thumb|Berend (Barend) Botje op de omslag van een liedboekje, 1887 thumb|Het beeld van Berend Botje in Zuidlaren thumb|De bronzen replica als vervanging van het oude beeld aan de Stationsweg thumb|Opengeslagen boek met de tekst van het liedje, geplaatst bij het beeld aan de Stationsweg Berend Botje ging uit varen is een bekend negentiende-eeuws kinderliedje. Het liedje bestaat uit twee of drie coupletten en een latere toevoeging, die aanvankelijk als afzonderlijke liedjes of versjes hebben gecirculeerd. Oorspronkelijk was het vermoedelijk een opvoedkundig gedicht dat waarschuwde tegen leegloperij. De huidige versie is in de laatste decennia van de twintigste eeuw tot stand gekomen, wellicht onder invloed van een grammofoonplaat met kinderliedjes, dan wel een radio- of televisie-uitzending.
Het figuur, Berend Botje, wordt soms gekoppeld aan het levensverhaal van de Russische viceadmiraal Lodewijk van Heiden (1773-1850). De identificatie van Berend Botje met historische personages is echter nauwelijks met de geschiedenis van het liedje zelf te rijmen.
Oudste vindplaatsen Oost-Friesland Het eerste couplet van het liedje komt voor in een boek over de folklore van Oost-Friesland uit 1868. Het liedje geldt hier als een scheldrijm, waarbij iemand die in de ogen van de zanger niet deugde, belachelijk werd gemaakt. Met een Butje wordt sinds het begin van de negentiende eeuw in het Nedersaksisch, met name in Hamburg en Bremen, een 'onbehouwen persoon' of 'botterik' aangeduid. Bij kinderen wordt het woord vergoelijkend voor een 'wildebras' gebruikt.Blog: Reinhard Goltz, Auf ein (Platt-) Wort (2007). Het is opgenomen zijn bundel Moin, moin. Weitere platt-deutsche Wortgeschichten, Hamburg 2015. Het woord is mogelijk in het Gronings overgenomen als butje 'gek, onbenul, halve gare; slome jongen'. Hiermee werden de leerlingen van de LOM-school in de Butjesstraat, gesticht in 1914, aangeduid.Vgl. S. Reeker, 'De wonderbaarlijke zwerftochten van "butje"', in: Nieuwsblad van het Noorden, 18 januari 1992.
Kennelijk werd het lied gebruikt om onzekere jongemannen zonder doorzettingsvermogen aan te duiden, die op zoek naar hun levensbestemming twaalf ambachten verkenden en dertien ongelukken maakten. "Met het rijmpje wordt een jonge gelukzoeker (ein Peter in der Fremde) gekarakteriseerd, die omkeert zodra hij radeloos bij een wegsplitsing staat", stelt de auteur Hermann Meier."In diesen Zeilen wird uns ein Peter in der Fremde gezeichnet, der umkehrt, sobald er rathlos am Scheidewege steht". Hermann Meier, 'Das Kind und die Volksreime der Ostfriesen, III', in: Globus 26 (1874), p. 312. De tekst luidt: Berend Buttje dee wul fahren Mit sien schipke over de Baren, De Weg was krumm, Do ging Berend Buttje weer um.Hermann Meier, Ostfriesland in Bildern und Skizzen: Land und Volk in Geschichte und Gegenwart, Leer 1868, p. 16. Het liedje past in de traditie van het bekende sprookje Der dumme Hans, die op zoek naar zijn levensgeluk de ene domme streek na de andere uithaalt.Der dumme Hans, oder: Was der Hansel nicht lernt, lernt der Hans noch weniger, Steyr 1841. E. Meier, Deutsche Volksmärchen aus Schwaben. Aus dem Munde des Volks gesammelt und herausgegeben, Stuttgart 1852, pp. 72-75. Hierop was een populair gedicht van de kinderboekenschrijver Rudolf Löwenstein (1819-1891), met tekeningen van Robert Kretschmer (1846) gebaseerd. Het moralistische gedicht, dat veelvuldig werd herdrukt, gaat over een luie leerjongen die op gezellenreis gaat.'Die traurige Geschichte vom dummen Hans' of 'Hänschen will ein Tischler werden' verscheen eerst in de bundel Kindergarten. Gedichte uit 1846. Het werd veelvuldig in schoolboeken opgenomen, bijvoorbeeld Th. Colshorn en L. Munkel (ed.), Kinderfreund. Deutsches Lesebuch für Volksschulen, Stade 1851, p. 47. De tweede druk van 1864 had tekeningen van Theodor Hosemann. Wilhelm Taubert en Alfred Dregert componeerden de muziek. Ook het bekende dialectgedicht Peter in der Fremde uit 1805, geschreven door Konrad Grübel uit Neurenberg behandelt deze problematiek.Vgl. de vertaling van August Gottlob Eberhard, 'Der Peter will nicht länger bleiben (Peter in der Fremde ...)' (1811). Hetzelfde geldt voor Hänschen klein van Franz Wiedemann (1860). Het thema gaat terug op een spreekwoord van Maarten Luther: Was Hänschchen nicht lernt, lernt Hans nimmermehr ('Wat kleine Hans niet leert, zal grote Hans nooit meer leren').Wolfgang Mieder, '"Was Hänschchen nicht lernt, lernt Hans nimmermehr"', in: Sprachspiegel. Zweimonatsschrift 39 (1983), pp. 131-138.
Nederland De oudste bekende Nederlandse variant is afgedrukt in het liedboekje Volksdeuntjes uit de oude doos uit 1871, uitgegeven door Dirk Noothoven van Goor (1827-1895) te Leiden.Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur: Dirk Noothoven van Goor te Leiden De beginzin luidt hier: "Berend Botjen ging uit varen, met zijn scheepjen naar Zuidlaren". De bijbehorende afbeelding toont een jongeman die op reis gaat met een strooien zeemanshoed, roeiboot, visnet en bootshaak.Volksdeuntjes uit de oude doos: met 8 gekleurde platen, Leiden 1871. De hoed betreft een canotier of boater, vooral gedragen door zeelui, maar populair sinds ongeveer 1880. Deze afbeelding strookt met de Duitse interpretatie. Maar in tegenstelling daarmee stelt het liedje nu dat Berend Botje "nooit weerom" keert. Deze slotzin is wellicht ontleend aan het oudere volksliedje 'Malbrough s'en va-t-en guerre', dat in de Nederlandse versie eindigt met "en hij kwam nooit weerom".Nederlandse liederenbank, tekstnorm: Malbroek gaat ten oorlog varen.
De bekende kinderboekenuitgever Jan Vlieger (1844-1908) te Amsterdam nam in 1880 een deel van Van Goors fonds over.Stichting Geschiedenis Kinder- en Jeugdliteratuur: Jan Vlieger te Amsterdam Hij publiceerde in 1887 een bundel met bakerrijmen en sprookjes onder de titel Barend Botje ging uit varen, waarbij de schippersgezel met zijn scheepje op de omslag prijkt.DBNL: Barend Botje ging uit varen (ca. 1885).. Vlieger adverteerde vanaf 1 november 1887 met deze titel. De keuze voor deze titel geeft aan dat het liedje toen al algemeen bekend was. Een eerdere versie van de afbeelding bij het versje verscheen in het boekje Jaapje, sta stil uit 1882.Jaapje, sta stil, J. Vlieger, Amsterdam ca. 1882. De verschillende liedboekjes werden in grote oplagen verspreid; Vlieger beweerde in 1882 dat hij 100.000 exemplaren had laten drukken.Algemeen Handelsblad 8 juli 1882. Andere kinderboekenuitgevers als Jan de Haan in Haarlem namen het versje over en tekenden het prentje na.Berend Botjen met oranjevlag en hond in: Neerlands oude kinderdeuntjes met zestien platen, nr. 2: Schuitje varen, theetje drinken en anderen, I. de Haan, Haarlem ca. 1890-1900. Een variant van dezelfde afbeelding in Jaapje sta stil, met 8 gekleurde plaatjes, J. Vlieger, Amsterdam 1897. De kinderboekenschrijfster Tine van Berken (1870-1899) citeert het liedje in 1894 als "een oud rijmpje, dat ik als kind geleerd had" met als openingszinnen "Berend Botje ging uit varen, met zijn schuitje naar Zuidlaren".Tine van Berken, Een klaverblad van vier, Amsterdam 1894, p. 182.
Latere edities van kinderboeken beelden Berend Botje doorgaans uit als een schipper, varend in zijn boot.Jan Bleys, Hansje Knipperdolletje, J. Vlieger, Amsterdam ca. 1910, p. 13. , S. Abramsz en Jan Sluyters, Rijmpjes en versjes uit de oude doos, J.M. Meulenhof, Amsterdam 1911, 2e dr. 1920, p. 79. Sijtje Aafjes, Oude kinderrijmpjes, W. van Goor en zonen, Gouda ca. 1930, p. 14. Piet Marée, Ju, ju, paardje en 60 andere oude rijmpjes, Ad. M.C. Stok, Zuid-Hollandsche Uitgevers mij, Den Haag 1940, p. 102.
Groningen en Drenthe Tegelijkertijd waren ook oudere varianten van het liedje in omloop die eerder bij het Oost-Friese voorbeeld aansloten. Pieter Jelles Troelstra publiceerde in 1917 een Groningse dialectvariant, die hij zich uit zijn jongenstijd in 1877 herinnerde: het liedje werd gezongen door een Groningse stationschef en oud-zeeman om de reizigers op een Amsterdamse pleziertrein te vermaken. Berend Boddien keert hierin nog behouden naar huis terug. De Groningse dialectschrijfster Titia de Haas-Okken (1853-1928) publiceerde in 1911 een andere variant die kennelijk terugging op haar jeugdjaren in Appingedam.Titia de Haas-Okken, Hoppersvolk, Uithuizen 1911, p. 66. De Drentse taalkundige Jan Bergsma geeft in Nieuwe Drentse Volksalmanak uit 1901 een variant die in Drenthe en Groningen als liedje bij het touwtjespringen bekend was.J. Bergsma, 'Veranderingen in kinderliedjes', in: Nieuwe Drentse Volksalmanak 20 (1901), p. 50-57, hier 53-54 (google USA). In Groningen was het tevens bekend als knieliedje. Volgens de Groninger onderwijzer Jacob Tilbusscher was het bovendien een plaagversje, dat gebruikt werd om jongens met de voornaam Berend te belagen.T(ilbusscher), 'Over ons dialect, VII ('t Hoogeland)', in: Nieuwsblad van het Noorden, 18 september 1913. Overgenomen door K. ter Laan, Nieuw Groninger woordenboek, Groningen 1929, p. 61, waarbij de naam Berend Bootje is vervangen door Beernd Botje. Deze naam was vooral gebruikelijk bij nakomelingen van hannekemaaiers en Westfaalse immigranten. De volkskundige Tjaard W. de Haan hoorde het versje in 1944 zingen in Zuidlaren, waar schoolmeisjes meenden dat het over patiënten van het psychiatrische ziekenhuis 'Dennenoord' ging. Als een van de meisjes aan de ander duidelijk wilde maken dat ze niet goed bij haar hoofd was, werd Berend Botje gezongen.Tj.W. de Haan, 'Berend Botje', in: Neerlands Volksleven 26 (1976), p. 27-30. Pas in de bundel Oude en nieuwe Groninger liederen uit 1930 werd de tekst gestandaardiseerd, voorzien van muziek en op één lijn gebracht met de Nederlandstalige versie.
Het eerste couplet is ten minste acht keer te vinden in de Handschriftencollectie van G.J. Boekenoogen (verzameld in de periode 1891-1930). Opvallend zijn de verbasteringen die hij noteerde, met name Berend Bokkies (Havelte) en Bering Botje (Amsterdam).Tekstnorm: Berend Botje ging uit varen Met zijn scheepje naar Zuidlaren, Nederlandse Liederenbank, Meertens Instituut. Een nieuwere vorm is Bere(n) Botje, voor het eerst gedocumenteerd in 1967.Nieuw Israelietisch Weekblad, 3 maart 1967. Zierikzeesche Nieuwsbode, 1 april 1977, p. 2.
Tweede couplet