Jan de Vries (Sint Jacobiparochie, 5 januari 1944 – Purmerend, 14 januari 2021) was een Nederlands motorcoureur en was de eerste Nederlandse wereldkampioen in een snelheidssport. Zijn grootste concurrent was de Spanjaard Ángel Nieto. Ondanks twee wereldtitels won hij nooit zijn thuisrace, de TT van Assen.
De Vries is na Egbert Streuer de succesvolste Nederlandse motorcoureur aller tijden, met veertien GP-overwinningen en twee wereldtitels in de 50 cc, in 1971 en 1973. Hem werd in 1971 de Hans de Beaufort-beker toegekend door de KNMV. In 1974 kreeg hij de NSF-speld van de Nederlandse Sport Federatie voor zijn verdiensten in de motorsport. Privéleven Jan de Vries ging naar een lagere technische school, waar hij zich specialiseerde in metaalbewerking. Rond 1959 nam hij deel aan een kermisrace voor bromfietsen in Oudebildtzijl. Daar was hij eigenlijk alleen als toeschouwer, maar omdat er slechts drie deelnemers waren besloten De Vries en zijn vrienden ook mee te doen. Met zijn Batavus werd hij tweede achter een Berini M21 waarvan de bestuurder kon meetrappen. De Vries begon zijn eigen bromfietsen om te bouwen tot grasbaanracers, waarmee hij tamelijk succesvol was. Op de grasbaan leerde hij Henk en Frank Jager kennen, de zonen van motorhandelaar Jaap Jager in Leeuwarden. In 1960 trad hij daar in dienst als monteur, maar hij bleef de grasbaanrace trouw tot in 1967. In 1962 was hij een van de initiatiefnemers van de Friese Grasbaanrenners Vereniging.
In 1967 trouwde hij met Rommy. Ze kregen drie kinderen: Grietje, Anneke en Dirk.
Na Aalt Toersen's mislukte aanval op de wereldtitel 1969 wilde Henk van Veen De Vries als technicus in zijn Amsterdamse zaak hebben. In eerste instantie ging De Vries drie dagen per week naar Amsterdam, want zijn gezin had het aan de Oudebildtdijk in Sint Jacobiparochie naar de zin en hij bleef de rest van de week bij Jager werken. In 1971 ging De Vries definitief voor Van Veen werken en begin 1972 verhuisde het gezin naar Purmerend.
In 1978 verhuisde de sportafdeling van Van Veen naar Duderstadt. De Vries en Rommy gingen daar wel kijken, maar De Vries besloot toch in Amsterdam te blijven, waar hij de race- en crossmotoren van Nederlandse coureurs prepareerde. Dat deed hij onder meer voor Dave Strijbos en Hans Spaan. Toen Van Veen importeur van Husqvarna werd, werkte De Vries ook aan dat merk. In 1983 stortte de bromfietsmarkt in. De 50cc-klasse werd vervangen door de 80cc-klasse en Kreidler ging failliet. De Vries werd noodgedwongen ontslagen door Van Veen maar vond werk bij de uitlatenfabriek Carex Europa in Purmerend. Toen ook Carex failliet ging, vond hij werk bij Perfors, een bedrijf voor tuin- en parkmachines dat een tweetaktspecialist nodig had. Daar werkte hij in 1992 nog steeds. Hij was verantwoordelijk geweest voor de sloop van de Van Veen-fabriek, waarbij veel onderdelen gewoon weggegooid waren. Hij had echter zijn kampioensmachine uit 1973 behouden van vanaf 1993 ging hij daarmee weer deelnemen aan classic- en demoraces.
Racecarrière Toen Jaap Jager in 1963 Kreidler-dealer werd gingen De Vries en Henk en Frank Jager met Kreidlers op de grasbaan rijden. De Vries dacht er niet aan om te gaan wegracen, maar zijn vrienden daagden hem uit om deel te nemen aan de selectie die importeur Henk van Veen in 1965 uitschreef. De Vries solliciteerde niet, maar zijn werkgever Jaap Jager meldde hem aan. Van Veen had twee fabrieksracers van Kreidler gekregen en zocht een tweede coureur naast Cees van Dongen. Jan, die nog nooit een racemotor van dichtbij gezien had, was een van de elf uitverkorenen om deel te nemen aan een selectiewedstrijd op het circuit van Zandvoort. Met een nog vrij eenvoudige machine met vijf versnellingen bleek hij sneller dan meer ervaren wegracers. Hij werd opgenomen in het team van Van Veen, naast Aalt Toersen, ook al een grasbaanracer zonder ervaring. Ze moesten wel nog leren rijden met de fabrieksracer, die twaalf versnellingen (3 handgeschakeld en 4 voetgeschakeld) had. De Vries werd uiteindelijk reserverijder achter van Dongen en Toersen. Van Dongen bood hem echter de door zijn vader gebouwde 9-versnellings Kreidler aan, waarmee De Vries tijdens de races in Tubbergen tweede werd achter Toersen. 1966, 1967 en 1968 Hij maakte met een Kreidler zijn debuut in het wereldkampioenschap wegrace in de 50cc-klasse tijdens de TT van Assen van 1966, samen met Aalt Toersen (Kreidler) en Martin Mijwaart (Jamathi), maar haalde de finish niet. In de natte 50cc-race van de TT van 1967 viel hij uit door een natte bobine. In het seizoen 1968 reed hij meer WK-races. In de Duitse Grand Prix viel hij uit door een defecte versnellingsbak, in de TT van Assen scoorde hij zijn eerste WK-punten met een vierde plaats en in de Belgische Grand Prix werd hij zevende. Hij sloot het WK af als 10e.
1969 Het was de periode dat de dure Japanse 50cc-fabrieksracers als de Suzuki RK 67 en de Honda RC 116 van het toneel verdwenen door nieuwe FIM-reglementen, die tweecilinders verboden. Daardoor kwam er ruimte voor eenvoudige Europese tweetakt-eencilinderracers van Derbi, Jamathi en Kreidler.
Al in de Spaanse Grand Prix maakten de Kreidlers indruk, maar werd ook duidelijk dat de concurrentie van Derbi, met Ángel Nieto, Barry Smith en Santiago Herrero, sterk was. Paul Lodewijkx moest toen nog zijn Jamathi uit 1968 gebruiken omdat de nieuwe machine nog niet klaar was. Toersen won de race voor Nieto, De Vries werd derde. Smith, Herrero en Lodewijkx vielen uit. In de Duitse Grand Prix won Toersen voor De Vries. Nieto viel uit, waardoor de Vries opschoof naar de tweede plaats in het WK. In de Grand Prix van Frankrijk vocht De Vries met Smith om de derde plaats toen hij uitviel door een gebroken zuiger. Hij zakte naar de derde plaats in het WK. Voor de TT van Assen had de Kreidler-fabriek twee nieuwe zesversnellingsbakken geleverd. Nieto boorde al tijdens de trainingen de Nederlandse hoop de grond in: hij was zeven seconden sneller dan Toersen. Toch leidden De Vries en Aalt Toersen na de eerste ronde, maar ze werden door Nieto en Smith gepasseerd. Nieto viel uit met ontstekingsproblemen, waardoor De Vries achter Smith tweede werd. Hij klom weer naar de tweede positie in het WK, achter Toersen. In de GP van België mocht De Vries na een val in de training niet starten van de dokter. Doordat Smith won, zakte hij weer naar de derde WK-positie. In de GP van de DDR werd De Vries slechts vijfde, achter de officiële testrijder van Kreidler Rudolf Kunz. Omdat Smith slechts zevende werd behield de Vries zijn derde plaats in het WK. Ook in de GP van Tsjecho-Slowakije konden de Kreidlers geen vuist maken: Toersen werd vierde, Van Dongen vijfde en De Vries achtste. Nederlands succes was er echter wel: Lodewijkx won met zijn nieuwe, watergekoelde Jamathi. De Vries zakte naar de vierde plaats in het WK. In de Ulster Grand Prix had Nieto een geluk bij een ongeluk. Hij verloor de controle over zijn Derbi en torpedeerde de leidende Lodewijkx. Die laatste viel uit, maar Nieto kon verder en won voor De Vries, die zijn vierde plaats in het WK behield, maar wel dichter bij Smith kwam. Toersen viel uit door een verstopte benzineleiding en had nu nog slechts 1 punt voorsprong op Nieto. In de GP des Nations vochten Lodewijkx en Smith om de eerste plaats en Toersen (met een nieuwe watergekoelde Kreidler) en Kunz om de derde. Lodewijkx won voor Smith. Omdat Kunz uitviel werd De Vries vierde. In het WK bleef hij vierde, maar Smith was weer uitgelopen. Aan de Grand Prix van de Adriatische Zee hield het Nederlandse kamp een bitterzoete smaak over. Lodewijkx won, maar Toersen viel uit. Nieto kreeg een sein van Santiago Herrero, die langs de kant stond met een stuk karton met de tekst "TORS ↓" en wist dat Toersen eruit lag en dat hij aan de tweede plaats genoeg zou hebben voor de wereldtitel. De Vries eindigde als derde in de race, maar als vierde in de WK-stand. 1970, eerste overwinning In het seizoen 1970 was Aalt Toersen overgestapt naar Jamathi. Hij werd bij Van Veen vervangen door Jos Schurgers.
Tijdens de Duitse Grand Prix was het nat en glad en slechts weinig coureurs kenden de baan goed. Derbi-coureur Ángel Nieto kampeerde al weken bij de Nordschleife om de baan te verkennen. Hij won de 50cc-race met overmacht, maar zijn grootste concurrenten, de Nederlanders De Vries, Toersen en Schurgers deden het op dit gevaarlijke circuit rustig aan. Rudolf Kunz (Kreidler) werd tweede en Gilberto Parlotti (Tomos) werd derde. In de Grand Prix van Frankrijk startte Nieto slecht, waardoor De Vries de leiding kon nemen. Nieto reed echter een indrukwekkende inhaalrace en nam de leiding over. De Vries draaide zijn motor stuk en viel uit en teamgenoot Schurgers werd slechts vierde. In de GP van de Adriatische Zee ging het iets beter met de Kreidlers. De Vries werd tweede en Schurgers derde, maar Nieto was na opnieuw een slechte start weer ongenaakbaar en won met een halve minuut voorsprong. Tijdens de TT van Assen reed Nieto niet de snelste trainingstijd (dat deed Toersen) en Nieto startte ook weer slecht. Desondanks won hij voor De Vries en Nieto's stalgenoot Salvador Cañellas. De Vries had de beschikking over een nieuwe motor met oliepompsmering, maar koos in Assen nog voor het oude blok. Tijdens de Belgische GP werd Nieto op pure snelheid geklopt door de Jamathi van Toersen. Schurgers werd derde, maar De Vries slechts zesde. Hoewel teamgenoot Schurgers in de GP van de DDR derde werd, kwam De Vries niet verder dan de vijfde plaats. Nieto werd slechts vierde, maar Toersen won de race. In de Grand Prix van Tsjecho-Slowakije viel Nieto uit, maar De Vries werd slechts tiende. Toen De Vries in de Ulster Grand Prix slechts zesde werd, leek het wel duidelijk dat de Van Veen-Kreidlers niet opgewassen waren tegen de Derbi's en de Jamathi's. Toch mocht De Vries in de GP des Nations van poleposition starten en hij reed ook de snelste ronde in de race. Erg spannend was het niet, want al in de eerste ronden vielen Toersen, Schurgers en Cañellas. Door de val van Toersen was Nieto nu zeker van de wereldtitel. Nieto verliet de strijd toen zijn radiateurdop los schoot, waardoor hij een plens heet water over zijn been en in zijn laars kreeg. Door de pijn kwam hij ook nog ten val. Voor De Vries was het zijn eerste overwinning in het wereldkampioenschap. In de GP van Spanje reed de Vries lang aan de leiding, maar hij werd op het laatst gepasseerd door Cañellas en Kunz. In de eindstand werd De Vries vijfde achter Nieto, Toersen, Kunz en Cañellas.
In het seizoen 1970 startte De Vries enkele malen in de 125cc-klasse met een MZ RE 125 die Van Veen-teammanager Jan Huberts ter beschikking stelde. In de TT van Assen scoorde hij er zelfs punten mee: hij werd zevende en eindigde als 35e in de WK-eindstand. 1971, eerste wereldtitel Van Veen-Kreidler had hard gewerkt om de machines van 1971 te verbeteren. Men claimde 20% minder luchtweerstand. Tijdens de Eifelrennen was al gebleken dat de Kreidlers snel waren: Jos Schurgers en De Vries haalden daar de eerste twee plaatsen. De Kreidler-fabriek zelf had zich helemaal teruggetrokken uit de racerij. Privérijder Rudolf Kunz mocht zelfs geen gebruik maken van de testbank in de fabriek.