De coloradokever (Leptinotarsa decemlineata) is een kever die behoort tot de familie van de bladkevers (Chrysomelidae). De kever wordt ongeveer een centimeter lang en lijkt door zijn bolle en ronde lichaam wat op een lieveheersbeestje. Het onderscheid is dat de coloradokever vijf zwarte strepen heeft op elk van de dekschilden, die verder een geel tot geeloranje kleur hebben. De coloradokever voedt zich uitsluitend met bladeren en bloemen van planten uit de nachtschadefamilie. De kever overwintert onder de grond en in de lente leggen de vrouwtjes honderden eitjes. Hoewel de kevers en hun larven giftig zijn, hebben ze in hun oorspronkelijke verspreidingsgebied verscheidene natuurlijke vijanden.

De soort kwam oorspronkelijk alleen voor in zuidelijk Noord-Amerika. Vanaf 1850 is de coloradokever meegereisd met de aardappelplant, toen die over een groot deel van de wereld verspreid raakte. In 1876 werd de Amerikaanse oostkust bereikt en na de Eerste Wereldoorlog kreeg de kever vaste voet aan de grond in Europa. Inmiddels omvat het verspreidingsgebied zo'n acht miljoen vierkante kilometer in Noord-Amerika en zes miljoen in Europa, Azië en Noord-Afrika. Biologen verwachten dat het verspreidingsgebied zich verder zal uitbreiden in gebieden in Azië, Afrika en in gematigde delen van het zuidelijk halfrond.

In nieuw gekoloniseerde gebieden komen geen vijanden voor, waardoor de coloradokever zich daar zeer snel kan vermenigvuldigen. De kevers kunnen in deze gebieden een geduchte plaag vormen voor onder andere de aardappelteelt. Met name de larven zijn erg vraatzuchtig en kunnen aardappelvelden geheel ontbladeren. Men heeft op uiteenlopende manieren getracht om de kevers uit te roeien, bijvoorbeeld door natuurlijke vijanden van de coloradokever te introduceren en door het leger, kinderen en werklozen in te zetten om de insecten te verzamelen en te vernietigen, maar deze pogingen hebben zonder uitzondering gefaald.

Naamgeving en taxonomie miniatuur|links|Thomas Say De wetenschappelijke naam van de soort werd, samen met de eerste beschrijving, in 1824 als Doryphora 10-lineata gepubliceerd door Thomas Say. (1824). Descriptions of Coleopterous Insects collected in the late Expedition to the Rocky Mountains. Journal of the Academy of Natural Sciences of Philadelphia 3: 453 Say was een insectenkundige die tijdens een wetenschappelijke expeditie in opdracht van de Amerikaanse overheid onderzoek deed naar de insecten in het gebied ten oosten van de Rocky Mountains. In 1865 plaatste Carl Stål de soort in het geslacht Chrysomela omdat hij Doryphora vanaf 1862 als een synoniem van Chrysomela beschouwde. (1862). Monographie des chrysomélides de l'Amérique 1: 9 en idem (1865): 3: 322 Stål plaatste overigens in dezelfde publicatie ook Leptinotarsa in de synonymie van Chrysomela. (1863). Monographie des chrysomélides de l'Amérique 2: 156 Ståls synonymie kreeg niet veel navolging; de meeste entomologen bleven de twee geslachten onderscheiden. Niet lang daarna werd de soort naar het geslacht Leptinotarsa verhuisd.Zie onder meer (1988). The Colorado Beetle. The Entomologist 21: 213De naam Doryphora is afgeleid van het Griekse (doruphoros), wat bij Herodotus "lansdrager" betekende. Soorten uit het geslacht Doryphora onderscheiden zich door een naar voren gerichte stekel op de onderkant van het borststuk (zie hier voor een afbeelding). Een coloradokever heeft een dergelijke stekel niet.Inmiddels worden Doryphora en Leptinotarsa beide in de tribus Doryphorini in de onderfamilie Chrysomelinae geplaatst; Chrysomela is uiteraard het typegeslacht van de tribus Chrysomelini, en wordt dus in een andere afdeling van de onderfamilie geplaatst.

De soortnaam decemlineata is uit het Latijn afkomstig en betekent 'tienstrepig' (decem lineatus), en verwijst naar de tien donkere lengtestrepen op de dekschilden van de kever.

De Nederlandstalige naam 'coloradokever' slaat op de Amerikaanse staat Colorado. Men dacht lange tijd dat de kever hier oorspronkelijk vandaan kwam, maar in werkelijkheid kwam de soort zuidelijker voor. De naam coloradokever was echter ingeburgerd en wordt ook in de Engelse taal gebruikt. Andere Engelstalige namen zijn 'ten striped spearman', 'Colorado potato beetle' en 'potato bug'. Deze laatste naam is wat verwarrend, want met 'bugs' worden meestal wantsen aangeduid en dit is een andere groep van insecten. In het Frans en het Spaans wordt vaak de naam 'doríphore / dorífora' gebruikt, een verwijzing naar het geslacht Doryphora waarin de soort aanvankelijk werd geplaatst, en waarnaar ook het Engelstalige 'spearman' nog verwijst. In het Spaans en Duits wordt de soort ook wel aardappelkever genoemd; respectievelijk 'escarabajo de la patata' en 'kartoffelkäfer'.

De coloradokever behoort tot de familie bladkevers (Chrysomelidae), een familie van zo'n 37.000 soorten bladetende kevers.

Uiterlijke kenmerken thumb|280px|De belangrijkste lichaamskenmerken De coloradokever bereikt een lichaamslengte van 8,8 tot 11,3 millimeter en een breedte van ongeveer zeven millimeter. Het lichaam heeft van bovenaf gezien een ovale omtrek en is zoals de meeste bladkevers opvallend bolrond en dik. De lichaamskleur is geel tot geelbruin of -oranje.

De kop is oranjegeel van kleur en ligt verscholen onder het kopschild, dat ter bescherming dient. De ogen zijn zwart en langwerpig. De antennes en palpen (tasters) zijn gesegmenteerd. De antennes zijn korter dan het lichaam. Het uiteinde van de maxillaire palp is cilindrisch en korter dan het voorafgaande segment.

Het borststuk draagt aan de onderzijde drie paar poten en wordt aan de bovenkant beschermd door het halsschild of pronotum aan de voorzijde en de dekschilden of elytra aan de achterzijde. De dekschilden bedekken ook het gehele achterlijf. De drie lichaamsdelen van de kever (kop, borststuk en achterlijf) zijn dus niet direct te onderscheiden vanaf de bovenzijde. Onder de dekschilden is het achterlijf bruin van kleur en het borststuk heeft een zwarte kleur. Hoewel de dekschilden ook wel voorvleugels worden genoemd, zijn ze stijf en dik en kunnen ze niet worden gebruikt om mee te vliegen. Onder de dekschilden zijn de achtervleugels gelegen die dun en vliezig zijn. Deze achtervleugels hebben een donkerrode kleur en komen alleen tevoorschijn als de kever zijn dekschilden optilt om te vliegen.

Op ieder dekschild zijn vijf zwarte lengtestrepen aanwezig, dus tien in totaal. Ook de middennaad waar de dekschilden tegen elkaar aan liggen is zwart van kleur. De eerste streep ligt dicht tegen de buitenrand van het dekschild, de tweede streep is duidelijk korter dan de eerste. De derde en vierde streep komen samen aan de achterzijde van het dekschild. De vijfde streep ten slotte is dicht bij de middennaad op de bovenzijde gelegen. Langs de zwarte lijnen zijn kleine, in onregelmatige rijen gelegen putjes aanwezig die met het blote oog moeilijk zijn te zien. Op het halsschild zijn onregelmatige zwarte vlekjes aanwezig, meestal zijn het er veertien.

De poten zijn vrij lang. Ze kunnen onder het achterlijf worden geborgen, maar blijven – in tegenstelling tot bij lieveheersbeestjes bijvoorbeeld – dan wel nog zichtbaar. De poten zijn oranjebruin van kleur, aan het einde van de dij is een zwarte vlek aanwezig. De uiteinden van de poten worden klauwtjes of tarsi genoemd en bestaan bij ieder potenpaar uit vijf segmenten. De tarsi van mannetjes en vrouwtjes zijn niet geheel identiek. De haartjes op de tarsi van de mannetjes zijn speciaal aangepast om zich vast te haken aan de dekschilden van een vrouwtje. De tarsi van vrouwtjes zijn meer geschikt om zich aan de bladeren van voedselplanten te hechten.

Onderscheid met andere soorten thumb|left|200px|Leptinotarsa juncta De coloradokever is door zijn gele kleur, bolle lichaam en gestreepte dekschilden alleen te verwarren met andere soorten uit het geslacht Leptinotarsa. De meeste soorten binnen dit geslacht zijn eenvoudig te onderscheiden zoals Leptinotarsa rubiginosa, die helderrode dekschilden heeft. De soort Leptinotarsa haldemani heeft een donkere, metalige blauwe tot groene kleur en is niet gestreept. Leptinotarsa juncta heeft wel ongeveer dezelfde kleuren maar is toch makkelijk te herkennen: deze kever heeft behalve zwarte strepen op de dekschilden ook drie bruine strepen. De soort Leptinotarsa texana ten slotte heeft een lichtere streep aan de zijde van de middennaad en deze naad heeft vaak de kleur van de dekschilden.

Verspreiding en habitat thumb|270px| Oorspronkelijke situatie De kever kwam oorspronkelijk voor in delen van New Mexico (VS) in het noorden tot grofweg Coahuila (Mexico) in het zuiden. Dit verspreidingsgebied besloeg de oostelijke delen van de Rocky Mountains, waar de kever vrijwel uitsluitend leefde op zijn waardplant, de stekelnachtschade (Solanum rostratum). De aardappelplant, die oorspronkelijk groeide langs de westkust van noordelijk Zuid-Amerika, behoort tot hetzelfde geslacht en is er dus nauw aan verwant.

De aardappel kwam niet voor in de streken waar de kever leefde, tot de mens op grote schaal aardappelen ging verbouwen in Noord-Amerika. De aardappelvelden werden eerst in het oosten van de VS geplant, en later werden westwaarts steeds meer aardappelvelden aangelegd. Rond 1850 begonnen de aardappelvelden het natuurlijke verspreidingsgebied van de coloradokever te overlappen. De aardappel bleek voor de kever geschikt als voedsel, waardoor deze zich oostwaarts over de aardappelvelden kon verspreiden.

Noord-Amerika 270px|thumb|Migratie binnen Noord-Amerika De kevers verspreiden zich niet alleen door van plant naar plant te vliegen maar worden ook massaal door de wind meegevoerd. In 1859 werd de kever voor het eerst op aardappelplanten ontdekt in de staat Nebraska, in het middenwesten. Later werd de soort ook in het nog noordelijker gelegen South Dakota aangetroffen. In 1872 bereikten de kevers de staat New York en in 1876 werd de Amerikaanse oostkust bereikt. De kevers hadden op dat moment hun verspreidingsgebied 2500 kilometer in oostelijke en 600 kilometer in noordelijke richting uitgebreid.

Europa thumb|270px|Migratie binnen Europa (1921 - 1964) In 1877 werd de kever voor het eerst vanuit de Amerikaanse staat Colorado naar Europa gebracht. Beginnende haarden in Engeland en Duitsland in de omgeving van havens werden steeds uitgeroeid. Rond 1900 werden de kevers per ongeluk met zakken aardappelen ingevoerd in Duitsland.

Decennialang lukte het in Europa om de kevers te isoleren en uit te roeien totdat de coloradokever in 1922 werd aangetroffen in Le Taillan-Médoc, in het Franse departement Gironde. De kever was naar alle waarschijnlijkheid meegekomen met voedseltransporten vanuit de VS naar de havens van Bordeaux en Pauillac. Deze transporten waren begonnen in 1917, toen Amerikaanse troepen gingen meevechten in de Eerste Wereldoorlog en hadden jaren aangehouden. Toen de kever in 1922 ontdekt werd, had deze zich in de tussentijd verspreid over een oppervlakte van 250 vierkante kilometer. Pogingen om de insecten te bestrijden met loodarsenaat mislukten. Ook een vervoersverbod voor aardappelen, aubergines en tomaten mocht niet baten. De coloradokever verspreidde zich vanuit de Gironde met een snelheid van 50 kilometer per jaar en veroverde in 40 jaar geheel Europa.

België en Nederland thumb|Polygoonjournaal, 1948: "Strijd tegen de coloradokever" (01:54) miniatuur|2018: Coloradokever teistert volkstuinen Schelfhorst Op zijn tocht door het continent bereikte de kever in 1935 België, waar werd getracht met inschakeling van schoolkinderen en soldaten de kevers te verzamelen en te vernietigen. In 1938 veroorzaakte de coloradokever ernstige schade in België.