Julien Lahaut (Seraing, 6 september 1884 – aldaar, 18 augustus 1950) was een Belgisch politicus, Belgische militair in Rusland tijdens de Eerste Wereldoorlog en voorzitter van de Kommunistische Partij van België (KPB-PCB). Hij werd vermoord een week nadat Boudewijn op 11 augustus 1950 de eed aflegde als koninklijke prins. Op de plechtigheid riep iemand toen "Vive la République!" wat aan Lahaut werd toegeschreven, maar daar is ook vaak aan getwijfeld."Vive la République" niét door Lahaut geroepen?, Radio 1, 17 mei 2011. Gearchiveerd op 20 mei 2022. In 2008 vroeg de Belgische Senaat om een onderzoeksopdracht naar de moord en het verloop van het gerechtelijk onderzoek. In 2015 stelden drie historici hun resultaten voor. De moord werd gepleegd door een anticommunistische inlichtingen- en actiedienst en zou dus slechts onrechtstreeks te maken hebben gehad met de Koningskwestie.Emmanuel Gerard (red.), Wie heeft Lahaut vermoord? De Koude Oorlog in België, Davidsfonds (2015),
Biografie Jeugd Julien Lahaut was de zoon van een metaalarbeider en een huisvrouw en groeide op in een volkswijk. Zijn vader was syndicaal actief en militeerde voor de socialistische Belgische Werkliedenpartij. Nadat hij het lager onderwijs had doorgelopen, studeerde hij nog twee jaar aan de industriële school. Op zijn veertiende ging Lahaut als arbeider werken in een kleine koperfabriek. Vervolgens was hij als staalarbeider aan de slag bij Cockerill en werd er actief in het syndicalisme. Na deelname aan de staking van 1902 werd hij ontslagen. In 1905 was hij medeoprichter van de metaalarbeidersvakbond Relève-toi, die aan de basis zou liggen van de latere Centrale van Metaalarbeiders binnen de Belgische Werkliedenpartij. Wegens zijn syndicale activiteiten werd hij in 1908 ontslagen bij de kristalfabriek Val-Saint-Lambert. Vervolgens werkte Lahaut als syndicaal afgevaardigde. In 1913 werd hij opgepakt tijdens de laatste algemene staking voor het algemeen kiesrecht.
Eerste Wereldoorlog Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 werd hij niet gemobiliseerd, maar sloot zich als vrijwilliger aan bij het Belgische leger dat hij vervoegde na een reis via het neutrale Nederland. Hij werd ingedeeld bij het Belgische pantserkorps Korps Autos-Canons-Mitrailleuses (ACM) en in 1915 werd hij naar het front van Galicië gestuurd. Hij bracht het tot onderofficier en maakte met de ongeveer 400 andere ACM-leden alle avonturen van het korps mee. Hun expeditie groeide uit tot een driejarige odyssee: vertrek per schip naar Petrograd in het najaar van 1915, frontdienst in Galicië in 1916-17, oponthoud in Kiev na de Russische Oktoberrevolutie, per trein dwars door Siberië naar Vladivostok, overtocht naar de VS, propagandatocht van San Francisco naar New York en uiteindelijk Atlantische overtocht naar Frankrijk met aankomst in Bordeaux in juni 1918. Lahaut heeft geen enkel geschrift nagelaten over zijn deelname aan die driejarige expeditie als oorlogsvrijwilliger in Belgische militaire dienst.A. Thiry & Dick Van Cleemput, Reizigers door de Grote Oorlog: De odyssee van een Belgisch pantserkorps 1915-1918, Davidsfonds (2008), 70 jaar geleden vermoordde de Belgische staat Julien Lahaut 'De Koning van de Solidariteit', www.solidair.org, 17 augustus 2020. Gearchiveerd op 2 september 2023.
Tijdens zijn periode aan het front van Oost-Europa was Lahaut getuige van de gebeurtenissen na de Oktoberrevolutie in Oekraïne, de nederlaag van het Russische leger en de bloedige strijd tussen Oekraïense nationalisten en communisten. Hij werd er sterk beïnvloed door het gedachtegoed van Vladimir Lenin en keerde terug naar België met de overtuiging dat het leninisme het gelijk aan haar zijde had.
Interbellum Na de oorlog hernam Lahaut zijn syndicale activiteiten en werd hij secretaris van de Luikse federatie van de Centrale van Metaalarbeiders. Zijn sympathie voor het bolsjewisme en zijn radicale syndicale praktijken verontrustten de socialistische leidinggevenden in Luik. Een staking in de staalfabriek van Ougrée-Marihaye, die deel uitmaakte van de sector waarvoor Lahaut als vakbondssecretaris verantwoordelijk was, legde in 1921 de breuklijnen tussen Lahaut en de Luikse Centrale van Metaalarbeiders bloot. Omdat de staking niet als een succes werd beschouwd, besloot de Centrale niet langer stakingsvergoedingen te betalen en op te roepen om het werk opnieuw op te nemen. Lahaut moedigde de stakers echter aan om de staking voort te zetten, waardoor ze in totaal negen maanden lang zou duren. Als gevolg hiervan werd Lahaut wegens een gebrek aan discipline uit de Centrale van Metaalarbeiders en de BWP gestoten. Vervolgens stichtte hij de communistische vakbond Chevaliers du Travail, die zich in 1930 aansloot bij de Centrale révolutionnaire des Mineurs en zich aansloot bij de Rode Vakbondsinternationale, het Profintern. In 1924, 1927 en 1930 nam Lahaut als verantwoordelijke deel aan het derde, vierde en vijfde congres van deze internationale organisatie.
In 1923 werd Lahaut gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij een vermeend communistisch complot om de staat omver te werpen, nadat verschillende communistische leiders zich hadden uitgesproken tegen de bezetting van het Ruhrgebied door het Franse en Belgische leger. Omdat hij niet aangesloten was bij de Kommunistische Partij van België (KPB of PCB), werd hij echter niet aangehouden en uiteindelijk werden alle beschuldigden door het Hof van assisen bij gebrek aan bewijs vrijgesproken. Kort daarna trad Lahaut officieel toe tot de PCB en werd in 1926 verkozen tot gemeenteraadslid van Seraing, een mandaat dat hij bekleedde tot aan zijn overlijden in 1950.
In 1928 trok Lahaut voor een lang verblijf naar de Sovjet-Unie, om er te herstellen van een zware ziekte. Hij onderhield er contact met Frédéric Legrand, een Belgische arbeider-militair die zich na de Oktoberrevolutie in de Sovjet-Unie had gevestigd, reisde met zijn partijgenoot Joseph Leemans door het land en onderhandelde financiële bijstand voor de aankoop van een theater in Seraing, dat gebruikt werd voor vergaderingen van de Chevaliers du Travail, maar ook als lokaal voor de Kommunistische Partij en voor Italiaanse antifascisten die naar België waren gevlucht voor het regime van Benito Mussolini. Na zijn terugkeer naar België werd Lahaut in 1929 verkozen tot provincieraadslid van Luik, wat hij bleef tot in 1932.
Lahaut was een van de aanjagers van de grote mijnstaking van 1932 in de Borinage en werd vanwege opruiing even opgesloten in de gevangenis. Later dat jaar werd hij voor het arrondissement Luik verkozen in de Kamer van volksvertegenwoordigers, waar hij bleef zetelen tot aan zijn dood in 1950.Bob Claesens, Julien Lahaut, Een leven in dienst van het volk, 1951 (geraadpleegd 3 mei 2014). Gearchiveerd op 26 mei 2022. In de jaren daarna onderschreef hij de koerswijziging van de Communistische Internationale om een volksfront met de socialisten op te zetten en onderhandelde hij mee over de fusie tussen de Centrale révolutionnaire des mineurs met de socialistische Nationale Centrale der Mijnwerkers van België.
Na het plotselinge overlijden van secretaris-generaal Joseph Jacquemotte in oktober 1936 groeide Lahaut door zijn oratorisch talent, charisma en grote populariteit bij de basis uit tot de belangrijkste leidersfiguur. Zijn gebrek aan politieke vorming, zijn slechte organisatorische vaardigheden en eigengereidheid speelden echter in zijn nadeel en daarom besloot de Komintern om een triumviraat aan te stellen aan de leiding van de KPB: Lahaut voor Wallonië, Georges Van den Boom voor Vlaanderen en voor Brussel Xavier Relecom (die in 1939 de enige secretaris-generaal werd).Jules PIRLOT, Biografie Julien Lahaut, Dictionnaire Biographique Le Maitron, online gezet op 14 juli 2012. Gearchiveerd op 24 mei 2023.
Tweede Wereldoorlog Als vurig antifascistisch militant ondersteunde Lahaut tijdens de Spaanse Burgeroorlog de Republikeinen. Toen Nazi-Duitsland in 1940 België binnenviel, bleef hij op post als gemeenteraadslid van Seraing en werd hij bij afwezigheid van de gevluchte titularissen aangesteld tot schepen van Openbare Werken, een functie die hij vervulde tot in 1942. Hij maakte hiervan gebruik om naar Vichy-Frankrijk te reizen om er ontheemde Belgische kinderen te herenigen met hun familie. Tijdens de Duitse bezetting bleef Lahaut zijn politieke functies uitoefenen in het openbaar en voerde hij tegelijk de leiding over communistische militanten in het ondergrondse Belgisch verzet in de Tweede Wereldoorlog. Hij liet zich niet afschrikken door de bezetter en verstoorde in januari 1941 aan het hoofd van een tegenmanifestatie van duizenden mensen een bijeenkomst van de Waalse fascistische leider Léon Degrelle, die Duitse bescherming genoot.
Toen op 10 mei 1941 de metaalarbeiders van Cockerill het werk neerlegden vanwege de schrijnende leefomstandigheden, was Lahaut de onbetwiste leider van de actie.Patrick Humblet, Bloemen noch kronen, De Standaard, 10 mei 2016. Gearchiveerd op 3 juni 2023. Hij onderhandelde in Brussel met de Belgische werkgevers en met de secretaris-generaal voor Landbouw en Voedselvoorziening. Op 17 mei dreigden de Duitsers met harde maatregelen. Op 19 mei 1941 waren er na de aansluiting van mijnwerkers uit het Luikse bekken naar schatting 60.000 deelnemers aan de staking. In de clandestiene pers ging dit de geschiedenis in als "De Staking der 100.000". Tussen 19 en 21 mei hervatten de arbeiders het werk. Lahaut kreeg 8% loonsverhoging en verhoging van het rantsoen voor elkaar. Achteraf bleek dat Hitler zelf tussenbeide was gekomen om de sociale onrust te temperen. Elke stakingsdag kostte hem tonnen staal, die hij nodig had voor de productie van wapens die zouden worden ingezet voor de invasie van de Sovjet-Unie.
De staking der 100.000 bekocht Lahaut in juni 1941, bij de inval van de nazilegers in Rusland, met een arrestatie door de Gestapo. Hij werd overgebracht naar het fort van Hoei, waar hij tot drie keer toe probeerde te ontsnappen. Uiteindelijk werd hij afgevoerd naar het concentratiekamp Neuengamme, waar hij door zijn altruïstische houding als bijnaam kreeg: l'homme qui a le soleil dans sa poche, "de man die de zon in zijn broekzak heeft". Hij werd er ter dood veroordeeld en in 1944 afgevoerd naar concentratiekamp Mauthausen. Op 5 mei 1945 werd hij meer dood dan levend bevrijd door de Amerikanen.
Na de oorlog Na zijn terugkeer naar België en het einde van de Tweede Wereldoorlog was Lahaut de enige vooroorlogse communistische secretaris-generaal die zijn prestige had kunnen behouden. Edgar Lalmand had tijdens de oorlog de functies van secretaris-generaal overgenomen, waardoor het Centraal Comité besloot om Lahaut in augustus 1945 aan te stellen tot voorzitter van de KPB, die toen op het toppunt van haar populariteit stond. Hoewel niet hij, maar secretaris-generaal Lalmand de echte partijleider was, werd de welsprekende tribuun Lahaut een populaire politicus en van 1946 tot 1947 was hij ondervoorzitter van de Kamer. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van november 1946 werden de communisten de grootste partij in Seraing en kon Lahaut aanspraak maken op de functie van burgemeester. De socialisten hielden echter vast aan de sjerp, waardoor hij genoegen moest nemen met de post van schepen van Financiën. Lahaut vervulde de functie tot aan zijn dood in 1950.