verhoornd, nagelachtig uitsteeksel aanwezig dat bij de vrouwtjes ontbreekt en gebruikt wordt om het vrouwtje tijdens de paring vast te houden. Ten slotte hebben de mannetjes een groter en naar achter gekromd klauwrestant aan de voorpoot, wat eveneens dient om het vrouwtje beter te ankeren tijdens de paring.
Onderscheid met andere soorten De soepschildpad is gemakkelijk te verwarren met verschillende andere soorten, zie ook zeeschildpadden. De belangrijkste onderscheidende kenmerken met de zes andere in zee levende schildpadden zijn: Lederschildpad (Dermochelys coriacea): wordt veel groter en mist hoornschilden op het schild. Het schild heeft zeven kielen waarvan er vijf duidelijk zichtbaar zijn. Niet te verwarren. Onechte karetschildpad (Caretta caretta): Eén of twee klauwrestanten, altijd twee paar schubben tussen de ogen, de soepschildpad heeft één paar. Karetschildpad (Eretmochelys imbricata): Blijft kleiner tot 90 centimeter, heeft duidelijk overlappende rugschilden. Duidelijk snavelachtig uitsteeksel aan de voorzijde van de bek. Heeft twee paar schubben tussen de ogen, de soepschildpad heeft één paar. Kemps zeeschildpad (Lepidochelys kempii): blijft met maximaal 70 centimeter kleiner, afgeronde bek Warana (Lepidochelys olivacea): blijft met maximaal 70 centimeter kleiner, afgeronde bek Platrugzeeschildpad (Natator depressus): heeft een relatief plat rugschild.
Levenswijze thumb|De soepschildpad is de enige zeeschildpad waarvan bekend is dat weleens een zonnebad wordt genomen. Afgebeeld zijn twee exemplaren uit Papahānaumokuākea, Hawaï, samen met twee maskergenten.
De levenswijze van de soepschildpad is goed onderzocht, het is een van de langst bestudeerde schildpadden en veel van wat we weten over de zeeschildpadden is uit waarnemingen van de soepschildpad bekend zoals het feit dat grote afstanden worden afgelegd.