Joseph Johann (Jupp) Kotalla (Bismarckhütte, 14 juli 1908 – Breda, 31 juli 1979) was een Duitser die tijdens de Tweede Wereldoorlog hoofd van de administratie en de facto plaatsvervangend commandant van Kamp Amersfoort was. Hij behoorde tot de Vier van Breda en nadien tot de Drie van Breda. Hij zat na de oorlog een levenslange gevangenisstraf uit wegens oorlogsmisdaden. Kotalla is de enige Duitse oorlogsmisdadiger die in Nederlandse gevangenschap overleed.
Jeugd en vroege loopbaan Kotalla werd geboren op 14 juli 1908 in Bismarckhütte in Opper-Silezië, toen onderdeel van het Duitse rijk. Hij was de op één na oudste van vijf kinderen. Zijn moeder was Agnes Pyrczyk en zijn vader Josef Kotalla sr., die werkte in de lokale ijzersmelterij.
Kotalla presteerde slecht op school. Druk van zijn moeder werkte averechts en leidde ertoe dat hij angstig en gespannen werd. Op negenjarige leeftijd kreeg hij een zware hersenschudding, waardoor hij anderhalf jaar in het ziekenhuis verbleef. Hij had een ingewikkelde relatie met zijn vader, wat de jongere Kotalla weet aan zijn vermoeden dat hij een buitenechtelijk kind was, iets wat onbewezen bleef.
Na de Eerste Wereldoorlog en de werd het deel van Opper-Silezië waar Bismarckhütte toe behoorde onderdeel van Polen. Omdat Kotalla's vader zich verzet had tegen de inlijving, vielen gewapende Polen in 1922 zijn woning binnen. Kotalla probeerde zijn vader te beschermen, waarna de Polen dreigden hem te vermoorden. De geallieerden wisten hem te ontzetten. Door de ervaring raakte Kotalla buiten zinnen en werd hij tijdelijk opgenomen in een ziekenhuis en vervolgens een zenuwinrichting.
Toen Kotalla op veertienjarige leeftijd de school verliet, regelde zijn vader een baan als administratief leerling op zijn afdeling. Nadien kwam hij te werken op twee andere afdelingen, maar hij was daar niet succesvol en keerde terug naar administratief werk. In 1936 of 1937 verloor hij zijn baan omdat er te weinig werk was in de smelterij. Korte tijd werkte hij als arbeider in de fabriek, maar werd in 1937 ontslagen omdat hij fysiek te zwak was.
Na een jaar werkloosheid werkte hij in nabijgelegen mijnen. Het werk was opnieuw te zwaar en hij moest in het ziekenhuis behandeld worden voor builen onder zijn armen. Hij werkte vervolgens korte tijd als tuinarbeider totdat hij een zenuwinzinking kreeg en opnieuw opgenomen werd in een zenuwinrichting. Toen hij terugkeerde in begin 1939 mocht hij weer aan de slag op de administratie van de smelterij.
In de jaren 1930 had Kotalla zich aangesloten bij de , een organisatie opgericht door nationaalsocialisten in Opper-Silezië. Terwijl repressie tegen de Duitse minderheid toenam en spanningen tussen Duitsland en Polen escaleerden, vluchtten Kotalla en zijn broers in maart 1939 naar Duitsland om te ontkomen aan de Poolse mobilisatie. Na de invasie van Polen keerde hij terug en ging verder met zijn werk bij de smelterij in september 1939.
Tweede Wereldoorlog Kotalla werd na de Duitse inval in Polen opgeroepen voor Duitse militaire dienst, werd ingedeeld bij de SS. In 1941 vertrok hij naar Nederland.Piersma, Hinke (2005) De drie van Breda. Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap 1945-1989, p. 43 Hij kwam te werken bij de Cellenbarakken van de Scheveningse gevangenis. Hij ontmoette in die tijd zijn eerste – uit het Duitse Kleef afkomstige – echtgenote met wie hij in 1941 trouwde; bij het aangaan van het huwelijk was zij zeventien jaar.Mink, Ton (2005) De Drie van Breda, p. 101 In september 1942 werd hij door Schutzhaftlagerführer II Karl Peter Berg aangesteld in Kamp Amersfoort. Hij trad er in dienst als kamp-SS'er en werd er hoofd van de Schreibstube, de administratie. Hij begon zijn werkzaamheden op Abteilung III (Afdeling 3).
Ook na zijn aanstelling in Amersfoort werd Kotalla psychiatrisch behandeld. Vanaf december 1942 tot circa april 1943 werd hij verpleegd op de psychiatrische afdeling van een Duits militair ziekenhuis. In Kamp Amersfoort werd hij na zijn terugkeer uit het ziekenhuis UnterSchutzhaftlagerführer, in welke functie hij Berg verving als commandant bij diens afwezigheid. Als SS-Oberscharführer was hij gedetacheerd bij de Sicherheitsdienst van het kamp. Naar eigen zeggen bleef Kotalla in Kamp Amersfoort werkzaam tot 20 april 1945. Hoewel hij nog steeds getrouwd was, hield hij er in het kamp meer dan eens een minnares op na. In de loop van 1944 kreeg Kotalla een relatie met de toen 21-jarige Amersfoortse Louisa Johanna (Loes) van den Bogert, zij was een typiste die werkte op Abteilung III van het kamp.
Kotalla werd gekwalificeerd als de beruchtste kampbeul van Kamp Amersfoort en had als bijnaam de Beul van Amersfoort. Hij was opvliegend van aard, slikte pervitine, dronk liters jenever en had het voornamelijk voorzien op Joden en priesters. Kotalla stond onder andere bekend om zijn wreedheid tijdens het dagelijks appel, waarbij hij gevangenen schopte en sloeg met een knuppel. In een geval liet hij bij wijze van strafexercitie gevangenen op hun rug liggen en liep dan met zijn laarzen stampend over de liggende mensen. Hij had er schik in om de gevangenen slechts vijf minuten de tijd te gunnen om hun warme maaltijd te verorberen.Jong, L. de (1978) Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, 1939-1945, deel 8, tweede helft, p. 621 In zeker één geval liet hij zijn herdershond los op een gevangene. Hij schopte ook tussen de benen van de gevangenen; in het kamp werd dit de 'Kotalla-trap' genoemd. Kotalla maakte diverse keren deel uit van een vuurpeloton.
Veroordeling left|thumb|Jupp Kotalla vlak na zijn arrestatie, gefotografeerd in de Bergstraat in Amersfoort. Hij probeerde zijn SS-identiteit te verhullen door het dragen van een Luftwaffe-uniform. (1945) Op 14 december 1948 werd Kotalla door het Amsterdamse Bijzonder Gerechtshof ter dood veroordeeld. De Bijzondere Raad van Cassatie liet Kotalla psychiatrisch onderzoeken door een zenuwarts. Deze concludeerde op 4 oktober 1949 dat hij tijdens het plegen van zijn misdrijven "niet verminderd toerekenbaar" was en dat "zijn nerveuze aanleg niet als verontschuldiging kan dienen voor de vele door hem gepleegde mishandelingen, aangezien zij daarvoor een te duidelijk systematisch karakter vertonen". Mede op basis van deze conclusie werd op 5 december 1949 de doodstraf gehandhaafd.
Op verzoek van zijn advocaat werd een tweede psychiatrisch onderzoek uitgevoerd dat in een rapport van 18 maart 1950 concludeerde dat hij wel degelijk verminderd toerekeningsvatbaar was. Uiteindelijk werd Kotalla op verzoek van zijn raadsman door de psychiaters Pieter Baan en H.C. Rümke onderzocht in de Psychiatrische Observatie Kliniek in Utrecht. Deze gaven op 5 juni 1951 eveneens aan dat Kotalla verminderd toerekeningsvatbaar was. Volgens hen had Kotalla een dwangneurotisch karakter dat mede een gevolg was van een "organische beschadiging" van het centraal zenuwstelsel, alsook een "infantiel realiteitsbesef".Piersma, Hinke (2005) De drie van Breda. Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap 1945-1989, p. 44 Het rapport geeft aan:
Op grond van het laatste psychiatrische rapport werd op 5 december 1951 bij koninklijk besluit de doodstraf omgezet in een levenslange gevangenisstraf.
Koepelgevangenis Breda Kotalla werd op 7 november 1952 met de Duitse oorlogsmisdadigers Ferdinand aus der Fünten en Franz Fischer vanuit de strafgevangenis Norgerhaven in Veenhuizen in de koepelgevangenis van Breda opgesloten.Mink, Ton (2005) De Drie van Breda, p. 133+135 De Duitse oorlogsmisdadiger Willy Lages volgde op 24 februari 1955.Mink, Ton (2005) De Drie van Breda, p. 133 Na de vrijlating van alle andere oorlogsmisdadigers in Breda en elders in Nederland, begin jaren zestig, werd dit kwartet aangeduid als de Vier van Breda. Na de vrijlating van Lages in 1966 werd het overgebleven trio de Drie van Breda genoemd.
Kotalla scheidde in 1960 van zijn vrouw. De echtscheiding was door zijn echtgenote aangevraagd. Ze hadden geen kinderen. Een jeugdliefde was Kotalla vanaf 1957 maandelijks een brief gaan schrijven. Met haar trouwde hij op 28 december 1966 in de koepelgevangenis. Aus der Fünten, Fischer en twee tantes van Kotalla waren bij de huwelijksplechtigheid aanwezig. Zijn tweede echtgenote bezocht hem jaarlijks op zijn verjaardag en met kerst.Mink, Ton (2005) De Drie van Breda, p. 101-102Kotälla is vanmorgen getrouwd, Nieuwsblad van het Noorden, 28 december 1966
In de koepelgevangenis van Breda bracht Kotalla zijn dagen door in de werkbarak voor textielgoederen. Het verstellen en maken van kledingstukken was echter niet zijn favoriete bezigheid. Begin jaren zeventig werd hij hiervoor wegens hartklachten afgekeurd. Als hobby kweekte Kotalla jarenlang maanvissen in zijn cel. Hij bezat tot honderden exemplaren. Nakomelingen werden door een bewaarder tegen visvoer ingeruild bij een plaatselijke dierenwinkel. Op die manier kon hij zijn hobby op een goedkope manier uitoefenen.Mink, Ton (2005) De Drie van Breda, p. 69-70 Toen hij 65 jaar werd, vroeg hij vergeefs een AOW-uitkering aan. Hiervoor had Kotalla zelfs op eigen kosten een advocaat ingeschakeld. Het verzoek werd afgewezen, waarop Kotalla een rechtszaak aanspande, die hij ook verloor.
In de nacht van 30 op 31 oktober 1973 kreeg Kotalla een hersenbloeding en werd hij overgebracht naar een ziekenhuis in Scheveningen. Het rechterdeel van zijn lichaam was verlamd geraakt en hij kwam in een rolstoel terecht. Praten en lopen moest hij opnieuw leren. Wat lopen betreft, kwam hij nooit meer verder dan wat schuifelen. Kotalla wilde per se teruggebracht worden naar de koepelgevangenis in Breda. Hij gaf als reden dat hij in Scheveningen in isolatie zat en zijn vertrouwde omgeving in Breda miste. Zijn verzoek werd geweigerd, waarop hij op 26 november 1974 in hongerstaking ging. Uiteindelijk werd hij op 6 december 1974 alsnog teruggebracht naar de koepelgevangenis in Breda. Op 18 mei 1975 werd hem het sacrament der stervenden toegediend, maar hij bleef in leven. Op 22 juli 1976 vroeg hij in een kort geding om tijdelijke vrijlating. Zijn advocaten gaven als argument dat zijn gezondheidssituatie verdere detentie onmogelijk maakte. Ook gaven ze aan dat Kotalla gediscrimineerd werd omdat meerdere andere oorlogsmisdadigers al vrijgelaten waren. De rechtbank wees zijn vorderingen af. In hoger beroep gebeurde dat opnieuw, net als bij de Hoge Raad op 11 februari 1977. Kotalla liet het er niet bij zitten en stapte naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, maar in 1978 ving hij ook daar bot.
Dood Kotalla stierf in de Bredase gevangenis in 1979. Een van de nonnen die hem in zijn laatste weken verzorgde, was als enige bij zijn overlijden aanwezig. Zijn lichaam werd naar het mortuarium van Huize Elisabeth in Zundert gebracht, waar zijn geestelijk verzorger was aangesteld als rector. Kotalla kreeg een rooms-katholieke uitvaartdienst, maar er werd voor de buitenwereld geen ruchtbaarheid aan gegeven. Op 2 augustus, twee dagen na zijn overlijden, werd hij in Breda op rijkskosten gecremeerd.
Zijn as werd op Kotalla's verzoek naar de begraafplaats in het Duitse Fulda verstuurd, waar zijn tweede echtgenote woonde. Het verzenden gaf problemen, omdat de naam Joseph Johann Kotälla gebruikt werd en in West-Duitsland die naam onbekend was doordat zijn officiële geslachtsnaam zonder umlaut geschreven wordt.Piersma, Hinke (2005) De drie van Breda. Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap 1945-1989, p. 161Fühner, Harald (2005) Nachspiel. Die niederländische Politik und die Verfolgung von Kollaborateuren und NS-Verbrechern, 1945-1989, p. 13 Ook bij de Burgerlijke Stand in Breda bleek hij al die jaren zonder umlaut te zijn ingeschreven. De West-Duitse ambassade in Den Haag bleek hem ook alleen te kennen zonder umlaut. Uiteindelijk werd de as aanvang september 1979 onder zijn geslachtsnaam zonder umlaut naar West-Duitsland verzonden. De urn werd in het graf van zijn schoonouders gelegd.